Het einde van ‘De Allochtoon’: geen daden maar woorden

Onlangs pleitte de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling ervoor etnische categorieën en het woord ‘allochtoon’ te schrappen. Ook de schrijvers van het rapport ‘De Staat van Integratie’, met een evaluatie van tien jaar integratiebeleid in Rotterdam en Amsterdam, kwamen tot de conclusie dat integratiebeleid passé was en men over moest gaan op algemeen beleid. Tegen de tijdgeest in stapte deelgemeente Charlois naar de rechter om etnische registratie mogelijk te maken. Maar ook op andere gebieden speelt etniciteit nog een grote rol in het Rotterdamse achterstands- en veiligheidsbeleid. Zo hebben we een ‘Marrokanenaanpak’ en een Stadsmarinier Antilianen. Op 6 juni vond een debat van Arminius en de dienst JOS van de Gemeente Rotterdam plaats over dit onderwerp, waarbij voor- en tegenstanders van specifiek integratiebeleid bij elkaar kwamen. Corina Duijndam was hierbij aanwezig en mengde zich in het debat. Hieronder betoogt zij dat goedbedoelde aandacht voor problemen zelf problemen kan veroorzaken.

Drie jaar geleden kwam ik terug naar Nederland nadat ik een jaar in de cités of banlieues (buitenwijken) van Parijs onderzoek had gedaan. Mijn tijdelijke afstand tot het Nederlandse discours hielp me scherp te zien hoe geobsedeerd men etniciteit en religie inzet in het bespreken van maatschappelijke ontwikkelingen of misstanden, hoe bol onze media staan van (vaak negatieve) berichtgeving over mensen met een bepaalde achtergrond of religie, hoezeer politici proberen te scoren zodra het over dit onderwerp gaat, hoezeer wij structureel bepaalde kenmerken toeschrijven aan etniciteit, en hoezeer wij de neiging hebben deze kenmerken te pas en te onpas te benoemen. Dat alles, terwijl het in de meeste gevallen om irrelevante informatie gaat die van weinig toegevoegde waarde is.

Nog steeds met de illusie levend dat wij een tolerant land zijn, nemen we binnen ons discours – waarin etnische categorisering heel normaal is – de vrijheid allerlei statische karakteristieken toe te schrijven aan bepaalde etniciteiten of religies. Dit werd mogelijk door ons beleidssysteem waarin wij lange tijd (en in de praktijk vaak nog steeds) etniciteit bepalend lieten zijn. Met als gevolg dat dit doorklinkt in ons taalgebruik, door woorden te gebruiken als allochtoon, Turk of Marokkaan.
‘Allochtoon’ is een woord dat in Nederland is uitgevonden, en het is nog niet wegens succes overgenomen in andere landen. Een Frans weblog bericht dat Nederland een land is “waar jonge Nederlanders vaak worden gedefinieerd naar de cultuur van hun ouders en hun huidskleur.(…) Maar de Nederlanders zien zichzelf niet als racisten.” Het is een voorbeeld van een vaststelling die je buiten Nederland steeds vaker hoort. Hoogleraar sociologie Jan Willem Duyvendak bevestigt dit in hetzelfde blog en stelt dat er in Nederland veel minder bewustzijn is dan in andere landen over racistische verschijnselen. Dat de PVV in Nederland niet als extreem-rechtste partij wordt gezien, maar in andere landen wel, zegt misschien al genoeg.

Het Thomas-theorema – autochtoon versus allochtoon
Het onderscheid maken tussen de begrippen allochtoon en autochtoon (en moslim, christen, et cetera) veroorzaakt een nieuwe sociale constructie. Dit gebeurt wanneer een gebeurtenis of verschijnsel betekenis krijgt door het in woorden te benoemen. Hierdoor krijgt het een bepaalde bestaanswaarde in de samenleving en gaat het in de geest van de mensen leven. Men zal het verschijnsel ook daadwerkelijk denken te herkennen in de werkelijkheid en bevestigen dat het er is.

We beschouwen etniciteit in Nederland bijna als een biologisch gegeven, maar etniciteit vindt zijn basis niet in een natuurlijk verschil. Het verwijst naar een identiteit die historisch, politiek en cultureel is bepaald en voortkomt uit een samenloop van omstandigheden. De buitenwereld speelt een grote rol bij de afbakening van deze etniciteit. Het Nederlandse woord ‘allochtoon’ blijft dan ook – ondanks het verkrijgen van het Nederlandse burgerschap – altijd verwijzen naar het etnische ‘anders-zijn’. Dit heeft diverse gevolgen voor de groepsdynamieken, zoals ook uit mijn onderzoek blijkt. Of, zoals de Amerikaanse socioloog William Isaac Thomas in 1928 stelde: “If men define situations as real, they are real in their consequences.” Dus zolang we bepaalde groepskenmerken in ons taalgebruik en daarmee in ons denken hanteren, zijn deze er in de praktijk ook, en zolang we in woorden het verschil benadrukken, zien we deze verschillen ook in de werkelijkheid terug.

Waarheidseffect
Soms is het nodig om iemand aan de hand van bepaalde kenmerken, zoals leeftijd, aard van de problematiek en interesses, anders te benaderen. Dit speelt bijvoorbeeld in de hulpverlening. In dergelijke situaties kan ook worden bekeken of etnische verschillen om een andere behandeling vragen, mits dit echt een verschil uitmaakt.

In Nederland hebben we echter de neiging alle verschillen toe te schrijven aan etniciteit, terwijl een groot deel is toe te schrijven aan andere zaken, zoals sociaal-economische kenmerken. Journalist Frans Verhagen stelde daarom tijdens het Arminius-debat: “Er zijn vervelende Marokkaanse jongeren, maar we hebben in Nederland feitelijk met een algemeen jongerenprobleem te maken. Denk aan de zuipketen, de problematiek op scholen, of Nederlandstalige kinderen die evenzeer opgroeien met een taalachterstand.” In lijn met de bevindingen in het rapport ‘De Staat van Integratie’ van Han Entzinger en Paul Scheffer, pleitte Verhagen voor de aanpak van maatschappelijke problemen in bredere zin, in plaats van ons enkel te richten op één aspect, namelijk integratie.

Onlangs pleitte de Raad voor Maatschappelijk Ontwikkeling (RMO) voor het afschaffen van het gebruik van het woord ‘allochtoon’ door de overheid. Hij hoopt daardoor de sociale constructie die het gevolg is van het gebruik van deze term ook langzaamaan uit de hoofden van de mensen verdwijnt, en dat het als werkelijkheid ervaren van verschillen tussen bepaalde etnische groepen en tussen allochtonen en niet-allochtonen ook verdwijnt. Deze werkelijkheid hebben we immers zelf gecreëerd door het in stand houden van etnische categorieën en het bijna dogmatisch benoemen ervan via woorden als ‘allochtoon’.

Egalité of hokjesgeest
Tijdens het debat stelden tegenstanders van het afschaffen van etnische categorisering dat we deze classificaties nodig hebben omdat er verschillende groepen zijn met verschillende kenmerken die om een andere aanpak vragen.

Als voorstander van het generieke beleid (waarbij niet meer met etnische categorieën wordt gewerkt) dat Frans Verhagen bepleitte, refereerde ik in het debat aan de Franse praktijk (1h07:50m zie video). Daar bestaat geen etnische registratie, want dat mag simpelweg niet. Men volstaat met een benadering van doelgroepen op kenmerken die voor iedereen kunnen gelden, zoals sociaal-economische achterstand of de buurt waarin iemand leeft. Je kunt dit zien als een voortvloeisel van de Franse Revolutie waarin de idealen ‘vrijheid, gelijkheid en broederschap’ centraal stonden. Het uit zich op verschillende manieren, zoals in het schoolsysteem, maar dus ook in de manier waarop mensen ingekaderd worden in beleid en onderzoek, wat dus gebeurt volgens de algemene kenmerken. In de media kom je ook nergens een vermelding van de etnische achtergrond van een persoon tegen, simpelweg omdat dit niet geregistreerd mag worden.

De nadruk op etniciteit en religie in het Nederlandse beleid heeft tot gevolg dat identiteit en de afbakening van groepen in Nederland (veel meer dan in Frankrijk) worden bepaald door de etnische en religieuze achtergrond van mensen, zo bleek uit mijn onderzoek. De jongeren met wie ik in Nederland sprak, zagen zichzelf allereerst als bijvoorbeeld ‘ons soort-de Nederlanders’, ’moslim’ of ‘Marokkaan’. Vrijwel alle vriendschappen speelden zich af onder jongeren met dezelfde etnische achtergrond en religie. In Frankrijk moest ik echt doorvragen om achter de origine van jongeren te komen. En met uitzondering van één groepje vrienden bestonden alle groepen vrienden uit jongeren met verschillende etnische achtergronden en religies .

Meerdere onderzoekers bevestigen deze bevindingen. Het Jaarrapport Integratie (2009) stelde dat het probleem in Nederland vooral ligt in de relatie tussen moslims en niet-moslims, en in ‘het gevoel dat beide werelden onverenigbaar zijn’. Bovendien stagneert het aantal contacten tussen ‘niet-westerse groepen’ en ‘autochtonen’ en neemt het bij Turkse Nederlanders zelfs af. Frankrijk heeft daarentegen het hoogste aantal interetnische huwelijken van West-Europa.

Hier zien we dus het zogeheten waarheidseffect. Onder het mom van praktische voordelen schrijven we tal van onveranderbare kenmerken toe aan de etnische achtergrond van mensen. We denken dat we de benoeming daarvan nodig hebben als criteria om juist te kunnen handelen, maar we vergeten dat we hiermee dus feitelijk de creatie van deze groepen stimuleren en de verschillen uitvergroten.

Wethouders Louwes, Van Es en Raadslid Ronald Schneider stelden eendrachtig dat de situatie in Frankrijk veel erger is dan in Nederland. Maar heeft dat te maken met het verbod op etnische registratie? Zouden mét de mogelijkheid tot zo’n registratie de zaken er anders voorstaan? De problemen hebben eerder te maken met algemene zaken, zoals de grotere sociaal-economische ongelijkheid in Frankrijk waardoor alle groepen met een lagere sociaal-economische status worden getroffen. De slechtere situatie in de Franse achterstandsgebieden is hier een uitvloeisel van.

De daad bij het woord, het woord bij de daad
Soms klinken overigens ook in Frankrijk geluiden om etnische registratie mogelijk te maken. “Om discriminatoire fenomenen beter te kunnen identificeren”, aldus de voormalig Commissaris van Diversiteit Yazid Sabeg.

In Nederland hebben we de mogelijkheid om op etnische achtergrond te registreren, maar de vraag is: wat brengt ons dat? Ondanks meer kennis over het bestaan van discriminatie door de mogelijkheid tot registratie, zijn we ons er kennelijk veel minder dan andere landen van bewust. Ook in de praktijk lijkt het tot weinig positiefs te leiden. In de regel ervaren minderheden nog veel discriminatie op de arbeidsmarkt, zo blijkt uit verschillende onderzoeken en praktijktesten, en de ‘wederzijdse culturele acceptatie’ neemt af. Bovendien blijkt uit onderzoek van Amnesty International in 2007 dat het antidiscriminatiebeleid op gemeenteniveau een ondergeschoven kindje is.

Misschien zijn we het vergeten, maar vroeger konden we ook zonder. In de jaren ’70 bestonden er nog geen ‘etno-statistieken’ en de daarmee samenhangende ‘etnicering’ van sociale problemen. Dit is in het leven geroepen omdat men de ‘etnische crisis’ met het toenmalige Molukse terrorisme alleen dacht te kunnen bezweren via doelgroepenbeleid. Minister de Ruiter pleitte toen al tegen, onder andere omdat hij problemen voorzag bij de (etnische) afbakening van groepen. “Wie zal het uitmaken? Mogen mensen zeggen dat zij er niet toe willen behoren en zo ja, hoe moet dat dan?”

Ook in 2007 stelde de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) in een rapport voor om het begrip ‘allochtonen’ te vervangen door enkel ‘functionele identiteiten’ en het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) stelde in zijn jaarverslag van 2008 dat “het doorbreken van etnische en culturele onderscheidingen” de essentie is van integratiebeleid.

Met deze adviezen is weinig gebeurd. Misschien wordt het nu eens tijd om ze op te volgen. Het afschaffen van etnische categorieën, en de bijbehorende woorden als allochtoon waar ook de RMO voor pleit, lijkt mij een eerste stap in de goede richting.