Arm Rotterdam20 juni 2014

Arm Rotterdam: Bezinning bij de flessenautomaat

Bijna één op de vijf kinderen groeit in Rotterdam op in armoede. Het is voor de meesten een abstract cijfer, maar niet voor Vincent Cardinaal. Hij was één van die kinderen uit die statistieken.

De buurtsuper
De buurtsuper Beeld: Rachel Sender

Je weet altijd wanneer het moment gaat komen. Het moment van de vraag. Het duurt meestal even voor het kwartje bij de gesprekspartner valt. Nee, jij ging nooit op vakantie als kind. Op sport zat je ook al niet. Vond je dat dan niet leuk? Ja, natuurlijk wel. Maar jij speelde je wedstrijden noodgedwongen op straat, en niet in het shirt van een vereniging. Dat gold ook voor je medespelers. De littekens staan 25 jaar later nog steeds op je knieën. Als een blijvende herinnering aan een afkomst van steen en straatvuil. Meestal is het de door jou semi-lollig bedoelde opmerking dat je tien jaar oud was toen je voor het eerst een koe zag, die het hem doet. ‘Hoe was dat dan, arm zijn?’ Nou daar heb je wel een antwoord op. Meerdere zelfs.

Meestal hou je het bij het bij de variant die eerlijk is, maar stiekem niet heel het verhaal vertelt. Bij deze optie komt arm zijn neer op praktisch zijn. Arm zijn is geen pretje, maar het maakt wel flexibel, zo hou je je gehoor voor. Wie weinig heeft, leert snel hoe daar maximum aan effect aan te ontlenen. Ook bestrijd je de aanname dat arm zijn automatisch leidt tot het grootste ongeluk. Dat is niet zo, en daarmee spreek je 100 procent de waarheid. Jouw waarheid, in ieder geval. De meeste kinderen waar je mee opgroeide, hadden niet veel. Toch waren de meeste van deze gezinnen niet slecht gemutst. In tegendeel. Ze waren gastvrij, en open. Ze maakten het beste van een slechte situatie.

Maar toch. Het liefste zou je bovenstaande vraag helemaal eerlijk beantwoorden. Maar je doet het vaak niet. Bang om mensen af te schrikken, om te vertellen dat vroeger arm geweest zijn, betekent dat je op een bepaalde manier altijd een onredelijke kwaadheid mee zult dragen. Kon je maar, zoals in A Christmas Carol, de mensen als een geest aan de arm nemen. Naar een plek die in één klap symbolisch kaf en koren scheidt. Je kent zo’n plek. Je passeert ze vaak. Het is de flessenautomaat in de supermarkt.

Raadspelletje

Je zou er een raadspelletje van maken. Drie mensen met emballage. Je wijst naar ze en vraagt: wie is hier degene met de meest bescheiden middelen? Je gast wijst voorzichtig naar de man met vieze, bruine teennagels. Hij draagt twee verschillende slippers en heeft een beduimeld zakje in zijn handen. Zonet zocht hij nog door de vuilnisbak naast het apparaat, op zoek naar een vergeten PET-fles. Maar nee, dit is niet de arme. Dit is een zonderling, en die vind je verspreid over heel het spectrum. Hetzelfde gaat op voor de alcoholist, de derde in het rijtje. Het gaat juist om de vrouw in het midden.

Inderdaad, een normaal persoon, voor zover dat bestaat. Ze draagt een simpel spijkerjasje. In haar linkerhand een boodschappentas, zo een van de stevige soort die je niet weggooit. Als je goed kijkt, zie je dat hij gesleten is aan de hoeken. Deze is al lang in gebruik. Hij puilt verder uit van de flessen. Grootverbruiker? Uitbaatster van een kantine? Nee, deze vrouw spaart. Statiegeld is van groot belang voor zij die niet veel hebben. Het kan het verschil tussen een vol en een halfvol bord eten betekenen.

Je volgt haar door de supermarkt. Ze werkt de schappen kordaat af. Weet waar alles ligt, en waarschijnlijk precies tot op de cent wat het kost. In no time is ze bij de kassa. Ze legt de spullen op de band, maakt geen oogcontact. In haar linkerhand kleingeld. Een afgemeten hoeveelheid. Naast dit geld legt ze de emballagebon. Als de caissière deze scant zie je heel even een flinter twijfel bij de vrouw. Ze heeft toch wel goed gerekend? Daar is de opluchting al. Ze krijgt nog een stuiver terug.

In leven houden

Zo’n passage als die van de vrouw, is exemplarisch voor je jeugd. Bij jullie werd alles gespaard. Aan jou de taak dit te bewaken. Je moeder had drie kleine, bescheiden baantjes, puur om jullie in leven te houden. Gekookt werd er tweemaal in de week, wat dan in zeven porties opgedeeld werd. Op vrijdagavond naar de supermarkt, en op zaterdagmiddag een ijsje. Dat was het. Verder waren jullie alleen. Echte vader was al rap na de geboorte vertrokken. Volledig ongeschikt om welk deugdelijk leven dan ook te leiden. Soms zag je hem wel eens, maar veel hartelijkheid was er niet bij. Je voelde je op die momenten een verplicht nummer.

Langzaam begon zich in je kindertijd de woede te nestelen die voor jou de échte keerzijde van arm zijn symboliseert. Ieder schooljaar werd je bewustzijn richting de wereld groter, en ieder jaar werd je bozer. Niet dat je het dagelijks liet merken. Je was een druk kind, open, actief, sterk. Soms lastig, zeker geen ideale schoonzoon, maar ook geen probleemgeval. Als je bescheiden komaf een probleem kon gaan vormen, liep je bij voorbaat vaak al weg. Zo omzeilde je menig gênante situatie. Of nog erger: medelijden. Dat laatste was het allerergste. Als het voorviel, werd je van binnen witheet, met later een gitzwart schuldgevoel tot resultaat.

Dagje Efteling

Op je tiende ging je naar een verjaardagsfeestje van een vriendje. Hij werd elf. Deze mensen hadden het redelijk voor elkaar. Het was middenklasse, maar ze deden zaken die voor jou onbereikbaar leken. Dagje Efteling, om het half jaar nieuwe schoenen voor alle drie de kinderen, op vakantie in de zomer. Je vriendje kreeg voor zijn verjaardag een walkman. Van Sony. Terwijl je mee lachte tijdens het uitpakken, voelde je de onredelijke kwaadheid al omhoogkomen. Hij een walkman? Voor die suffe smurfenhouse waar ie naar luisterde? Tssk. Je werd even later apart genomen door zijn vader. Hij pakte iets uit een keukenla. Nog een walkman. ‘Het is een wat oudere, maar die mag jij hebben.’ Hij gaf een knipoog en weg was-ie. Een mooi gebaar, en nog bescheiden uitgevoerd ook. Maar dat zag je toen niet. Het werd je teveel.

Via de tuin van deze mensen kwam je op straat. Je liep rood aangelopen in de richting van huis. Dat was best nog even stappen. Halfweg kwam je langs een pleintje. Een stel kinderen, de helft zo oud als jij, trapte per ongeluk een bal je kant op. Je aarzelde geen moment. Je pakte de bal en trapte hem op het dak van de basisschool naast het plein. Aangekomen voor je eigen huis haalde je de gekregen walkman uit je zak. Je keek er even naar en gooide hem stuk op straat. Binnen zat je moeder huilend aan de keukentafel. De ouders van je vriendje hadden gebeld, niemand weet waar je bent, iedereen was doodongerust. Het kon je niets schelen. Zonder wat te zeggen sloot je je op in je kamertje. In de weken hierna veranderde het vriendje in een vage kennis.

Antidiefstalspiegel

Zo tuimel je door je tienerjaren en je twintigersbestaan heen. Je bent extravert, maar stiekem ook vaak kwaad, doet raadselachtige dingen. Je blijft om moeilijke emoties heen dansen. Zelfs als de komst van je stiefvader een paar lagen middenklasse aan je leven toevoegt, blijf je dezelfde. Op die gedroomde zomervakantie die je eindelijk maakt op je vijftiende ben je kribbig. Je wisselt geen woord en leest slechts onophoudelijk boeken aan de rand van het zwembad. Als twintiger verklooi je je studie, je hangt liever de getapte jongen uit in het café. Je bent een tenenkrommend geval van zelfmedelijden geworden, maar bent te trots om het te erkennen. Laat staan iets te veranderen.

Tot een zondagmorgen, onlangs. Met een ongelooflijke kater strompel je naar de buurtsuper. Bij het verlaten van je huis jat je een paar lege colaflessen van je huisgenoot. Als je de bon wilt inleveren bij de kleine winkel kijk je naast je. Een ventje van nauwelijks een jaar of zeven. Hij probeert een groot pak rijst af te rekenen, maar komt wat geld tekort. De man achter de counter is onverbiddelijk. Pech gehad. Je staart naar je eigen reflectie in de antidiefstalspiegel. Eindelijk realiseer je je hoe zinloos je kwaadheid is. Hoe moe je van je eigen gedrag bent. Je pakt de emballagebon en legt hem zonder denken voor de neus van de man achter de kassa. ‘Heeft ie zo genoeg?’ Je wacht het antwoord niet af, en loopt de winkel uit. Je boodschappen blijven ongeroerd op de band liggen.

Thuisgekomen zucht je een paar keer diep. Even wil je weer in bed kruipen. Maar dan ga je aan de slag. De gordijnen gaan open, de troep van de vloer. Na een uur kijk je in de spiegel. Je bent trots, en hoopt met alle macht dat dit een keerpunt in je bestaan is. Je bent klaar om niet meer kwaad te zijn.

Arm Rotterdam week
De ambities van de nieuwe Rotterdamse coalitie zijn torenhoog, de bezuinigingsdrift is navenant. Op het stadhuis werken beleidsambtenaren van de verantwoordelijke wethouder naarstig aan de praktische uitvoering die Rotterdam uit de foute lijstjes moet krijgen. Voor het zomerreces krijgt de gemeenteraad bericht. In deze nieuwsluwe periode neemt Vers Beton een week lang de gelegenheid te baat om eens te kijken hoe het ervoor staat met arm Rotterdam.

Reageer of deel op Social Media

Tags:Arm Rotterdam, armoede, kinderen en vincent cardinaal

Sectie: Arm Rotterdam

Ontvang de wekelijkse Vers Beton newsletter!

Op Vers Beton discussiëren we met liefde. We horen daarom graag je mening. Houd daarbij wel onderstaande richtlijnen in gedachten, dan weet je zeker dat je reactie zichtbaar blijft:

  • Draag inhoudelijk bij aan de discussie
  • Blijf on-topic
  • Speel op de bal, niet op de man
  • Wees respectvol: reacties waarin sprake is van schelden, haat, racisme of seksisme worden verwijderd
  • Reacties over huisregels en toelatingsbeleid worden verwijderd
  • We gaan niet in discussie over verwijderde reacties
  • Zie je reacties die niet aan de huisregels voldoen? Ons controlesysteem is niet waterdicht. Laat het ons weten via info@versbeton.nl

Verdiep de discussie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *