Hoe overleeft Vers Beton Delfshaven?

Deel 2: hoe de redactie van Vers Beton het ervaart

Wat is dat toch met Delfshaven? Wie berichten in de media volgt, kan moeilijk een andere conclusie trekken dan dat de deelgemeente in Rotterdam-west op de rand van de afgrond bivakkeert. Maar hoe is het écht in de wijk? In dit tweeluik kijkt Vers Beton van binnen en van buiten naar Delfshaven. In het eerste deel van deze serie las je welk beeld er in de media opdoemt. Hoog tijd voor deel 2 dus: hoe ervaren de redacteurs van Vers Beton de deelgemeente?

Een woest aantrekkelijke man
De eerste 20 jaren van mijn leven woonde ik in Rotterdam Noord. Op de rand van het Liskwartier, tegen het Oude Noorden aan. Daarna werd mijn post bezorgd in het centrum van de stad, vervolgens een paar jaar op de Kop van Zuid, maar daarna bracht de liefde mij naar Delfshaven.

Hoewel de liefde voor de desbetreffende man daarna vrij snel bekoelde, bleef de liefde voor dit stuk stad. Dus toen ik, ondertussen alweer twee adressen in Delfshaven verder, vorig jaar wederom op zoek was naar een huis, zocht ik in deze wijk.

Er is me best vaak gevraagd waarom ik nu precies zo graag dáár wilde wonen. Waarom niet lekker een huis zoeken in Blijdorp, Bergpolder, Crooswijk of het Oude Noorden? De precieze reden ‘waarom niet’ kan ik niet geven, daar is het te veel een gevoelskwestie voor. Maar het antwoord wat ik geef op deze vragen is steeds zoiets als: ‘Het Noorden, daar kom ik vandaan, dat is als mijn broertje. West, dat is als mijn vriendje, en daar wil ik nu zijn.’

En ja, misschien is Delfshaven ook wel een beetje als een woest aantrekkelijke man. Onvoorspelbaar, spannend, en met een ruw en wellicht gevaarlijk randje. Maar vooral ook dynamisch en in ontwikkeling. Vanaf de Heemraadssingel rukken de bakfietsen op, en de Nieuwe Binnenweg heeft een biologische supermarkt en een Vlaamsch Broodhuys. Gelukkig zijn de sexshops, toko’s en belwinkels nog niet allemaal verdreven. Als ik nu door mijn buurtje in Tussendijken naar de markt op het Gote Visserijplein wandel, kost het nog verbeelding om het potentieel te zien. Maar geloof me, dat is er. (Fay van der Wall)

K-BONK
Dat Delfshaven de navel van mijn universum is, mag geen verbazing wekken. Corry Konings-achtige cliché’s volstaan. Mijn wieg stond er, ik heb er leren lopen, leren praten, staand leren plassen, boom-roos-vis-vuur leren schrijven, ik heb er geknikkerd, mijn eerste meisje gekust, voor het eerst mijn eigen maaltje gekookt, mijn eerste pornofilm gezien, en mijn eerste poëzie gelezen. Oké, die laatste twee komen in het repertoire van het Hollandse levenslied niet voor, maar dat mijn vader in de lokale kroeg heeft zitten huilen omdat ik tóch niet op meisjes viel, past ontegenzeglijk in het genre. Wat echt ontbreekt aan het lijstje is dat ik niet geboren ben in Delfshaven, maar in het Dijkzigt-ziekenhuis, dat strikt genomen tot de jurisdictie van Rotterdam-Centrum behoort. Daar staat tegenover dat mijn vader wel in Delfshaven is geboren, evenals mijn vaders vader trouwens.

Ga ik terug naar mijn jeugd in Delfshaven, op het Coolhaveneiland van laten we zeggen 1985, dan zie ik mezelf naar mijn basisschool lopen, langs kraakpanden waar ranzige types spandoeken volspuiten met anarchistische uitspattingen. Ik zie mezelf laveren tussen hoog opgetaste stapels bloederige koeienhuiden en vrachtwagens met chemicaliën (en niet te vergeten de alomtegenwoordige hopen hondenstront), langs braakliggende bouwterreinen met gifgrond of de zoveelste blindganger uit WOII, – als dat maar goed komt met die heimachines, want het gaat de hele dag door – Bouwen voor de buurt! – voortdurend K-BONK K-BONK K-BONK – oeps, daar stopt ineens een afgeragde Mercedes voor je neus waarvan de bestuurder welwillend ingaat op avances van een heroïnehoer, linksom, pas op! asogasten op opgevoerde brommertjes met noodgang over de stoep, je klautert over een berg afgedankte huisraad, pareert een aanval van vervaarlijk krijsende meeuwen, blijkbaar in de overtuiging dat je het hebt voorzien op de lekkerste halfverteerde meuk uit de opengereten vuilniszakken, en… – hé! daar loopt oma met haar poedel!! Moet je niet opschieten jongen, je moet naar school, hier heb je trouwens een tientje en… Mevrouw!!! Ken u die hond niet bij u eigen voor de deur laten schijten!! Kan mij het rotten, daar betaal ik toch belasting voor!, en koop jij maar wat leuks van dat tientje en nu naar school en niet met vreemden mee. Dus door, neus dicht, carcinogene lucht van de fabriek, niet uitglijden over na gebruik achteloos weggegooide condooms, raam linksboven gaat open, vlaag van exotische muziek, volgepoepte luier wordt naar beneden gepleurd, omzeild, en de school is in zicht, benieuwd of Abdel-Raghim vandaag weer in z’n naakte snikkel gaat gymmen omdat dat niet in je gewone kleren maar in ondergoed moet (wat hij dat blijkbaar niet heeft), school in, lekker warme klas, lieve juf, vrolijke klasgenoten, zingen over kabouters. Heel hard zingen over kabouters, want er is onmiskenbaar grote concurrentie van heimachines, altijd, altijd, voortdurend maar K-BONK K-BONK K-BONK.

Mijn hele familie woonde in Rotterdam-West, en al lang. Mijn opa en oma leerden elkaar tijdens dansles kennen in Odéon op de Gouvernestraat (we schrijven 1932) en mijn andere opa en oma op een zwoele zomeravond in 1946, al flanerend op de Middellandstraat. Mijn ouders hebben elkaar ontmoet als overburen in de Eerste IJzerstraat, en betrokken in 1970 hun eerste woning in de straat erachter, naast het huis van mijn overgrootouders. Let wel: Ze vertrokken dus niet naar een frisse buitenwijk vol groen – hoewel ze zich dat makkelijk hadden kunnen veroorloven. Om dicht in de buurt van de familie te blijven, kozen ze voor een kleine woning boven een garage in hun vertrouwde buurt, één van de Rotterdamse volkswijken die door het stadsbestuur veronachtzaamd werd, ten faveure van de groei van de haven, de cityvorming van het centrum en de bouw van buitenwijken. Rond 1975 vond een omslag plaats. De oude stadswijken kwamen ineens in het middelpunt van de belangstelling van beleidsmakers te staan en maatschappelijke ontwikkelingen op internationaal niveau werkten in de wijken door. De oude wijken werden gesaneerd, en tegelijk (en deels daarmee samenhangend) vonden halve volksverhuizingen plaats: Delfshaven veranderde in rap tempo van vorm en samenstelling. Bijgevolg was mijn mooie nieuwe basisschool op het Coolhaveneiland een zwarte school – lang voordat die term gemunt was. Vijfentwintig kinderen in de klas, en ik was één van de drie blanke leerlingen. In december zaten alle kinderen eendrachtig oh dennenboom zingend kerststalletjes te vouwen, de Turkse en Marokkaanse leerlingen incluis. Alleen de andere blanke jongen in de klas deed niet mee, want zijn ouders hielden er een onwrikbaar orthodox atheïsme op na.

Het Delfshaven van 1985 was een vrolijke, licht ranzige chaos, en dat gold ook voor de basisschoolklas. Tot groep 6 zo’n beetje. Toen ging de gezinssituatie van sommige klasgenoten zich wreken. Die kinderen kwamen er achter dat hun vader niet in het buitenland, maar in de bak zat. Of dat hun moeder ’s avonds geen schoonmaakwerk deed, maar zich prostitueerde. Niet veel later zou één van de klasgenoten zelfs omkomen bij een steekpartij op de Lijnbaan. Maar toen had ik de basisschool op het Coolhaveneiland al lang verlaten omdat er nauwelijks meer geleerd werd, spullen werden gejat, stinkbommen werden gegooid in de klas, er vechtpartijen waren waarbij messen werden getrokken, en – het ergst – de leraar een Spartaans regime had ingesteld als reactie op de mini-terreur van de leerlingen. Uiteindelijk zijn we in 1995 definitief uit Delfshaven vertrokken. Junks in de portiek, schietpartijen in de straat, auto twee keer gejat, en – de belangrijkste beweegreden – de kakkerlakken dreven mijn moeder tot waanzin. Het werd Prinsenland.

Na enkele omtrekkende bewegingen (in exotische oorden als het Scheepvaartkwartier en het Oude Noorden) woon ik sinds 2003 weer op het Coolhaveneiland. De wijk is veranderd. Geciviliseerd. Waar eerst die 1500 meter lange loods van Van Gendt en Loos aan een enorme asfaltvlakte stond, is nu een groene laan met platanen, en voetballen de Mocro’s fanatiek tegen de Suri’s in een landschapsarchitectonisch verantwoorde context. De heroïnehoertjes zitten allemaal in een traject, en de Johnny’s en Anita’s zijn ook spoorloos. Het straatbeeld wordt bepaald door verveelde hipsters op katoenen schoentjes en obscure instrumenten bespelende mediterrane conservatoriummeisjes met een probleemhuid. De eerste bakfietsvaders zijn gesignaleerd. Delfshaven is braaf geworden.

Ik verlang naar een beetje meer K-BONK (Ferrie Weeda)

Wie heeft alle kleurlingen verstopt?
Mijn oudere broer is de allereerste allochtoon die ik ooit heb gezien. Hij is namelijk een paar maanden na zijn geboorte uit Bangladesh naar Nederland gekomen. Allochtonen in Nederland: ik wist niet beter. Nouja, da’s niet helemaal waar: ik dacht vooral dat hij de énige allochtoon was. In het dorp waar ik ben opgegroeid, Nieuw-Lekkerland, was hij lange tijd zo ongeveer the only coloured in town. Pas in groep 7 verscheen de tweede variatie op wit in beeld: een meisje uit Suriname kwam in mijn klas. Nog gekker werd het tijdens de brugklas van mijn middelbare school, want daar zat – stel je voor! – een Marokkaan in. Een hele nog wel!

Door de loop der jaren heen zag ik natuurlijk steeds meer nieuwe Nederlanders verschijnen, maar altijd in kleine hoeveelheden en op volledig geïntegreerde basis. Ik las en hoorde weleens over problemen met buitenlanders, maar dat was meer iets voor in de stad of die slechte wijk in het dorp verder. Daar bleef ik vrolijk uit de buurt van. Brrr. Stel je voor.

Pas op mijn 25e ben ik naar Rotterdam verhuisd. Ik had toen geen enkel idee van de verschillende wijken en hun signatuur, hoorde goede verhalen over Crooswijk, kon daar antikraak een verdacht gehorig appartement scoren, en vertrok richting de Paradijslaan. Ja, daar liepen ook wel wat Antillianen, Marokkanen en Surinamers, maar het bleef toch een minderheid. Het gros was blank. Niettemin vond ik het al heel wat. Ik woonde blijkbaar écht in de stad!

4 jaar geleden verhuisde ik naar Delfshaven. Tegelijkertijd verkaste een vriend van mij juist van die deelgemeente naar Crooswijk. Ik weet nog dat hij zei dat je in Delfshaven soms echt tijden geen blanken meer zag. Ik moest daar om lachen. Dat zou toch wel meevallen? Veel gekker dan Crooswijk kon het toch niet zijn?

Dat kon het wel. En hoe! Vanuit ons appartement aan de Schiedamseweg kijk ik vaak en veel naar buiten, en anders loop ik wel op straat. Je kunt soms tientallen mensen tegenkomen zonder dat er ook nog maar één blanke bij zit (en als dat al wel gebeurt, dan is het meestal nog een zwerver, junk of hoer ook). De Marokkanen bij de belhuizen, de Turken bij de theehuizen, de Antillianen bij de kroegen, de Surinamers bij de broodjeswinkels, de Roemenen bij de Aldi (wat geen Aldi meer is, maar toch ook wel; het zijn verwarrende tijden in de Schans): Rotterdams meest historische wijk ziet er tegelijkertijd zonder twijfel het minst historisch uit.

In het begin moest ik daar aan wennen. Hard. Ik ergerde me aan het eeuwige buiten lanterfanten (en dan vooral voor onze voordeur), het harde schreeuwen (het blijft hilarisch: op 300 meter van elkaar staan en blijven schreeuwen in plaats van naar elkaar toelopen) en het oefenen voor de wereldkampioenschappen dubbelparkeren (de finale is dit jaar weer op de Nieuwe Binnenweg tussen Marokko en de Antillen).

Nu, 4 jaar verder, merk ik het eigenlijk niet meer echt. Sterker nog: ik merk het vooral wanneer ik niet meer thuis in Delfshaven ben. Zo word ik altijd een beetje paranoïde als ik op bezoek ben bij familie in de Alblasserwaard. Paranoïde van al die witte mensen die zo keurig een wit leven leiden. Het voelt altijd een beetje alsof er net een etnische zuivering heeft plaatsgevonden. Zo blank ziet de wereld er toch niet uit? Wie heeft alle kleurlingen verstopt?

Ik mis ze ook als ik de wijk uit ben, al die allochtonen. Ik mis het ruwe roepen op straat, de roekeloze automobilisten, de lallende Antillianen op de terrassen, de hybride gesprekken in Nederlands, Berbers en Surinaams, en het gevoel dat het veilig is omdat er altijd mensen op straat zijn.

Een droomwijk dus, Delfshaven? Verre, verre van. Drugsrunners, moordpartijen, huisjesmelkers, geluidsoverlast, teringzooi op straat, bestuurlijk wanbeleid: de maatschappelijke schoonmaakploeg kan hier nog jaren vooruit, niet in de laatste plaats door de aanwezige allochtonen. Ook die levenswijsheid heb ik geleerd door hier te wonen. Toch blijft Delfshaven voor mij dé wijk die Rotterdam – met al zijn nationaliteiten, ontdekkingsmogelijkheden, problemen en variaties – het best belichaamt, en daarom dé wijk om in te wonen. (Inge Janse)

De totaal verschillende werelden van Delfshaven

VB-DLF-deel-2_0048

VB-DLF-deel-2_0038

VB-DLF-deel-2_0018

VB-DLF-deel-2_0016

VB-DLF-deel-2_0010

VB-DLF-deel-2_0001

VB-DLF-deel-2_0051

Beeld: Alexandre Furtado