Subsidies verdwijnen, podia vergaan, maar livemuziek blijft altijd bestaan

De toekomst van de Rotterdamse popsector lijkt op het spel te staan. Vers Beton-eindredactrice Hilde Westerink zet de reacties vanuit de sector op een rij en vraagt zich af wat de podia kunnen doen om hun voortbestaan te garanderen.

Poppodium. Bij veel Rotterdammers brengt dit woord een lichte huivering teweeg. En ook na de publicatie van het Cultuurplanadvies 2013 – 2016 (pdf) van de Rotterdamse Raad voor Kunst en Cultuur staat de popsector weer volop in de spotlights. Dat gebeurt niet in de laatste plaats door toedoen van de sector zelf. De popsector is namelijk van mening dat het advies niet mals uitvalt en dat dit ernstige gevolgen heeft voor het aanbod in de stad. Rotown publiceert doodleuk een rouwadvertentie namens de Rotterdamse popsector, terwijl WORM bij voorbaat aankondigt dat het podium op zal houden te bestaan. Dick Pakkert (eigenaar podiumcafé Rotown en voorzitter van de stichting Live at Rotown) meldde daarnaast: ‘misschien moeten we weer met bakstenen de straat op’.

De Nieuwe Oogst in volle glorie
Nieuwe Oogst Beeld: Alexandre Furtado

De felle reacties roepen niet alleen de vraag op waarom de sector direct met zulk grof geschut komt, maar ook weerzin. Waarom meteen stampvoeten als je weet dat iedereen onder de crisis te lijden heeft? En trouwens: waaróm is het eigenlijk niet mogelijk om zonder of ‘onvoldoende’ subsidiegeld een poppodium draaiende te houden. Zo zegt WORM dat het, ondanks €4 ton subsidie en ruim €1 ton eigen inkomsten, niet kan voortbestaan.

Publiek + Laagdrempelig = winstgevende onderneming
Rotterdam is een jonge stad, en de popsector lijkt de meest toegankelijke kunstvorm annex uitgaansmogelijkheid voor de jonge doelgroepen. Is het dan niet mogelijk voor een slimme ondernemer om een podium met winst te draaien? Volgens Harry Hamelink (Motel Mozaïque) is dat erg lastig. Hij doet zijn verhaal tijdens de talkshow ‘Rotterdam Muziekstad’, een bijeenkomst in het NAi op vrijdag 7 juli vanwege North Sea Around Town. Ook Philip Powel, oprichter van Jazzpodium Bird in de Hofbogen, schuift daarbij aan.
Hamelinks punt is dat het programmeren zo duur is vanwege het systeem dat wij gewend zijn in Nederland. Dat werkt als volgt: programmeurs maken een begroting op basis van de capaciteit van de zaal. Het aantal bezoekers keer het entreegeld bepaalt de hoogte van het bod aan een artiest. Om de zaal vol te krijgen, moet er gekozen worden voor een artiest uit een bepaald segment. Dit betekent dat je als zaal weinig flexibel kunt zijn in de programmering, want je hebt te maken met een rotsvaste zaalcapaciteit.
Tegenwoordig doen artiesten niet meer zo veel optredens in Nederland als twintig jaar geleden, en dus moet je concurreren met andere steden. Bands kiezen alleen bijna automatisch voor Amsterdam, en gaan hooguit nog even langs Tilburg bij het verlaten van het land. Het gevolg is dat een zaal in Rotterdam minder programma kan bieden en minder inkomsten kan genereren, terwijl ondertussen de overheadkosten hetzelfde blijven.

Livemuziek vraagt ook om goede voorzieningen en veel personeel. Om die reden programmeert een podium eigenlijk liever een dj, want dat betekent weinig logistiek gezever en zonder veel moeite een volle bak. Livemuziek is daarentegen liefdewerk oud papier.
Subsidiestromen zijn daarnaast binnen de complexe rechtspersoonconstructies die podia nu eenmaal kennen behoorlijk ondoorzichtig. Zo’n constructie bestaat uit een BV (baromzet) versus een stichting (programmering en productie). Volgens Hamelink is dit een Rotterdamse uitvinding, en merkt op dat deze constructie niet werkt zodra er bijvoorbeeld renovaties nodig zijn. Het geld dat aan de bar wordt omgezet kan niet overgeheveld worden naar de begroting voor de renovatie, want het pand wordt doorgaans immers door de stichting beheerd. Overigens zijn het Amsterdamse Paradiso en de Melkweg wél volledige stichtingen, dus zonder kunstmatige splitsing tussen bar- en podiumopbrengst.

Een rendabel podium laten draaien lijkt dus lastig te zijn. De kern van het gesprek in het NAi draait daarom om de vraag of Rotterdam zonder vast poppodium kan dat niet alleen een platform voor grotere bands biedt, maar ook andere belangrijke functies ondersteunt zoals talentontwikkeling. Daarnaast, vinden zowel Powel als Hamelink, is het belangrijk om in een stad artiesten de mogelijkheid te bieden om te groeien. Sommige groepen ontgroeien namelijk hun eigen stad doordat ze simpelweg te groot en te populair zijn om nog op een klein podium op te kunnen treden. Daar moet de stad dus ook via een groot podium in voorzien.

Vloeibaar podium
Je kunt je echter afvragen of dit per se in de vorm van een groot poppodium moet. Kunnen we in de stad niet op zoek naar andere mogelijkheden, bijvoorbeeld in de vorm van een ‘pop-up podium’? Waarom de strijd aangaan met Amsterdam en Tilburg als we ook podia op onverwachte plaatsen kunnen neerzetten? We hebben ook de mogelijkheid om bekend te staan om een onorthodoxe aanpak. De Rotterdamse formatie The New Earth Group heeft dit al eens in de praktijk gebracht. Zij stonden onaangekondigd te spelen op de stoep van festivals, zoals de parkeerplaats van Metropolis. Aanleiding hiervoor was vooral dat programmeurs het lastig vonden om de band in een genre te plaatsen, en dus om te programmeren. Ook dit is een argument voor het opzetten van podia die spontaan ontstaan en dan weer verdwijnen. Een dergelijk ‘vloeibaar podium’ zit niet vast aan een bepaalde profilering van een vaste locatie, maar kan alle kanten op. Bovendien kan zo’n locatie spelen met de (zaal)capaciteit.

Do it yourself
Heeft het nog zin om als stad keer op keer met het hoofd tegen een muur te lopen bij de start van een nieuw podium, en moeten we daarom niet op zoek naar alternatieve mogelijkheden om te concurreren met andere steden? Daarnaast is er nog een onberekenbare factor in het spel: hoe zit het met de bezoekers? Is er tegenwoordig nog wel publiek in Rotterdam om een groot podium te laten draaien en, aldus een vraag vanuit het publiek, weten we eigenlijk wel wat de ‘kids’ van vandaag willen? Het antwoord van Powel en Hamelink is stellig: de beleving van livemuziek verandert niet, en vraag blijft er dus altijd.

De podia zullen een manier moeten vinden om hun voortbestaan, of in ieder geval het voortbestaan van livemuziek, te garanderen. Powel sluit het gesprek af met een opmerking die mogelijk bij velen op instemming kan rekenen: je kunt zeuren om een grote zak geld, maar uiteindelijk is een do it yourself-instelling het belangrijkst. Dat betekent klein beginnen met enthousiaste mensen, en op de lange termijn kijken of je op die manier kunt groeien als podium.