Politiek24 maart 2012

Occupy en het recht op de stad

Als het aan burgemeester Aboutaleb ligt, moet Occupy Rotterdam op 31 maart bij de start van het evenementenseizoen plaatsmaken voor de terrassen. De gemeenteraad heeft de burgemeester gevraagd om opnieuw de mogelijkheden te bekijken om het protest voort te zetten. Onderzoeker Pooyan Tamimi Arab bracht onlangs een bezoek aan de bakermat van de protestbeweging in New York. Als de tenten in Rotterdam en Amsterdam weg moeten zodat de terrassen weer winst kunnen maken en de orde kan worden hersteld, wat zouden sympathisanten van de Occupy-beweging dan moeten doen om hun idealen te realiseren?

Poster van Wouter Sibum in de Aanschouw bij de in de openbare ruimte geplaatste tent. Beeld: Wiesje Korf

Het was een vreemd gezicht: duizenden geografen uit de hele wereld in het Hilton- en Sheraton-hotel in Manhattan voor de jaarlijkse AAG-conferentie (Association of American Geographers). De hoogtepunten waren niet recente ontwikkelingen in de fysische geografie en geodesie, maar de lezingen en toespraken van een aantal beroemde Marxistische schrijvers die zich bezig houden met het denken over de stad. Zo had ik het ongenoegen om te luisteren naar het geschreeuw – ik zal geen namen noemen – van een populaire Marxistische geograaf. De zaal was tjokvol. Ik zat in een hoekje op de grond. Het was warm. We werden aangemoedigd door een echte performance: het kapitalisme moet worden overwonnen! De mensen moeten worden gedepoliticiseerd! De spreker verwees naar een aantal recentelijk bekend geworden pleinen in de wereld om aan te geven waar de inspiratie voor de revolutie vandaan moet komen. Ik waande me in de jaren zestig, maar dan netjes aangekondigd in het vierhonderd pagina’s tellende programma van de conferentie met enkele duizenden presentaties. Iemand met een gevoel voor humor plakte op een spreekgestoelte de tekst ‘Occupy Hilton’.

Serieuzer en beter te volgen was Peter Marcuse. Hij stelde een duidelijke vraag: “wat doen revolutionairen in een tijd die niet revolutionair is?” Volgens de professor emeritus in Urban Planning aan Columbia University is er in New York geen sprake van een werkelijk revolutionaire tijd, omdat er geen hard alternatief bestaat voor het huidige systeem. Duidelijk was wel voor alle aanwezige sprekers dat grote historische veranderingen nu en in de toekomst zich zullen uiten in en dankzij steden. De revoluties van de toekomst zijn stedelijk en de aanvoerders zijn burgers. Iedereen leek het erover eens te zijn dat een revolutie ook creatief moet zijn: mensen zouden dan in staat zijn “zelf” ruimtes te bouwen en vrij zijn om te spelen met de architectuur van de stad. Democratie betekent nieuwe ruimtes maken. De stad is als een democratisch oeuvre, een zeer divers Gesamtkunstwerk.

Wouter Sibum maakt ingrepen in de stedelijke omgeving, zoals hier, waar bij hij zonder vergunning een week lang een stuk ruimte claimde in de Witte de Withstraat door het plaatsen van een werktent. www.woutersibum.com – www.deaanschouw.nl Beeld: Wouter Sibum

Marcuse vroeg zich af wat het verband zou kunnen zijn tussen ‘Recht op de Stad’-bewegingen en Occupy Wall St. Le droit a la ville begon als een idee van de Franse filosoof Henri Lefebvre, geschreven in 1967 voor het honderdjarig jubileum van Karl Marx zijn magnum opus Das Kapital. Het werd in 1968 gepubliceerd, en Lefebvre was zeer geïnteresseerd in de studentenopstand. Daarna is het idee van het recht op de stad een eigen leven gaan leiden. Het is vooral gebruikt door kritische geografen die sociaal-ruimtelijke onrechtvaardigheid aan de kaak willen stellen, maar ook door zeer uiteenlopende groepen in verschillende landen zoals Mexico, Brazilië, de Verenigde Staten en Duitsland. David Harvey, op dit moment hoogleraar antropologie aan de City University of New York en een van de meest geciteerde wetenschappers in de wereld, vat de betekenis van het recht op de stad als volgt samen in een recent essay:

The right to the city is far more than the individual liberty to access urban resources: it is a right to change ourselves by changing the city. It is, moreover, a common rather than an individual right since this transformation inevitably depends upon the exercise of a collective power to reshape the processes of urbanization. The freedom to make and remake our cities and ourselves is, I want to argue, one of the most precious yet most neglected of our human rights.

Het gaat dus niet alleen om eerlijke distributie van welvaart, maar ook om de verdeling van macht, en wel op zo’n wijze dat burgers samen invloed uitoefenen op de vorm van de stad. Volgens Marcuse kan het recht op de stad op drie manieren worden gezien: 1) Een ‘recht op de stad’-beweging zou kunnen streven naar een geheel nieuwe samenleving. Dit is de revolutionaire zienswijze van klassieke auteurs zoals Henri Lefebvre. 2) Precieze en formele, wettelijke, eisen stellen aan het huidige systeem. 3) Een aggregatie van onafhankelijke bewegingen die op de een of andere manier ongelukkig zijn met de huidige toestand van hun stad. Waar past de Occupy-beweging in dit rijtje? Ten eerste benadrukte Marcuse dat Occupy begon als Occupy Wall Street. In de meest algemene zin gaat het dus om ontevredenheid met het functioneren van het economische systeem. Maar ‘occupy’ betekent volgens Marcuse voor veel mensen iets anders dan per se een marxistische of sociaal-democratische kijk op Wall Street. Het staat eerder voor zoiets als ’word actief voor’. Occupy biedt geen hard economisch alternatief. Ook is de beweging niet uitsluitend bezig geweest met het opstellen van zeer precieze wettelijke eisen. De huidige status van de beweging in New York lijkt veel meer op een aggregatie van zeer uiteenlopende groepen: van activisten die betrokken zijn met politieke gevangenen in het Midden-Oosten tot Lesbian-Gay-Bisexual-Transgender groepen tot normale arbeiders en professionals die actief willen worden om hun stad te verbeteren.

In gesprekken met sommige occupiers in New York was ik een klein beetje teleurgesteld omdat zij ’actief worden’ vooral uitleggen als de straten opgaan. Werken bij Human Rights Watch (in het Empire State Building, overigens) of een academisch onderzoek verrichten werd niet als ’werkelijk’ actief beschouwd. Gelukkig was daar Peter Marcuses advies om vooral heel veel te studeren. Wat doen revolutionairen in een tijd die niet revolutionair is? Ze schrijven boeken en geven les. Ze creëren een sterke intellectuele cultuur die tegen de stroom in kan gaan. Het deed me denken aan een ironische uitspraak van de filosoof Rousseau in zijn werk Het Sociaal Contract: als hij de macht had gehad om te bepalen wat er in de samenleving gebeurt, dan had hij de nodige veranderingen zelf uitgevoerd in plaats van zijn tijd te verdoen met het schrijven van een boek.

Als we de lezing van Marcuse vertalen naar de Nederlandse context moeten we constateren dat zijn hoofdvraag zeker van toepassing is. 1) Er is feitelijk sprake van een niet-revolutionaire tijd. Productieverhoudingen zullen niet plotseling fundamenteel veranderen. 2) Het is onduidelijk of er precieze wettelijke eisen zijn gesteld. 3) Uiteenlopende groepen hebben elkaar in de afgelopen maanden ontmoet dankzij de beweging, maar het is niet zeker of Occupy Nederland zich voldoende heeft beziggehouden met vragen over diversiteit en een inclusieve samenleving. Dat vind ik jammer. Susan Fainstein, Harvard-professor Urban Planning, ziet in Amsterdam nog steeds een rolmodel als het gaat om democratie en economische gelijkheid, zeker in vergelijking met New York. Ook qua diversiteit scoort Amsterdam volgens haar relatief goed, maar is de stad beduidend minder succesvol dan New York, zoals ze beschrijft in haar boek The Just City. De Nederlandse Occupy-beweging heeft hier geen duidelijk standpunt in genomen. De occupiers zijn zelf divers, maar de aandacht in de media ging vooral naar de banken, terwijl diversiteit in Rotterdam en Amsterdam minstens net zo belangrijk is.

In eerste instantie is de rol van Occupy in Nederland een motiverende. Ik heb vaak gehoord van occupiers dat ze geïnteresseerd zijn in “experimenteren,” in het zoeken naar nieuwe manieren van denken over sociale rechtvaardigheid en de stad. Het is maar zeer de vraag in hoeverre de ‘experimenten’ van occupiers als minigemeenschappen zinvolle, uitvoerbare, politieke inzichten voortbrengen. Marcuse betoogde dat occupiers zich niet blind moeten staren op openbare ruimtes, maar tegelijkertijd moeten streven naar het recht op de stad. Dat hoeft niet per se in een tentenkamp. Zijn verstandige advies luidt: wees actief, wees geëngageerd en doe dat vooral door boeken te lezen of zelfs te schrijven. Niet alleen, maar samen met anderen. Weitermachen!

Peter Marcuse houdt een kritische en aanmoedigende blog bij over Occupy Wall Street.

Beeld: Wouter Sibum en De Aanschouw.

Lees meer:

Reageer of deel op Social Media

Tags:Beursplein, Occupy, Occupy Rotterdam, Peter Marcuse, recht op de stad en Right to the City

Sectie: Politiek

kaart: Beurstraverse 39-43, 3011 Rotterdam, Nederland
Ontvang de wekelijkse Vers Beton newsletter!

Op Vers Beton discussiëren we met liefde. We horen daarom graag je mening. Houd daarbij wel onderstaande richtlijnen in gedachten, dan weet je zeker dat je reactie zichtbaar blijft:

  • Draag inhoudelijk bij aan de discussie
  • Blijf on-topic
  • Speel op de bal, niet op de man
  • Wees respectvol: reacties waarin sprake is van schelden, haat, racisme of seksisme worden verwijderd
  • Reacties over huisregels en toelatingsbeleid worden verwijderd
  • We gaan niet in discussie over verwijderde reacties
  • Zie je reacties die niet aan de huisregels voldoen? Ons controlesysteem is niet waterdicht. Laat het ons weten via info@versbeton.nl

Verdiep de discussie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *