Stedelijke ontwikkeling & architectuur4 september 2014

Architectuurhistorica: “Rotterdam is net een schaakspel met te weinig stukken”

Gefascineerd door gebouwen als het Groothandelsgebouw en het Hiltonhotel promoveerde Michelle Provoost op het werk van de Rotterdamse architect Hugh Maaskant, opgetekend in ‘Hugh Maaskant: Architect of Progress’. Vers Beton sprak haar over zijn invloed op de stad, het levendig houden van vergeten wederopbouwarchitectuur en de dreiging van te veel grote projecten in de binnenstad.

We hebben afgesproken in Katshoek, een gebouw van Maaskant en thuisbasis van Vers Beton. Bij binnenkomst stuift Provoost, architectuurhistorica en medeoprichter van Crimson Architectural Historians, direct naar de ramen. “Dit is een atypische Maaskant. Vooral de gevel, die is helemaal vlak, dat zie je in Maaskants gebouwen niet vaak. De gevels van zijn gebouwen zijn meestal juist heel expressief.”

De Rotterdamse architect had een grote vinger in de pap bij de wederopbouw van Rotterdam. Provoost: “Als je het Rotterdamse centrum van boven bekijkt, zie je dat zijn gebouwen overal staan. Het Groothandelsgebouw, het Hilton, een aantal Lijnbaanflats, Akragon en Technikon, maar ook onopvallender gebouwen als Katshoek en de voormalige Esso-garage. Daarnaast was hij tijdens de wederopbouwperiode ook op de achtergrond belangrijk. Hij zat in allerlei adviesclubs en was op een gegeven moment voorzitter van de welstandscommissie.”

Een invloedrijk man dus. Had Maaskant in die naoorlogse periode een duidelijk beeld van de stad die Rotterdam moest worden?
“Maaskants beeld van de stad was heel erg beïnvloed door Amerikaanse steden. Tijdens de wederopbouwperiode wilde hij van Rotterdam dan ook een moderne stad maken, met brede wegen en grote gebouwen. Daartussen moesten grote voetgangersgebieden komen, waar je prettig maar ook enigszins anoniem doorheen kon wandelen. Dus niet zo’n provinciale stad waar iedereen elkaar kent, maar juist een centrum dat geschikt was voor grote mensenmassa’s. Hij wilde de stad meenemen in de vaart der volkeren. Eigenlijk een Nederlandse versie van een Amerikaanse metropool.”

Maaskants bekendste Rotterdamse gebouw is ongetwijfeld het Groothandelsgebouw, dat wordt gezien als hét monument van de wederopbouw. Als één van de eerste naoorlogse gebouwen kon Maaskant direct zijn stempel drukken. Welke ideeën liggen eraan ten grondslag?
“Al ver voor het bombardement dachten architecten na over hoe Rotterdam zou moeten veranderen. In de jaren ’30 had men al het gevoel dat de oude binnenstad veel te benauwd was. Na het bombardement was het clubje modernistische architecten waar Maaskant onderdeel van uitmaakte het er al snel over eens dat er een flink statement gemaakt moest worden. Dat werd het Groothandelsgebouw, dat alleen al vanwege zijn afmetingen een nogal shockerend gebouw was. Maaskant was daar heel bewust mee bezig, hij vond dat iedere stad een eigen schaal had. New York was de stad van de wolkenkrabbers, en voor Rotterdam had hij een meer uitgestrekt soort gebouw voor ogen. Het Groothandelsgebouw is enorm, maar gaat niet echt de hoogte in.
Daarnaast probeerde hij zijn gebouwen altijd geschikt te maken voor verschillende soorten gebruikers. Het Groothandelsgebouw is opgevat als een kleine stad, met niet alleen ruimte voor bedrijven, maar ook voor een bloemenwinkel, een restaurant en een bioscoop. Op die manier probeerde hij zijn gebouwen levendig te maken. Heel vooruitstrevend eigenlijk.”

Wat maakt Maaskant voor jou een interessante architect?
“Maaskant maakte onderdeel uit van een groep modernistische architecten. Tegelijkertijd zijn de gebouwen van hem in de context van het Nederlandse modernisme nogal shockerend. Ze zijn mooi, maar vaak ook heel lomp en agressief. Dat komt allereerst simpelweg door de afmetingen van veel van zijn gebouwen: ze zijn allemaal zo groot. Hij streefde daar heel bewust naar, omdat hij vond dat bepaalde gebouwen door hun publieke status zoals een school of een hotel een zeker belang hadden, en daardoor ook aanwezig moesten zijn in de stad.
Daarnaast had hij als architect altijd de behoefte om iets esthetisch overweldigends maken. Veel van zijn gebouwen zijn daarom monumentaal en overweldigend. Dat was in die tijd niet gewoon, zeker niet in de modernistische beweging. Modernisme was automatisch gekoppeld aan sociale, menselijke idealen. Monumentaliteit, dat wil zeggen gebouwen die de taal van de macht spreken, was daarom direct verdacht. Die schaamteloze drang naar grandeur vond ik intrigerend.”

In Architect of Progress schrijf je dat Maaskant een hele generatie architecten heeft beïnvloed. Zie je dit ook in Rotterdam?
“Een goed voorbeeld is de Kunsthal. Die is in de jaren ’90 ontworpen door OMA, en kun je je eigenlijk niet voorstellen buiten Rotterdam. Het is een vreemd gebouw. Er gaan wegen dwars doorheen en het gebouw haakt aan op de dijk en het Museumpark. Het is eigenlijk meer een verkeersknooppunt dan een gebouw. In die zin zie je heel duidelijk een link met het Groothandelsgebouw, waar je ook doorheen kunt rijden. En ook in de haven heeft Maaskant nog wel meer van dat soort gebouwen neergezet, die eigenlijk meer knopen van infrastructuur zijn en de vorm bijvoorbeeld afgeleid is van het treinspoor of de weg die erdoorheen gaat. Dat je die dynamiek van het verkeer van invloed laat zijn op het gebouw: dat principe zie je heel duidelijk in de Kunsthal.
Daarnaast is het ook de mentaliteit van Maaskant die je terug ziet bij hedendaagse architectenbureaus. Maaskant vond het leuk om nieuwe dingen uit te proberen, los van de heersende conventies. Hij zag de architect als een soort uitvinder, die een oplossing vindt voor heel ingewikkelde problemen en die vervolgens in een sprekende vorm weet te gieten. Die mentaliteit vind je ook terug bij Rotterdamse architectenbureaus als OMA en MVRDV, die er wereldberoemd mee zijn geworden.”

Op dit moment werkt de gemeente onder de noemer ‘Citylounge’ aan het gastvrijer en gezelliger maken van de Rotterdamse binnenstad. Zou Maaskant zich met zijn grootstedelijke ambitie omkeren in zijn graf of valt dat wel mee? En hoe kijk jij er als architectuurhistorica naar?
“Ik denk dat hij daar helemaal geen bezwaar tegen had gehad. Je moet niet onderschatten dat er aan Maaskants plannen altijd een ontzettend kitscherige kant zat. Op zijn tekeningen voor het Hiltonhotel zie je bijvoorbeeld vrouwen met handtasjes die net hebben gewinkeld. ‘Citylounge’, het woord alleen al, past daar heel goed bij.
Als ik het vanuit Crimson (een collectief van architectuurhistorici waar Provoost onderdeel van uitmaakt, red.) bekijk, dan denk ik wel: ‘Jezus, waar ga je nou eigenlijk op inzetten?’ Een mooie tegel, overal cappuccino’s kunnen drinken, het doet de binnenstad geen kwaad, maar het is ook niet essentieel. Er zijn veel belangrijkere aandachtspunten en die blijven liggen.”

Zoals?
De Rotterdamse binnenstad heeft geen grote projecten meer nodig. De stad heeft daar simpelweg niet genoeg massa voor. Er zijn te weinig instellingen, bedrijven en winkels om ze allemaal te vullen. Wat je zou moeten doen is het creëren van routes, om daarmee veel vanzelfsprekender verbanden te leggen tussen plekken in het centrum. De Meent en de Nieuwe Binnenweg zijn daar goede voorbeelden van. Tegelijkertijd kun je dat niet overal doen, want dan ontstaat er teveel concurrentie.
Rotterdam is net een schaakspel met te weinig stukken. Op het moment dat er ergens iets nieuws ontwikkeld wordt, zoals bijvoorbeeld de Wilhelminapier of de RDM Campus, dan moeten bestaande instellingen daar naartoe verhuizen. Dat is telkens een aderlating voor een ander gebied. Dit kun je niet blijven doen. Je moet nu dus niet meer massa bijbouwen, maar de bestaande functies beter verspreiden over de gebouwen die er al zijn.”

Maar in de inleiding van Architect of Progress schrijf je dat je juist erg werd aangetrokken door dat vooruitgangsgeloof, dat altijd doorbouwen in Rotterdam.
“Dat klopt, het is een heel dubbelzinnig gevoel. Rotterdam is nog steeds een stad van vooruit en niet achteruit, en alle clichés die daarbij horen. Nog steeds laten grote prestigeprojecten de bouwmachine draaien. De heroïek die daarmee te maken heeft, daar ben ik gevoelig voor. Maar het slaat helemaal nergens meer op.
Ik zie ook niet in waarom die mentaliteit niet samen zou kunnen gaan met een benadering die veel meer de nadruk legt op hergebruik. De tabula rasa aanpak van sloop- en nieuwbouw is om allerlei redenen achterhaald. Al was het alleen maar wat betreft duurzaamheid, waar iedereen de mond vol van heeft maar niemand zich aan houdt.”

Toch lijken juist de gebouwen van Maaskants over het algemeen wel te blijven staan. Het Groothandelsgebouw en het Hilton zijn gerenoveerd. En op dit moment worden bijvoorbeeld ook het Technikon en Katshoek herontwikkeld.
“Ja, het is heel leuk om te zien dat enkele van zijn gebouwen in de herkansing gaan. Maar toch zie ik nog niet genoeg waardering voor naoorlogse architectuur. Zo is bij de renovatie van het Hilton de originele foyer gesloopt. Terwijl dat het mooiste interieur van een wederopbouwgebouw in Rotterdam was. Ook zijn er nu concrete plannen om het Boekmangebouw, een gebouw van Maaskant dat onderdeel uitmaakt van het Schiekadeblok, af te breken. Terwijl de hele Delftsestraat eigenlijk heel interessant is, als voorbeeld van de eerste jaren van de wederopbouw. Toen was de gedachte nog om de stad pandje voor pandje te herbouwen, in plaats van de grootschalige aanpak die het uiteindelijk is geworden.”

Ligt er dan ook een activistische motivatie ten grondslag aan de uitgave van Architect of Progress?
“Een beetje wel. Ik hoop in ieder geval dat mijn boek bij kan dragen aan de waardering voor de naoorlogse architectuur. Het wordt al langer gezegd dat de identiteit van Rotterdam voor een belangrijk deel in de architectuur uit de wederopbouwperiode ligt. Maar het wordt nog steeds niet als iets levends gezien. Het zou niet enkel moeten gaan om behouden, het zijn juist gebouwen die je heel goed opnieuw zou kunnen gebruiken. Ik zit bijvoorbeeld nog steeds te wachten tot iemand de bovenste verdieping van het Akragon (de David Lloyd-toren ten noorden van Hofplein, red.) onder handen neemt. Dat is een ontzettend mooie plek, die al twintig jaar leegstaat. Je zou er een geweldige bar van kunnen maken, met een fantastisch uitzicht over de stad.
Er zouden in Rotterdam sowieso eens wat goede voorbeelden moeten komen van hergebruik. Dus niet renovatie, maar het verder ontwikkelen, tot iets dat misschien wel beter is dan wat het was. Dat is mijn ideaal, dat je gebouwen als het Akragon echt een nieuwe betekenis kunt geven.”

Lees meer:

Reageer of deel op Social Media

Tags:Akragon, Boekmangebouw, citylounge, Crimson Architectural Historians, Groothandelsgebouw, Hiltonhotel, Hugh Maaskant, Katshoek, kunsthal, Maaskant, Michelle Provoost, Schiekadeblok en Technikon

Sectie: Stedelijke ontwikkeling & architectuur

kaart: Weena 679, 3013 AM Rotterdam, The Netherlands

Op Vers Beton discussiëren we met liefde. We horen daarom graag je mening. Houd daarbij wel onderstaande richtlijnen in gedachten, dan weet je zeker dat je reactie zichtbaar blijft:

  • Draag inhoudelijk bij aan de discussie
  • Blijf on-topic
  • Speel op de bal, niet op de man
  • Wees respectvol: reacties waarin sprake is van schelden, haat, racisme of seksisme worden verwijderd
  • Reacties over huisregels en toelatingsbeleid worden verwijderd
  • We gaan niet in discussie over verwijderde reacties
  • Zie je reacties die niet aan de huisregels voldoen? Ons controlesysteem is niet waterdicht. Laat het ons weten via info@versbeton.nl

Verdiep de discussie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *