Waarom ik niet mee zal lopen in ‘de Mars der Beschaving’

Een gastbijdrage van Vincent Cardinaal.

Het huidige verzet tegen de geplande bezuinigingen in de cultuursector kenmerkt zich wat mij betreft tot de reactie van een kind dat z’n door mama gesmeerde boterhammetjes afhandig ziet gemaakt op het schoolplein: boehoe meester, hij is gemeen, doe er wat aan. In plaats van zelf naar de pestkop te lopen en ‘m een ferme trap in z’n ballen te geven (meisjes pakken uiteraard geen door mama gesmeerde boterhammetjes af).

Het ‘verzet’ richt zich tot één enkele persoon. Halbe Zijlstra. Gemene Halbe Zijlstra, ‘Halbe de Sloper’, die de door mama (de staat) gesmeerde boterhammetjes (subsidie) komt afpakken. Boehoe meester, doe er wat aan. Wat men zich blijkbaar niet realiseert is dat over tien jaar niemand meer weet wie Halbe Zijlstra is. Die is dan al lang burgemeester van Delfzijl, of iets dergelijks. Je pijlen grotendeels op een ‘pestkop’ richten is een zwaktebod, en uiteindelijk contraproductief. Het vernauwt de discussie, sluit andere manieren van gesprek welbeschouwd uit.

Wat de sector zelf doet is dus een ‘Mars der Beschaving’ organiseren. Natuurlijk is het te prijzen dat er een tegengeluid geformuleerd wordt. Ook ik vind een aantal van de geplande bezuinigingen onnodig, soms rücksichtslos, vaak visieloos. De algehele benadering van kunst en cultuur onder de huidige generatie politici stemt me droevig.
En ik denk ook dat er slachtoffers gaan vallen waarvan we ooit zullen zeggen dat dat nooit had mogen gebeuren.

Maar in plaats van in een hoekje te gaan huilen kun je de komende tijd ook als een unieke kans zien. Een kans om je als kunst- en cultuursector van je meest positieve, constructieve en proactieve kant te laten zien. Aan de slag gaan, op zoek naar andere manieren van financiering, naar manieren om grotendeels zelfbedruipend te zijn. Laten zien dat een grootscheepse bezuiniging lang niet het einde van de kunst en cultuur betekent. In tegendeel. De laatste jaren duiken er steeds meer samenwerkingsverbanden op in de kunst en cultuur. Zet dat door. Want, cliché aller clichés, samen sta je wel degelijk sterk.

De retoriek die gebezigd wordt door de organisatoren van de ‘Mars der Beschaving’ sluit geenszins aan op het bovenstaande. Neem de volgende redenering:

Met haar lege symboolpolitiek breekt zij af wat een beschaving nodig heeft. Schoonheid, vernieuwing, zorg, vertrouwen, openheid en tolerantie. Onder dit kabinet stevenen wij af op een samenleving waarin geen plaats meer is voor nieuwsgierigheid, en waarin alles in cijfers uitgedrukt moet worden. Waarin de Nederlandse identiteit een benauwd keurslijf wordt in plaats van de bonte verzameling aan meningen, overtuigingen en uitdrukkingsvormen die haar al zo lang kenmerkt en bijzonder maakt.

Met alle respect, maar dit is populisme van exact dezelfde soort waar veel huidige politici zich van bedienen. Alsof de kunst zal verdwijnen door de huidige bezuinigingen. Alsof kunst ooit zal verdwijnen. Nog erger: de stellers van dit epistel laten hun ‘nieuwsgierigheid’ blijkbaar geheel en al van de Staat afhangen. Want als die bezuinigt sterft de ‘nieuwsgierigheid’ zo te lezen. Dat is jezelf wel erg afhankelijk van de overheid verklaren. En daarmee raken we de kern van mijn probleem met de ‘Mars der Beschaving’ en het huidige tegengeluid.

Het is zo ontzettend braaf. Zo ontzettend ‘klein’. Zo ontzettend afhankelijk van de overheid. Waarom wil men per se zo verbonden zijn aan staatssteun? Op die manier zul je altijd afhankelijk blijven van de beslissingen van een kabinet. Het is juist die angst (wat het uiteindelijk is, naar mijn mening) die een deel van de ontwikkeling van de kunstsector tegenhoudt. Pappen en nathouden, dat idee.

Zoals gezegd: de komende tijd biedt een heel grote kans. Een kans om veel meer op eigen benen te staan. Om te kiezen voor kwaliteit boven kwantiteit. Daar zou het tegengeluid van moeten getuigen. Het zou proactief moeten zijn, en niet moeten getuigen van holle, angstretoriek als ‘de kunst verdwijnt’. De kunst verdwijnt nooit. Alle samenlevingen die ooit op de planeet hebben rondgezworven delen drie kenmerken: ze plantten zich voort, kenden een vorm van Godsdienst en ze kenden kunst. De waarde van kunst is evident; het maakt onderdeel uit van alle samenlevingen, vroeger, nu en in de toekomst.

Met een sector die stelt dat door bezuinigen ‘de kunst kan verdwijnen’ en daarmee van zo weinig zelfvertrouwen, eigen waarde en fiducie in de toekomst getuigd, kan ik helemaal niks.
Daarom loop ik niet mee in de ‘Mars der Beschaving’. Ik ben dit weekeinde namelijk aan het werk, net als vele creatieven en kunstenaars in en uit Rotterdam op ‘Bazar Bizar’, aan de Wolphaertstraat op Zuid en hun metgezellen in Rotterdam-Noord, tijdens ‘Route du Nord’. Dat zijn pas marsen der Beschaving.