Aluminium vouwhoedje

Het Centraal Station neemt duidelijke vormen aan. Ondertussen vragen sommigen zich af of al die kreukels en rimpels in het staal eigenlijk wel de bedoeling zijn. Vers Beton-redacteur en student Bouwkunde Ivan Thung vraagt zich daarbij af of legitimatie in de architectuur tegenwoordig belangrijker is dan esthetiek.

Rotterdamse architectuur begint een moeilijke geschiedenis op te bouwen ten aanzien van beplatingen. Dat is een geschiedenis die begonnen lijkt te zijn met de Pathé-bioscoop: een gebouw omkleed met ‘prachtige witte halftransparante golfplaten’ – die echter zo gemonteerd zijn dat ze niet kunnen worden schoongemaakt. Vervolgens het Schouwburgplein: gegarandeerde glijpret dankzij de afwezighied van antislipnoppen. Of tenminste, die waren er aanvankelijk wel, maar moesten voor-de-mooi toch aan de onderkant van de platen.

beeld: Marcel de Jong | "A4-tje"
“A4-tje” Beeld: Marcel de Jong

Het nieuwe Centraal Station zou zomaar het nieuwste lid van dit twijfelachtige platengezelschap kunnen zijn. Want ook de beplating van het station roept vragen op. Is deze façade tijdelijk? Komt er nog een laag overheen? Zijn al die kreukels en deuken eigenlijk de bedoeling? Aan de zijkant van het nieuwe Centraal Station timmeren twee bouwvakkers vlijtig de metalen platen in het gareel. Het lijkt niet te passen, maar ze moeten er toch echt in.

De kreukels en deuken blijken echter met opzet gedaan. Volgens architect Benthem zijn de kreukels juist chic. Hij legt uit op RTV Rijnmond: “Je ziet bij wijze van spreken de spiegelingen van de Maas voor je liggen bij het dak van het station.”

Als een architect moet benadrukken dat iets écht zo bedoeld is, is dat meestal geen goed teken. Want laten we eerlijk zijn: de beplating van de bioscoop is gewoon lelijk, de platen van het Schouwburgplein gevaarlijk en het Centraal Station lijkt vooralsnog op een verkreukeld aluminium vouwhoedje. En hoewel zo’n hoedje bij een eventuele invasie van buitenaardse wezens bescherming kan bieden tegen allerlei exotische stralingen, lijkt Rotterdam niet bepaald een cruciale schakel in een intergalactische oorlog.

Wellicht zal achteraf bij het Centraal Station blijken dat een stagiair bij de bestelling per ongeluk alle platen heeft opgeschaald, waarna architect Benthem de arme drommel op de rug klopte: “Geeft niet, ik verzin wel iets met de haven. Daar kom je in Rotterdam altijd mee weg.”

Bij RTV Rijnmond verzoende Benthem alvast: “Mensen hoeven het niet mooi te vinden, maar wel begrijpen waarom we het gedaan hebben (…) In ieder geval zullen we er niet snel op uitgekeken zijn.” Tja, dat is de hedendaagse architectuur: niet de esthetiek, maar de legitimatie. Lelijk mag, mits met een goede reden. “Ik denk toch dat het een kwestie van wennen is,” besluit Benthem.

Wat als het dan toch niet went en we erop uitgekeken raken? Dan kan het nog plat worden gestreken. Den Haag heeft vast een Strijkijzer te leen…