Politiek27 oktober 2014

Ronald Sørensen: ‘De PvdA veroorzaakte mijn hersenbloeding’

Ruim anderhalve maand geleden publiceerde Vers Beton een zeer uitgebreid interview met Ronald Sørensen via Blendle. Honderden mensen hebben het verhaal toen aangekocht. Dank daarvoor! Voor wie het nog niet las, publiceren we het hier nu gratis.

Ronald Sörensen Beeld: Jan de Groen

Op een zonovergoten vrijdagmiddag ontvangt Ronald Sørensen ons met open armen op camping Duinhoeve, net buiten Renesse. Het voormalige icoon van de Rotterdamse politiek bezit samen met zijn vrouw Nel een stacaravan en brengt het gros van de week op Schouwen-Duiveland door. Dat doen ze voor de rust, vertelt de oprichter van Leefbaar Rotterdam en senator voor de PVV. Veel rust hoeven we vanmiddag niet te verwachten, waarschuwt Sørensen: zijn kinderen én kleinkinderen komen tijdens het interview langs.

We willen een profiel van je maken, dus niet ‘Sørensen reageert op de waan van de dag’. We vragen ons af: wat drijft zo’n persoon? Wat is zijn verhaal?
Begin maar chronologisch met je vragen. Ik ben niet voor niets historicus. Dat spreekt mij heel erg aan. Ik denk alleen dat mijn kleinkinderen halverwege wel zullen binnenstormen, maar dat zien we dan wel.

We kunnen eventueel ook nog even spreken over de huidige situatie bij Leefbaar.
Over die perikelen bij Leefbaar zeg ik niets. Ik ben daar weg.

1: Het voorgeslacht, de geboorte en jeugd – Van een vader die fout was in de oorlog

Het eerste stuk begint bij je geboorte in 1947, waarna je bent opgegroeid aan de Bree op Zuid.
Dat waren de eerste zes jaar. Echt opgegroeid ben ik in Rotterdam-West, op de Mathenesserweg. Mijn ouders zijn namelijk verhuisd van Zuid naar West toen ik zeven was. Daar kwamen ze ook vandaan. Mijn ouders zijn van die typische Rotterdammers die na de oorlog alleen maar op Zuid een huis konden vinden. Vervolgens zijn zij zeven jaar bezig geweest om weer terug naar West te gaan. Net zoals dat mensen van Zuid altijd op Zuid willen blijven. We gingen toen naar Mathenesserweg 184. Daar staan drie flatjes. Daar ben ik opgegroeid.

Heb je nog wel herinneren aan de Bree?
Ja hoor. Ik heb een uit-ste-kend geheugen. We woonden vlakbij Gerard Cox en zijn familie. Die woonde een portiek verder, twee hoog. Ik kan me het nog goed herinneren.

Op welk nummer was dat?
Dat kan ik me niet herinneren. Het was boven de sigarenzaak, want die had je toen nog. We woonden tegenover Vreewijk, naast de katholieke school. Mijn ouders zijn protestants-christelijk en vrij liberaal, maar ik speelde altijd bij die katholieke school, bij de paters. Echt opgegroeid ben ik in West.

Was West heel anders dan Zuid?
Het significante verschil was natuurlijk dat Zuid een Feyenoord-buurt is, dus ik was automatisch voor Feyenoord. In West waren alle andere kinderen in de klas voor Sparta (lacht). Ik ben altijd voor Feyenoord gebleven. Dat was echte rivaliteit. Zo heb ik de Sparta-mars uit mijn hoofd geleerd. Want als Feyenoord weer eens won, dan was ik de klos. Ik werd dan op school op de grond gegooid en dan gingen mijn vrienden spierballen rijden, zo met hun knieën over mijn bovenarmen, en dan moest ik de Sparta-mars zingen (lacht). Maar ik heb daar niet onder geleden hoor! Ik vond het niet grappig, maar het is niet dat ik daar trauma’s aan heb overgehouden.

Je ging ook nooit naar het Kasteel?
Jawel, altijd. De ene week ging ik naar Feyenoord en de andere week naar Sparta. Mijn vrienden voetbalden bij Sparta, dus ik had altijd kaarten. Ik stond dan op de lange zij.

Waarom zijn je ouders eerst op Zuid gaan wonen?
Omdat ze alleen op Zuid een huis konden krijgen. Daarvoor woonden ze bij mijn grootouders en daar ben ik geboren, op de Aelbrechtskolk, tegenover de Pelgrimvaderskerk. Als je een jong gezin bent, dan wil je toch graag iets voor jezelf vinden. Dat kregen ze heel snel op Zuid. Dat is heel merkwaardig, omdat je in die tijd enorme woningnood had. Toch kregen mijn ouders gelijk een huis. Alleen op Zuid.

Wat deed je vader voor werk?
Hij was vertegenwoordiger. Handelsreiziger, heette dat toen. Mijn vader is begonnen in het zilver en later verkocht hij wenskaarten en wensboekjes. Mijn vader had daar geen salaris, dus hij werkte op provisie: tien procent commissie. Hij heeft daar altijd heel goed geld mee verdiend.

Je bent dus niet in armoede opgegroeid?
Nee, zeker niet. Mijn vader had heus wel geld. Hij gaf het alleen ook allemaal direct uit. En gelijk had-ie natuurlijk! (lacht) Mijn opa was zelfs érg rijk, vanwege een erfenis. De Noor (Sørensens overgrootvader is Noors – red) die naar Nederland kwam, is getrouwd met een vrouw die tientallen huizen had. Mijn opa heeft dat dus geërfd. Dat kapitaal zijn hij en zijn vrouw alleen voor een groot gedeelte kwijtgeraakt.

Door de crisis?
Dat, en de bombardementen.

Die huizen stonden hier in Rotterdam?
Ja. En de Duitsers hebben vergoed wat ze gebombardeerd hebben, maar de Amerikanen hebben dat niet gedaan voor wat ze in West in maart ‘43 hebben platgegooid. Het vergeten bombardement.

Weet je nog waar die huizen stonden?
Voor de oorlog hadden zij huizen op de Schiedamsedijk. Dat was toen de hoerenbuurt, daar hadden ze een paar huizen en shops. Daarna bezaten zij huizen op de Grote Visserijstraat, en het begin daarvan is weggebombardeerd. Maar niet al hun huizen zijn vergaan. Er was dus nog wel geld, maar ook een heel groot gezin. Dus toen mijn opa overleed, hebben zijn kinderen de laatste vier panden verkocht en het geld onderling verdeeld. Niet slim natuurlijk, want je kon weten dat de waarde alleen maar zou gaan stijgen door de woningnood. Maar dat interesseerde hen niet echt. Dat heb je met kinderen die in betrekkelijke weelde opgroeien, die interesseren zich niet zo voor geld.

Maar de Duitsers hebben dus wél schade vergoed?
Ja. Ik weet niet meer hoeveel dat was. Het was ook niet te vergelijken met de Amerikanen. Het eerste jaar waren de Duitsers redelijk. Kijk, de Duitsers hebben geprobeerd om met Nederland hetzelfde te doen als met Oostenrijk. De Oostenrijkse Anschluss is heel soepel gegaan. Duitsland zag Nederlanders gewoon als een soort Duitsers met een gek accent. Duitsland heeft daarom pragmatisch gedacht en Oostenrijkers in Nederland gezet. We zijn namelijk niet bezet door de Duitsers, maar door de Oostenrijkers. En de Duitsers dachten: in Oostenrijk ging dat heel soepel, dus dan kunnen die Oostenrijkers dat in Nederland ook wel. Maar dat was dus een grote vergissing (lacht).

En de Amerikanen hebben ook bommen gegooid?
Amerikanen hebben in 1943 Rotterdam-West weggegooid. In 1940 zijn er weinig geallieerde bommen gevallen. Maar je moet je indenken dat ook tussen ‘41 en ‘43 de Engelse bommen op Rotterdam vielen. Als ze met bommen naar Duitsland gingen en daar was te veel afweergeschut of er waren nachtjagers, dan mochten ze terug. Met bommen landen was alleen te gevaarlijk. Je had daarom second targets, zoals Vlissingen en de Rotterdamse havens. Die vliegtuigen kwamen ‘s nachts over Rotterdam en dan gooiden ze die bommen los. Hopelijk op de haven, maar ze landden ook vaak op straten. Er zijn meer Rotterdammers omgekomen door geallieerde bombardementen dan door het Duitse bombardement. Maar goed, nou zit ik geschiedenisles te geven, en daar gaat het niet om (lacht).

Want jij bent na de oorlog geboren.
Ik heb in de ruïnes gespeeld als kind! Toen ik zeven was, waren er allemaal ruïnes en bomtrechters. Er was ook een klooster, en wij speelden in de ruïnes daarvan. Allemaal dachten we: dit hebben de Duitsers gedaan. Tot je op een gegeven moment hoort: dat hebben de Duitsers helemaal niet gedaan.

Heeft die wederopbouw dan zo lang geduurd?
Het speelde mee dat het klooster op gebied stond van de Rooms-Katholieke kerk. Ik denk dat Nederland tegen de kerk zei: ruimen jullie zelf eerst maar je ruïnes op. Dat klooster stond op Marconiplein en daar staat het nog. Er heeft zich daar zelfs een wonder voltrokken! Alles is verbrand, behalve een Mariabeeld van hout (lacht).

Hoe heb jij die periode meegemaakt?
Als heel gelukkig.

Hoe zat het met jouw vader? Wat was zijn rol tijdens de Tweede Wereldoorlog?
Mijn vader is fout geweest.

Op wat voor manier?
Die is in 1940 op eigen initiatief gelijk gaan werken in Duitsland. Mijn vader werkte voor het Nederlandse leger als administrateur van de etappe-intendant. Hij hield zich daarom bezig met de distributie van dekens en andere spullen, dat was oorlogsbuit na de bezetting. Die spullen moesten dus allemaal naar Duitsland en mijn vader moest dat regelen. Toen dat klaar was, bood het Duitse leger hem een baan aan. Hij was toen al zes jaar met mijn moeder verloofd, want ze hadden geen geld om te trouwen. Mijn opa gaf ze daar geen geld voor (lacht). Mijn opa had het best kunnen betalen, maar hij was nu eenmaal zo. Hij had negen kinderen, en hij ging er niet één bevoordelen boven de ander. Met die baan konden ze dus trouwen, en daarom is hij in Berlijn gaan werken. Hij kreeg voor het eerst een baan!

In Berlijn deed hij gewoon administratief werk. Hij is eerst op een kantoor gaan zitten en heeft daarna iemand leren kennen in Berlijn. Je had daar een Nederlandse club, dus alle mensen die daar werkten en de vrouwen van Nederlandse SS-officieren zaten daar bij elkaar. Die kennis gaf op de radio Duitse les voor Nederlanders. Toen was het zo dat als je Duitse les gaf, je ook iemand nodig had die het na zei. Dat is een didactische methode voor op de radio. Dus na aus, bei, mit, nach, seit, von, zu moest de ander dat ook zeggen: aus, bei, mit, nach, seit, von, zu, maar dan met een Nederlands accent. Dat deed mijn vader. Maar daar heeft hij verder nooit over gesproken. Dat vond hij heel moeilijk.

Waar heeft hij nooit over gesproken?
Over die hele periode in Berlijn. Hij heeft toen veel bombardementen meegemaakt. Mijn moeder is in ‘43 al teruggegaan vanwege de bombardementen. Duitsland stond dat toe, die hadden alleen maar belangen bij mijn vader, niet bij mijn moeder. Mijn vader moest dus blijven, maar eind ‘44 heeft ook hij toestemming gekregen om naar Nederland te gaan.

Waarom kon hij daar niet over praten?
Ja, als ik dát wist.

Want je probeerde daar wel achter te komen?
Nee hoor. Hij sprak daar met mijn vrouw over, met Nel, niet met mij, en dan met name over die periode dat hij een jaar lang gevangen heeft gezeten in een interneringskamp. In juni ‘45 is hij namelijk gearresteerd. Een familielid, we vermoeden wie dat was, heeft hem verraden.

Want? Daar stond geld tegenover?
Nee. Ruzie met mijn moeder (lacht). Het leven is zo triviaal, jongen (lacht).

Wij maar zoeken naar die grote thema’s, maar er is bij jou helemaal niks hè?
(lacht) Mijn moeder kreeg ruzie met haar zus, en die heeft mijn vader verraden. Hij heeft een jaar in Hoek van Holland gezeten en toen is hij daar door zijn zus en zijn zwager uitgehaald. Zij waren de eerste twee Nederlanders die de Yad Vashem-medaille hebben gekregen. Dat is de eremedaille van de staat Israël die je krijgt als je Joden hebt gered. Zij hadden zó’n status.

Zij hebben in het verzet gezeten?
Ja. Enorm. Zij vonden dat mijn vader niet in Hoek van Holland hoorde te zitten. Ze begrepen precies waarom hij was gaan werken in Duitsland. Hij wilde gewoon een huwelijk. Dat was het. Het is ook nooit een probleem geweest, tot Loe de Jong zijn boek schreef. Toen werd opeens goed-kwaad erin geknald. (Loe de Jong is de schrijver van ‘Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog’, een veertiendelig overzichtswerk waarin De Jong volgens critici te veel het onderscheid maakt tussen ‘goed’ en ‘fout’ – red)

Tot die tijd werd het gezien als pragmatisch?
Ja, natuurlijk! In 1950 is de NNSB opgericht. Ze wilden gewoon weer opnieuw beginnen! (lacht) Goed, daar werd om gelachen. Je had toen ook nog de Organisation der ehemaligen SS-Angehörigen. (vertaald: Organisatie van voormalige SS-leden – red.) Die organiseerden zich gewoon. Alte Kameraden, onder elkaar, en dan gezellig.

Maar daar had je vader helemaal niets mee te maken.
Nee, natuurlijk niet. Daar is hij nooit bij geweest.

Want hij had helemaal geen politieke interesse?
Nee, nee, absoluut niet.

Heeft hij later ooit gezegd: had ik dat maar niet gedaan?
Wat hij wel tegen me zei toen ik zelf in de politiek ging, was: “Wees verstandig. Dat moet je nooit doen, in de politiek!” Maar dat was toen nog de Partij van de Arbeid, dus hij had wel gelijk (lacht). Hij zei toen: “Dat geeft alleen maar ellende en ruzie. Doe dat nou niet!” Ik zei: “Ik ben oud en wijs genoeg.” Dat was ik ook.

Je vader heeft het dus niet met jou over zijn oorlogsverleden gehad, maar wel met je vrouw.
Wat ik daarvan begreep, is dat hij het daar met mij niet over wilde hebben. Dus dan ga je daar ook niet op aandringen. Hij heeft me wel boekjes gegeven over de mishandeling in kampen. Zo van: kijk nou maar eens, daar werden mensen gewoon doodgeslagen, hoor. Mijn moeder had een vriendin die ze in Berlijn had leren kennen. Zij was getrouwd met een man die bij de SS had gezeten en die ik mijn oom noemde. Dan zei mijn vader: “Nou, wat ome Jos heeft meegemaakt!”

Dat heeft je vader ook gezien?
Nee, dat heeft hij niet gezien. Die kampen waren alleen voor krijgsgevangenen, dus voor Nederlanders die in vreemde krijgsdienst waren geweest. Zo was het dus niet in het kamp van Hoek van Holland. Daar stond Vianda, dat tussen ‘33 en ‘40 een kamp was voor Joodse Duitsers die naar Engeland wilden. Zij werden daar opgevangen. Maar zolang we bij mijn vader stilstaan komen we niet bij de essentie hoor! Hoewel de oorlog mijn leven niettemin heeft gevormd.

Op wat voor manier?
Ik ben jarig op 4 mei. Dat is natuurlijk wel een merkwaardig toeval (lacht). Ik heb weleens berekend dat mijn vader me waarschijnlijk heeft verwekt toen hij uit dat kamp kwam (lacht). Nu komt mijn moeder uit een gezin van acht kinderen en mijn vader van negen, en vroeger was het zo dat op 4 mei de mensen twee minuten stilstonden. De elektriciteit ging er ook gewoon af. Dan stond iedereen stil op straat en dan dacht mijn familie: Hee! Ronald is jarig! (lacht) Dus na achten stroomde het huis vol. Mijn vader had geld genoeg, dus dat was lekker peren. En ik kreeg guldens, weet je wel. Het was ook de enige avond dat ik lang mocht opblijven. Op 5 mei waren we óók vrij en er werd uitsluitend over die oorlog gesproken. Dat word je niet zat. Als kind vind je dat heerlijk. Allemaal spannende verhalen!

Ja? Je hebt geen trauma?
Nee, natuurlijk niet! De mensen spreken nooit over de verschrikkelijke dingen op zo’n avond. Dat hoor je pas later.

Wij dachten dat iedereen daar de hele tijd vervelend over zou doen als je vader fout was in de oorlog. Maar dat is dus helemaal niet zo?
Nee hoor. Ik heb er nooit last van gehad.

Dus je merkte niet dat je vreemd werd aangekeken? Dat er kringen waren waar je niet in kon komen? Verjaardagen waar je niet welkom was?
Joh, dat was in die tijd allang afgedaan. Toen ik me de wereld bewust werd, was ik drie. Dat was vijf jaar na die oorlog, toen was alles al afgedaan.

Dus in de categorie ‘grote Leitmotiven’ gaat dit er niet één worden?
Nee. Mijn verjaardag, dát is het Leitmotiv. En het spannende van de oorlog. Toen ik ging lezen, las ik altijd over die oorlog.

Maar je bent wel heel jong geconfronteerd met allerlei tegenstellingen. Dingen waarvan jij dacht te weten hoe ze in elkaar zaten, maar wat niet zo was.
Als je 16 of 17 bent, dan ga je over dat soort dingen nadenken. Maar voor die tijd niet. Het interesseerde me ook niet als kind. Je hebt gewoon ruïnes waar je altijd cowboytje kunt spelen.

Je vader is ook zijn Nederlanderschap kwijtgeraakt.
Ja, mijn vader is een jaar of vijf zijn nationaliteit kwijtgeraakt toen hij opgepakt werd in juni ‘45.

Daar heb jij nooit iets van gemerkt?
Jawel, toen ik heel jong was. Mijn ouders gingen op vakantie en mijn vader mocht niet naar Luxemburg vanwege zijn niet-Nederlanderschap. Daar kan ik me nog allemaal commotie over herinneren. Maar dat is maar één keer geweest.

Maar al met al is jouw jeugd niet alleen maar luchtig geweest, toch?
Jawel! Ik heb een fantastische jeugd gehad. Ik heb werkelijk waar helemaal niets om over te klagen. Niets. Het enige, als je dan toch een beetje gaat psychologiseren en zoeken naar een trauma, waren de eerste vijf jaar op de HBS. Daar werd ik geconfronteerd met mijn woordblindheid. Dat heb ik op de basisschool natuurlijk ook gehad, alleen toen was het niet zo erg. Ze wisten helemaal niet wat dat was. Maar op de HBS werd het heel snel als debiliteit omschreven (lacht hard). Daar ben ik nooit overheen gekomen.

Maar je hebt er wel een boek over geschreven. (Sørensen publiceerde in 2003 ‘Een gehate minderheid’ over de rol van de NSB in Rotterdam tijdens de Tweede Wereldoorlog – red.)
Ja, maar dat heb ik pas geschreven nadat het eerste Word-programma op de computer verscheen. Anders moet je alles met de pen doen. Nou, dat is een ellende als je steeds maar fouten moet corrigeren. En dan had je ook correctietoetsen. Ik ben daarom pas gaan schrijven toen ik een computer kreeg.

Hoeveel last heb je ervan? Kunnen anderen sneller lezen dan jij?
Nee, juist niet! Als je woordblind bent zoals ik, dan lees je sneller. Je slaat alleen alle moeilijke woorden over. Dat is een manier van lezen die je jezelf aanleert en die voordelen biedt qua snelheid en nadelen qua accuratesse. Dat ik op de basisschool altijd een één voor dictee had, dat zat erin. Dat was ook geen probleem, want dat maakte ik goed met andere vakken. Maar op die HBS kreeg ik naast Nederlands opeens drie vreemde talen. Dat was een ramp. Ik heb daarom vijf jaar gedaan over drie klassen. Maar toen ik eindelijk de HBS had afgerond, wist ik niet wat ik moest gaan doen. Ik had willen gaan varen, want dat doet iedereen in mijn familie, maar ik heb heel erg slechte ogen. Toen ben ik maar naar de kweekschool gegaan, want daar zat mijn neef ook. Daar zeiden ze binnen een week dat ik dyslectisch was.

Was dat een opluchting?
Ja! Ik dacht toen: hee, ik ben dus niet de enige. Ze hadden toen nog geen goede therapie of methodes, maar het probleem was wel gelijk opgelost.

Maar we stelden de vraag over het boek omdat je zei dat de oorlog geen Leitmotief is, terwijl je juist daarover een boek hebt geschreven.
Dat heeft een heel andere reden. Toen ik Fortuyn leerde kennen, vroeg hij: “Zijn er nog lijken in de kast?” Ja, zo was-ie (lacht). Toen zei ik: “Ja, ik ben NSB-specialist, daar ging mijn scriptie over.” Nu werden wij daar in die tijd nogal mee geassocieerd. Volslagen ten onrechte overigens, want we zijn geen socialisten. Hij zei toen: “Dan moet je daar een boek over schrijven.”

2: Sørensen als docent – Een hersenbloeding opent nieuwe perspectieven

Je hebt dus toch al eerder een keuze gemaakt om onderzoek te doen naar de NSB.
Ja, dat wel. Maar dat is ook pragmatisch hoor! Ik wist er namelijk wat vanaf. Na de kweekschool werd ik derdegraads docent en dan merk je plotsklaps dat je de moeilijkste klassen krijgt en daar het minste mee verdient. Dat is een rare zaak. Daarna werd ik baasje van de brugklassen. Manager, zeg maar. Nou, dat is niets voor mij, dus ik ben daarmee gestopt en ging mijn Middelbaar Onderwijs-studie doen. Dan kreeg je gewoon duizend gulden in de maand meer en je kreeg ook nog eens de makkelijkere klassen. Dus dat heb ik toen snel gedaan.
Want een makkelijkere klas is er eentje die beter kan leren?
Nee, een makkelijkere klas bevat de wat oudere leerlingen. Ik kan met alle kinderen goed opschieten, alleen die brugklas is toch wel meer werk. Maar ik heb eerst een akte biologie gehaald terwijl ik al werkte. Gewoon, als hobby. Die MO-akte heb ik ook tijdens mijn werk gehaald.

Ik heb in ‘69 mijn kweekschool gedaan en toen kon ik gelijk gaan werken bij de school waar ik zo vernederd werd. Nou, dat laat je niet voorbijgaan. Op de HBS, waar ik vijf jaar een debiel was. De leraren die dat tegen me gezegd hadden, werden mijn collega’s! Maar er was de voorwaarde dat ik een biologie-akte haalde en die heb ik toen gehaald. Daarna werd ik baasje. Ik ben niet echt ambitieus, maar mensen denken altijd dat als je een goede leraar bent, je ook een goede baas bent. Dat zijn natuurlijk twee totáál verschillende dingen.

Een kleinkind loopt het grasveld op richting de tafel en schreeuwt ‘”Opaaaaa!”

Je mag wel even naar de kleinkinderen hoor.
Nee, ze komen wel naar mij. Maar we hebben een huiseend, Emma. Die komt hier altijd. Die hebben ze zelf die naam gegeven, dat vonden ze wel grappig.

Lieverd, zie je opa niet?

Kleinkind: wel

Nou dan! (lacht) Krijgt opa geen kus? Kom.

Nel Sørensen tegen de twee kleinkinderen: even netjes die mensen een handje geven.

[één kleinkind gaat op de schoot van Sørensen zitten.]

Da’s opa’s trots, hè?

Nel Sørensen: de grote is Kirsten en de kleine is Mare

Kleinkinderen in koor: hallo

Vraag maar bij oma of jullie een stukje brood mogen hebben voor Emma.

Maar dat docentschap was dus niet iets waarvan je al heel je leven dacht dat je dat wilde?
Nee. Ik was heel pragmatisch. Lange vakanties, goed salaris en in die tijd ook nog status.

Op welke school was dat?
De Mathenesser HBS, dus de Wolfert van Borselen-scholengemeenschap aan de ’s Gravendijkwal. Achter dat Van ’t Hoff-monument.

Maar het is dan grappig dat je juist dáár komt te werken.
Ja, ik kreeg die kans en pakte die gelijk. Ik dacht: hee, dan kan ik even tegen die klootzakken zeggen wat ik van ze denk. Dat heb ik ook gedaan hoor, trouwens.

Ja? En wat zeiden ze toen?
Ach, ze haalden hun schouders op.

Even voor de chronologie: je hebt dus de kweekschool gedaan en toen ben je gelijk les gaan geven op de Mathenesser HBS.
Ja, maar dat was toen al de Wolfert van Borselen. Ik gaf daar biologie.

Maar je had helemaal geen diploma!
Kijk, als je kweekschool hebt, dan heb je voor alle vakken bevoegdheid, met name voor Nederlands.

En toen heb je daarnaast je bevoegdheid biologie gehaald en daarna je MO. Wat betekende dat voor jou?
Middelbaar Onderwijs staat qua salaris gelijk aan doctoraal. Dat noemen ze de tweede weg, via de Nuts-academie. Toen kreeg ik het salaris van een eerstegraads docent! Later heb ik alsnog mijn doctoraal gedaan.

Jouw oud-leerlingen zijn altijd heel positief over je.
En terecht toch? (lacht)

Toch is het opmerkelijk, omdat je zei dat je het allemaal voor het geld deed.
Als je iets doet, dan moet je het wel goed doen. En natuurlijk vond ik het leuk. Ik deed het ook goed. En ik kan goed met die kinderen opschieten en verhalen vertellen.

Speel jij dan ook een beetje die nonchalance? Dat je zegt dat je het vooral deed voor het geld en dat dit de makkelijkste manier was, maar dat daaronder blijkbaar toch iets zit.
Als je ergens voor kiest, dan moet je het wel goed doen. Dat heb ik altijd goed gedaan. En het is als docent ook veel makkelijker als je goed met de kinderen omgaat dan dat je een bullebak bent of te vriendelijk bent en zegt: “Noem mij maar Ronald.” Zo ben ik natuurlijk ook niet.

Maar zelfs die aanpak kun je zien als een onderdeel van dat pragmatisme, dat dit de beste manier is om het te doen?
Ja, want als je het eenmaal doet, en je weet dat je dit tot je 65e zal blijven doen, doe het dan goed! Zorg er bijvoorbeeld in de eerste plaats voor, en dat heb ik te laat ingezien, dat je het hoogste salaris krijgt (lacht). Zo krijg je uiteindelijk ook de leukste leerlingen, want dat zijn toch de leerlingen, en sorry dat ik het zeg, waarmee je het diepe in kan. Ik heb mijn vragen altijd zo gesteld dat als de leerlingen gewoon hard werkten en leerden, ze altijd een voldoende haalden. Maar wilde je omhoog, dan moest je ook nog inzicht hebben.

Hoe lang ben je docent geweest?
32 jaar.

Dus eigenlijk je hele leven.
Ja, vanaf ‘69, toen was ik 22.

Dus je bent tot je 54e docent geweest.
Tot mijn 56e, volgens mij. (denkt na) Nee, toen ik Fortuyn leerde kennen, toen hebben ze me voor de klas weggehaald. Dat was in 2002, toen ben ik gestopt.

Maar daarvóór kreeg je een hersenbloeding waar je weer bovenop bent gekomen.
Ja. Dat kwam omdat ik me weer had laten verleiden om baasje te worden. Want mijn collega’s zeiden: Sør, alsjeblieft, word jij baas. Er moest een heel nieuwe tussenlaag komen met coördinatoren en toen heb ik mij over laten halen. Dat had ik niet moeten doen, want dat is niets voor mij.

Want toen werd je opeens een manager van managers.
Ja, en toen moest ik de fouten van anderen gaan lopen herstellen. Moest ik leerlingen gaan straffen waar ik hartstikke goed mee kon opschieten. Daar had ik geen zin in.

Je merkt dat we op zoek zijn naar grootse en meeslepende thema’s. Die 32 jaar docentschap, hebben die jou gevormd?
Zeker! Ik heb gemerkt dat ik het lesgeven erg leuk vind.

Toch hè?
Ja natuurlijk! Ik heb heel erg de neiging om mensen te vertellen over het hoe, wat en waar. Voor de rest heb ik er geleerd om met mensen om te gaan, en dan voornamelijk met jongeren. Je moet als schoolmeester sociaal zijn, anders lukt het niet. Dat heb ik nog steeds.

In die 32 jaar is Rotterdam extreem snel veranderd, ook qua bevolkingsopbouw. Is dat iets wat je hebt meegekregen en wat je heeft beïnvloed?
Ja, want ik heb aan de frontlinie gestaan. Ik gaf les aan de internationale schakelklassen, dus kinderen van asielzoekers. Waar ik me heel mijn leven tegen verzet heb, is onverdraagzaamheid. Ik zag het dan ook als een verplichting om over de Holocaust les te geven. In mijn tas had ik een Jodenster, die ik van mijn tante gekregen heb. Een echte. Ik moet de kinderen hierover opvoeden. Ik moet voorkomen dat dit ooit nog een keer gebeurt. Gewoon, dat is mijn taak. Ja, en toen ik merkte grote onverdraagzaamheid, met name bij mijn Islamitische leerlingen. Op een gegeven moment heb ik bijvoorbeeld gezegd: “Als je nou nog één keer zo’n opmerking maakt, dan ga je de deur uit zonder dat ik hem open doe.” Terwijl ik helemaal niet zo ben.

Wat zeiden ze dan?
“Ja meneer, de Joden hebben het verdiend.” Nou ben ik natuurlijk iemand die het vertrouwen wekt, dus ik vroeg: “Hoe kom je daar nou op?” Daarom ben ik ook de Koran gaan lezen.

Dat was helemaal voordat je bezig was met die politiek?
Vér voordat ik met de politiek bezig was.

Toen werd je geconfronteerd met de denkwijze die de kinderen thuis meekregen?
Wat ik ook merkte, was het groepsdenken. Liep je als Nederlander tegen één Turkse jongen aan, dan was je de sjaak, want dan kwamen ze er van alle kanten aan. Dat was met Marokkanen hetzelfde. Daar werd helemaal niet tegen opgetreden. Dus het was logisch dat we op een gegeven moment een zwarte school waren. Ik heb zelfs een keer een vader geadviseerd om zijn zoon van school te halen. Dat was nog steeds op de Wolfert van Borselen. Ik ben daar al die tijd gebleven. Ik ben heel loyaal.

Het werd een zwarte school. Betekende dat dat het slechter werd?
Nee. Het werd anders. Ik stelde grenzen, mijn school ook, en dat ging goed. Maar als je dan een gemeentebestuur krijgt dat zegt dat dat niet kan, dan houdt het op.

Hoe bedoel je, dat het niet kan?
Alle ellende bij ons op school was voor 80 procent toe te schrijven aan Marokkaanse jongens. Tach-tig procent! Meisjes lastigvallen, stelen, bedreigen, mishandelen, collega’s beledigen, buiten op straat beroven.

Even voor de cijfers: wat voor percentage Marokkanen zat er toen op school?
Ik denk 20, 30 procent.

Dus er was een relatief grote groep die…
Die altijd alleen maar ellende gaf.

En die veel meer problemen gaf dan je zou verwachten.
Kijk, toen het er nog een paar waren, toen was het geen enkel probleem. Maar hoe groter die groep werd, hoe groter de problemen werden. Daar werd ook niet over geluld. Ik zal je een ander voorbeeld geven. Die kinderen uit de internationale schakelklas kwamen vaak uit Iran en Koerdisch Turkije. Ik kreeg hen op de mavo, havo en vwo. Het eerste wat je doet na de zomervakantie is vragen: “Zo, waar ben jij op vakantie geweest? En dan zeiden ze: “We zijn in Turkije geweest.” “Maar daar zijn jullie toch uit weggevlucht?” (lacht) Maar nee, die gingen gewoon weer lekker naar Koerdistan en Iran. Iraniërs waren van een andere slag, want die waren over het algemeen heel positief en goed. Maar we werden gi-gan-tisch in de maling genomen. Dan zeiden mijn collega’s: “Ah Sør, laat maar joh.” Maar dat láát ik niet! Wat is dat nou voor idiotie! Natuurlijk liep die ergernis langzaam maar zeker op.

En toen kwam er ook ergernis tussen jou en je collega’s?
Dat was met name met de schoolleiding. Die wilden omhoog, en dan heb je de PvdA nodig. Het gros was lid van de PvdA. Dat was ik ook hoor, toen ik schoolbaasje was. Dat werd ook geadviseerd. Ik werd daarom kaderlid van de bond. Het was een beetje de nasleep van de verzuiling uit die tijd. Zit je in die hoek, dan zit je daar en daar en daar en daar.

Stel voor dat je niet in het onderwijs had gezeten. Denk je dat deze visie op migranten dan ook naar boven was gekomen?
Ik denk het niet! Het zijn echt mijn ervaringen in het onderwijs, en dan niet zozeer met de kinderen. Kijk, kinderen, zeker brugklassers, zijn mateloos eerlijk. Hoe ouder ze worden, des te beter ze leren hun mond dicht te houden. Maar ik wist: daar zitten de ouders achter! En er zitten anderen achter! Op een gegeven moment kwamen ook die Imams uit Turkije en Marokko die je even gingen zitten te vormen. Ik heb ook altijd Joegoslavische leerlingen gehad. Eentje daarvan, Marijana Zivanovic, is zelfs vier jaar lang gemeenteraadslid van Leefbaar geweest. Dat is een oud-leerling van me. Maar die zaten in de Joegoslavische klas en op zaterdag kregen al die Joegoslaven Marxistische vorming! (lacht) Dat kregen ze van één of andere marxist uit Joegoslavië in een soort zondagschoollokaaltje. En zo ging het in die Marokkaanse en Turkse clubs ook! Die mensen gaan dan opeens naar een Imam die hun vertelt dat wij honden zijn. Tegen die onverdraagzaamheid heb ik me gelijk verzet.

In welk jaar heb jij het idee dat dat begonnen is?
Een jaar of twintig geleden, dus in 1990.

Toen pas? Ze zijn hier toch al veel langer?
Ja, maar het is nog nooit zo’n grote groep geweest.

Op een gegeven moment werd de groepsgrootte kritisch?
Ja, en daarbij komt ook: die Turkse en Marokkaanse regeringen zijn niet achterlijk. De grootste bron van inkomsten is nog steeds het geld dat uit Europa komt. Dus hoe hou je die band in stand? Hoe voorkom je de integratie? Dus toen kwamen die Imams eraan. En dat waren klootzakken hoor! Dat was ongelofelijk.

Waarom werden die groepen in 1990 opeens groter? Die migratie begon toch al in 1960?
Ik denk dat die regeringen toen pas in de gaten kregen dat ze een probleem krijgen als de kinderen groter worden en vernederlandsen.

Maar jij was dus wel een vreemde eend in de bijt, als enige docent met deze opvattingen.
(schudt nee)

Dat dus niet. Andere docenten hadden daar dezelfde ideeën over, maar de laag daarboven dacht daar anders over vanwege de betrokkenheid bij de PvdA.
Ja, en ze lieten het ook gebeuren. Ik kan me dat ook wel indenken hoor. Dat je denkt: láát maar. Maar ik laat het niet, dat is mijn instelling. En toen zag ik Fortuyn. Ik zat in mijn WAO (vanwege zijn hersenbloeding – red) toen Leefbaar Nederland werd opgericht. Ik dacht: dit is mijn kans, ik word lid en dan ga ik beschrijven hoe zo’n partijvorming gaat.

Was je toen nog lid van de PvdA?
Nee! Ik ben in ‘83 uit de PvdA gegaan. Ik ben in totaal zeven jaar lid geweest.

Toen al?
Een jaar nadat Peper burgemeester werd, ben ik eruit gegaan. Dat was zo verschrikkelijk. Byzantinisme ten top. Daar zag je alleen maar buigende mensen omheen, en Peper die zo deed. (knipt met zijn vingers). Dan wilde hij een sigaretje hebben met vuur. Het is ongelofelijk. (samenzweerderig) Die man is dus gewoon tien jaar lang dronken geweest. Straal-be-zo-pen. Hij heeft zijn werk nooit kunnen doen. Zijn hele omgeving heeft het fantastisch gevonden, want die hadden nog nooit zoveel macht gehad als in die tijd. Neelie Smit Kroes heeft hem er vanaf gehaald. Tijdelijk. (pauzeert even) Volkomen lazarus.

Waardoor denk je dat je hersenbloeding ontstond? Door die frustraties en de stress?
Ja, natuurlijk. Maar die stressvolle periode had te maken met mijn leiderschap. Ik werd werkelijk met verschrikkelijke dingen geconfronteerd. Ik was toen baasje van alle derde klassen. Waarom? Omdat dat de probleemklassen zijn. Ik kreeg een leerling van vijftien die zei: “Ik kom niet meer naar school, want ik mag niet van mijn man”. Ik zei: “Doe normaal joh! Je bent leerplichtig. Je man? Je kan niet eens trouwen.” “Ja maar meneer, ik ben op de Marokkaanse ambassade getrouwd.” Nou, ga er maar aan staan. En zo kan ik tientallen problemen opnoemen. Op een gegeven moment kreeg ik er zó genoeg van. Ja, en dan gaat de natuur werken.

Omdat je er niets aan kon doen.
Ik kon er níets aan doen. Wat denk je van Iraakse jongens die zich door hun zusje laten bedienen in de aula? En die meiden werkten zich te pletter voor een hartstikke hoog cijfer. Zij mochten niet op straat komen, dus ze hadden niets anders dan hun huiswerk. Maar als die jongens dan op de universiteit kwamen, dan vielen ze na twee jaar door de mand. Hun diploma’s voor het vwo en de havo hebben ze voor het grootste deel via reproductie gehaald, maar op een gegeven moment moet je het zelf gaan doen. En daar liep het fout.

Joh, ik heb zulke ellendige dingen meegemaakt. Je hebt altijd kinderen waar je een speciale band mee hebt. Zo was er een meisje, Dursan, dat ik nooit zal vergeten. Ze had een hoofddoekje om, terwijl dat niet hoefde. Een heel bewust en vroom meisje. Dursan deed havo, maar we dachten: laten we haar toch maar vwo-advies geven, want onze vwo-afdeling liep leeg. We hebben haar er doorheen ge-sléurd, máár: ze heeft het helemaal zelf gedaan. Fantastisch! We waren zo trots op die meid! Maar toen ze haar diploma kwam halen, stond ze daar opeens met haar man. En een heel nieuwe familie, hè. Haar zusje, dat in vwo 4 zat, was er niet bij. Ik vroeg haar: “Kom je vanavond als Dursan haar diploma haalt?”

Sørensen doet na hoe het zusje keek, met omlaag getrokken mondhoeken en blik naar beneden.

Ik vroeg: “Wat is er, Aysen?” Waarop zij zei: “Dursan is geen familie meer van me.” In plaats daarvan was er een heel nieuwe familie overgekomen uit Turkije. Dursan hoorde bij de familie van haar man. En ik heb dat uithuwelijken heel wat keren meegemaakt. Dan waren meiden na de vakantie uitgehuwelijkt, waarna ze ineens niet meer in de klas zaten. Daar werd gewoon helemaal nooit wat van gezegd! Dus dat is de beweegreden. Ik heb dat leed gezien.

Daardoor kreeg je die hersenbloeding. Ging er nog iets aan vooraf waardoor dat gebeurde?
Nee, niks. Het was gewoon in de vakantie. Maar ik had mazzel. Dat klinkt heel theatraal, maar vier jaar daarvoor was mijn allerbeste vriend doodgevallen. Hij was ook docent en mijn bridgepartner. En twee jaar daarvoor is een andere collega, die ook hetzelfde maatje had als ik, ook doodgevallen. Allebei in de vakantie! En ik dus ook. Maar goed. Ik heb het overleefd. Die andere twee niet. Dat zet je natuurlijk ook wel aan het denken.

3: De start van Leefbaar Rotterdam – Uiteindelijk lijkt alles toch om geld te draaien

Na je herstel wilde je je leven wijden aan de politiek. In 2001 sloot je je aan bij Leefbaar Nederland. Waarom?
Ik wilde het proces van binnenuit meemaken en beschrijven. Het proces van de opkomst van een nieuwe partij. Ik dacht: ik word politiek chroniqueur.
Dacht je ook dat je niets meer te verliezen had?
Nee, dat niet. Het was gewoon interessant. Ik had mijn baan ook voor een deel weer terug.

Maar het ging je niet om de ideologie van de partij?
Ik was natuurlijk aanhanger van het gedachtegoed van Leefbaar Nederland, zeker toen Fortuyn erbij kwam.

Dus het sluit aan op jouw frustraties, maar je wilde er ook gewoon bij zijn.
Ja. Ik had eerder al de opkomst van D66 gemist. Nee, dat meen ik echt. Toen was het nog nieuw. Nu is het de regentenpartij bij uitstek. Als er één club is die zijn grondbeginselen verloochend heeft, dan is het D66 wel.

Dus toen Leefbaar Nederland opkwam, sloot jij je bij hen aan.
Ja. Ik ben toen naar Hilversum gegaan (het hoofdkantoor van Leefbaar Nederland, aangevoerd door Jan Nagel, stond in Hilversum – red.) en heb aangeboden om een dag in de week te werken. Ik heb het adres gewoon in het telefoonboek opgezocht. Toen zeiden ze daar: “We hebben iemand nodig die de mail aan Fortuyn doorleest’. Negen van de tien keer was het haatmail, hoor. Met name over zijn homoseksualiteit: ‘Smerige homo!’ Dat kwam van Nederlanders. Fortuyn is nooit zo rabiaat geweest over Turken en Marokkanen. Hij was wel tegen de Islam en de islamisering.

Hoe kwam je dan bij Leefbaar Rotterdam?
Bij de aanhangers van Leefbaar Nederland in Rotterdam zat hoogleraar Wim Couwenberg, een eminent hoogleraar die zich destijds al verzette tegen de islam. Hij is daarvoor verketterd. Van Kooten en De Bie hebben hem werkelijk beláchelijk gemaakt. Hij kwam toen naar me toe en zei: “Ronald, zou jij niet wat willen doen in Rotterdam?” Ze zochten namelijk een voorzitter voor het district Rotterdam. Ik had niks te doen en vond het een goede club, dus ik zei: “Dat doe ik wel.” Hij had zó’n gezag bij mij.

Van die Leefbaar Nederland-aanhangers zaten er een paar in de Stadspartij. En je had een pro- en contra-Fortuyn-club binnen Leefbaar. De Stadspartij stond onder leiding van toenmalig gemeenteraadslid Manuel Kneepkens, een Fortuyn-hater (Pim Fortuyn had zich toen nog niet aangesloten bij Leefbaar Nederland – red.). Couwenberg was niet tegen Fortuyn, en zij dachten dat ik tussen hen in zat. Dat was niet waar, maar ik dacht: laat maar, dat is prima.

Couwenberg was dus betrokken bij Leefbaar Nederland?
Ja. Hij heeft ook de term ‘Fortuyn-revolte’ uitgevonden.

En Manuel Kneepkens?
Die zat er ook bij. Hij noemde het Stadspartij Leefbaar Rotterdam, een naam die hij verzonnen heeft. Vervolgens heeft Kneepkens gewacht, want hij hoopte de baas van Leefbaar Nederland te worden. Maar toen kwam ineens Fortuyn via de achterdeur binnen! Kneepkens raakte in alle staten. Hij zegde zijn lidmaatschap op en gooide de naam Leefbaar te grabbel. Dat was een slimme zet van hem, want Rotterdam heeft altijd een vrij grote aanhang van vier, vijf zetels voor de lokale afdeling van de Centrum Democraten gehad. Dat is logisch, want Rotterdam is toch de stad waar zich alles heeft afgespeeld, waaronder de confrontatie met de keerzijde van de multiculturele samenleving. Dus wat dacht Kneepkens? Als Fortuyn zich voortdurend van extreem rechts distantieert, maar de Centrum Democraten claimen de naam Leefbaar Rotterdam, dan zit Fortuyn met Leefbaar Nederland in een verschrikkelijke spagaat. Kneepkens zei daarom tegen een persbureau dat hij niets meer met de naam Leefbaar te maken wilde hebben, “want Fortuyn is nu de voorzitter van Leefbaar Nederland”. Hij noemde Fortuyn ook ‘De Armani-Mussolini’ vanwege zijn mooie pakken.

Maar ik doorzag die zet van Kneepkens natuurlijk en ben daarom de volgende ochtend naar het verkiezingsbureau gegaan en ik heb gezegd: “Ik claim de naam Leefbaar Rotterdam.” Een vriend van mij werkte bij de Havenloods, die heeft daar een stukje over geschreven. Vervolgens kwamen er ineens mensen op me af die me wilden helpen. Die vormden samen de eerste club. Dat waren mensen die al politieke belangstelling hadden, zoals Michiel Smit, Barry Madlener, Victor Reijkersz en Frans van der Hilst. Samen hebben wij Leefbaar Rotterdam opgezet.

Dus zo werd jij de oprichter van Leefbaar Rotterdam.
Aan dat verhaal zit nog een raar staartje. Ik werd de dag van oprichting gebeld door de Kamer van Koophandel. “Meneer Sørensen,” hoorde ik toen, “er is al een Leefbaar Rotterdam.” Ik dacht: dat is vervelend, maar ik ga gewoon door en zie wel waar het schip strandt. Twee uur later kwam mijn schoonzusje bij me om een beetje te kletsen. “Ik was even op Oud-Kralingen”, zei ze, want op de begraafplaats daar lag haar eerste man. Ze vroeg toen of ik die dag nog wat gedaan had. “Ja, ik heb een partij opgericht: Leefbaar Rotterdam.” “Dat kan niet!”, reageerde ze. “Dat heeft mijn eerste man al gedaan!” Dát was toeval.

In jouw boek beschrijf je dat de NSB relatief groot was in Rotterdam in de jaren ‘40. Dat kwam omdat er toen geen andere partij was die de belangen van die mensen, veelal arbeiders en handelslui, diende. Dat was rond 2000 in feite nog hetzelfde. Bovendien wist je dat de Centrum Democraten hier veel aanhang hadden. Dacht je daarom electoraal te kunnen scoren met Leefbaar Rotterdam?
Dat was niet de intentie. Op het moment dat Fortuyn zei dat hij lijsttrekker wilde worden, wíst ik dat we groot gingen worden. Het was enkel mijn intentie om Pim te helpen.

Niet omdat je dacht dat het sentiment in de stad er juist voor was?
Op dat moment niet, nee. Terwijl er een knots van een gat zat in wat de politieke partijen rond 2000 te bieden hadden. Maar dat zagen we toen niet! Het ging mij er puur om dat ik Fortuyn wilde helpen. Vervolgens zagen we natuurlijk wel hoe het aansloeg.

Leefbaar heeft eigenlijk jouw hele leven overgenomen. Is dat een mooie periode geweest?
Heerlijk.

Mooier dan je docentschap?
Het was fantastisch. De overtuiging die we hadden. En dan overdrijf ik niet. We hebben zo’n geweldige tijd gehad. Natuurlijk was er ook verdriet. Ik kan nog steeds niet kijken naar de beelden van Pim.

Omdat hij vermoord is.
Ja, dat is verschrikkelijk. Dat klinkt raar, want ik heb natuurlijk de leeftijd dat je mensen gaat verliezen en verloren hebt. Maar dit blijft altijd.

Jij bent ook dit jaar weer bij die Fortuyn-herdenking geweest in Rotterdam?
Ja. Maar daar moeten we een keer mee stoppen. Op een gegeven moment houdt het wel op. Ook omdat er steeds minder mensen komen. Doe het niet elk jaar, maar om de vijf jaar. Eer Fortuyn door zijn gedachtegoed in leven te houden. Ik onthoud ook geen verjaardagen. Dat zijn dingen die me niet interesseren. Ik weet de verjaardagen van kinderen, kleinkinderen en schoondochters, en dan houdt het op. Maar goed, zo voel ik het. Ik ga er wel gewoon ieder jaar naartoe.

Op een gegeven moment heb je wel afscheid genomen.
Ja.

Maar de start van Leefbaar Rotterdam is dus een mooie periode geweest?
Natuurlijk. Maar na de moord op Fortuyn werd dat natuurlijk veel minder. Bovendien kreeg ik in mijn eigen club enorm veel problemen. Er zijn er toen zes weggegaan. Idioten! Eerst Michiel Smit. Die heb ik er gelijk uitgetrapt. Later Joop van Heijgen. Toen kreeg ik concurrentie van de LPF. Die wilden Leefbaar Rotterdam overnemen. Ze zeiden: “Je mag bij ons komen.” Ik zei: “Jullie zijn niet goed wijs!”

Maar de LPF Rotterdam zat niet in de raad.
Nee, tot een van de leden van Leefbaar zich van mij afscheidde en als LPF Rotterdam doorging. Maar dat mocht niet. Je mag alleen op je eigen naam gaan zitten.

Er splitsten zich totaal zes leden af van Leefbaar Rotterdam.
Ik zei zes. Maar een van hen is doodgegaan voordat hij zich kon afsplitsen. Dat was Harry Borst. Hij stond op het punt om grote ellende te veroorzaken. Dan waren er twee die hun plek op de kieslijst te slecht vonden en bijna drie jaar probeerden om mijn plek als fractieleider over te nemen. Smit en Van Heijgen gingen eruit en daarna zijn er nog twee uitgestapt. En Nico Kok is er als eerste al uitgestapt. Dus we begonnen met z’n zeventienen. Het was één groot gevecht. Eén groot gevecht.

Waarom stapte Kok er direct uit?
Als partij krijg je veertigduizend euro en fractieondersteuning van de gemeente Rotterdam, wat hij volgens mij door zijn dochter liet doen. Van Heijgen heeft zich ook afgescheiden. Hij sloot zich aan bij Smit. Maar toen kregen ze samen subsidie voor één partij. Dus wat deden ze? Ze hebben zich weer opgesplitst in twee partijen. Dan kregen ze meer. Het ging uiteraard om geld. Het gaat zo vaak om geld.

Beleefde je nog plezier aan het leiden van Leefbaar Rotterdam toen die hectische periode voorbij was?
Het was sowieso al fantastisch toen Marco Pastors en ik voor het eerst bij Opstelten zaten, net na de verkiezingsoverwinning. Kijk, Fortuyn was precies het tegenovergestelde van Geert Wilders. Geert Wilders wil alles regelen. Alles. Tot en met de vraag of de pen die daar op tafel ligt wel of niet goed ligt. Fortuyn was van: hoe minder ik hoef te doen, hoe beter. Na de overwinning zei hij gelijk tegen Marco en mij: “Doen jullie dat maar, dat Rotterdam. Ik ben nu echt met de LPF bezig. Als je me nodig hebt, dan hoor ik het wel.” Dus toen zaten Marco en ik bij Opstelten. Saampjes. Hij zat achter zo’n groot bureau en zei: “Heren. Het lot van deze stad ligt in uw handen.” Marco en ik keken elkaar aan en schoten toch in de lach! Opstelten ook natuurlijk.

Maar het was ook bizar.
Dat was het natuurlijk, maar het beviel me goed. In politiek draait het er heel vaak om dat je met mensen kunt omgaan. En politiek is gekonkel. Maar ik voel me er als een vis in het water. Ook het omgaan met Pim was verschrikkelijk leuk. Dat was een geweldige vent waar je ontzettend mee kon lachen. Dat kan je trouwens ook met Geert. Het was al met al een geweldige ervaring. Neem het in- en uitlopen bij de wethouders. Vergelijk dat maar eens met toen ik nog schoolmeester was. Als dan de wethouder bij ons op school kwam, dan was het van “Oh, mijn hemel…”. Dan werd alles schoongemaakt en moesten de beste leerlingen naar voren komen.

Was dat een triomf voor je?
Wat denk je? Ik ben voor de klas weggehaald omdat ik voor Fortuyn koos. Na 32 jaar keihard werken! Altijd zaten mijn leerlingen bij de beste tien procent van alle geslaagden in Nederland! Al mijn taalarme leerlingen. Ik heb ze allemaal door die examens gesleept. Tenminste, dat is natuurlijk niet mijn eigen verdienste. De kinderen werkten gewoon hard. En daarna zat ik in het stadhuis. Ik heb daar persoonlijk het openbaar onderwijs verzelfstandigd!

Dus jij hebt geleerd dat rebellie loont.
Ja! (lacht)

Maar waarom ben je voor de klas weggehaald?
Ik mocht geen les meer geven omdat ik voor Fortuyn had gekozen. Artikel 1 van de grondwet geldt niet als je rechts bent. Dat is echt gebeurd. De schoolleiding wist dat ik bij Fortuyn zat en dat ik Leefbaar Rotterdam had opgericht. Toen zeiden ze tegen mij: “Sørensen, je hebt dat Leefbaar Rotterdam opgericht. We hebben liever niet meer dat je voor de klas komt.”

Maar is dat een gegronde reden voor ontslag voor de rechter?
Nee. Ik heb dan ook geen ontslag gekregen. Ik mocht gewoon geen les meer geven. “Zoek het maar uit”, zeiden ze, “maar we willen je niet meer voor de klas hebben”.

Dus je kreeg gewoon salaris maar hoefde niet meer te komen?
[Sørensen knikt] Acht jaar lang een half salaris, want ik zat nog gedeeltelijk in de WAO. Na vier jaar werd mijn collega op het Einstein in Hoogvliet ziek. Hij zei: “Sør, wil jij mijn examenklas overnemen?” Ik zeg: “ja natuurlijk! Ik krijg toch betaald.” Dus ik wilde het gratis overnemen hè? Maar toen zei het schoolbestuur: “Nee, we lossen het intern op.” Maar ze dachten: we willen jou niet in de school hebben. Dus kun je je mijn triomf indenken dat ik in de onderwijscommissie van de gemeenteraad zat, nádat ik niet meer voor de klas mocht?

Ik zal je nog wat vertellen. Wolfert van Borselen had ondertussen een tweetalig VWO, natuurlijk iets voor een eliteschool. En weet je wie de voorzitter van de oudercommissie van dat tweetalig VWO was? Eduard Bomhoff. Professor Eduard Bomhoff. En wie was zijn opvolger? Khee Liang Phoa. Wie is er minister geworden voor de LPF? Bomhoff. En wie is er staatssecretaris geworden van de LPF? Phoa. Bomhoff en Phoa waren dus de ouders die volgens de leiding van de school zogenaamd bezwaar tegen mij hadden. Die schoolleiding had dus zitten liegen.

Dus volgens jou verzon de schoolleiding dat ouders jou niet voor de klas wilden?
Ouders wisten helemaal niet dat ik Fortuyn steunde. Dat verzinsel was een stok om mee te slaan. Ze wilden mij eruit hebben, want ze wilden geen problemen krijgen met Els Kuijper (Kuijper was toentertijd wethouder Onderwijs namens de PvdA -red). Enzovoorts, enzovoorts. Al die schoolleiders zijn lid van de Partij van de Arbeid.

Ronald Sörensen
Ronald Sörensen Beeld: Jan de Groen

4: Sørensen als PVV-senator – maar niet meer voor lang

Je bent tot 2011 bij Leefbaar Rotterdam gebleven. Wanneer ben je bij de PVV gegaan?
We zaten nog in de eerste bestuurlijke periode toen Geert Wilders uit de VVD ging. Dat was in 2004. Ik was het voor honderd procent met hem eens en ben toen gelijk naar hem toe gegaan. Hij zat ergens op de zolder van de Tweede Kamer.

Had je bij Geert gelijk hetzelfde gevoel als bij Pim?
Nee.

Maar je dacht bij Wilders wel, net als bij Fortuyn, dat hij de problemen in Nederland helemaal begrijpt?
Ja, dat wel. Maar het waren heel andere omstandigheden. Het is sowieso raar dat je eerst gefouilleerd wordt als je met iemand gaat praten. Het is net als in het Feyenoord-stadion. Toen ik met hem in contact kwam, heb ik hem mijn steun toegezegd. Ik was – ik bén – het volkomen met hem eens. En toen heb ik ook mijn best gedaan om Geert Wilders en de top van Leefbaar Rotterdam bij elkaar te krijgen. In die top zaten Marco Pastors en Joost Eerdmans.

Deed Eerdmans toen al iets voor Leefbaar Rotterdam?
Ja. Hij is ook de secretaris van Opstelten geweest. Eerdmans was heel erg gelieerd aan Rotterdam.

Maar wat deed hij voor Leefbaar Rotterdam?
Hij zat er in elk geval bij.

Dat is anders dan het beeld van nu dat Eerdmans uit Capelle overgevlogen is.
Eerdmans is al lang lid en ging daarom samen met Marco met Geert praten. Geert ging toen nog om met Bart Jan Spruyt, een conservatief historicus en een fantastische vent. Zij vieren wilden dat ik mee ging praten. Maar dat deed ik niet. Ik zei: “Jullie moeten er met zijn vieren maar uitkomen. Ik ben al te oud.”

Dus dan zou Leefbaar een lokale PVV worden?
Nee. We zouden samen één landelijke politieke partij vormen. Maar de volgende dag waren Marco en Joost des duivels, schijnt. Geert heeft één of andere afspraak geschonden, waarna Marco en Joost EenNL begonnen. Toen vroegen ze mij: “Wie help je nou?” Nu is het hemd nader dan de rok en dus heb ik toen Marco geholpen. Dat vond Geert niet leuk. Barry Madlener, die toen bij Leefbaar Rotterdam zat, is wel gelijk naar Geert gegaan. Ik zei tegen Geert: “Joh, het is niet anders. Ik vind het jammer dat jullie niet samen gaan. Maar ik ga nou verder met Marco.” Marco en ik zijn vrienden. Er zijn ook emotionele banden. En we hebben allebei die ellende met Pim meegemaakt. Dat brengt je bij elkaar. Alleen heeft Geert de wedstrijd toen met 9-0 gewonnen (EenNL haalde toen nul zetels, terwijl de PVV er negen kreeg – red). Dus wij bleven in de gemeenteraad. Later zei Geert: “Wil je eens komen praten?” Toen bleek dat hij me in de Eerste Kamer wilde hebben.

Heb je vooraf tegen Marco Pastors gezegd dat je met Wilders ging praten?
Ja. Dat heeft toen wel heibel tussen Marco en mij veroorzaakt.

Waarom wilde Wilders jou erbij hebben?
Ik word natuurlijk altijd in de eerste plaats gelieerd met Rotterdam en in de tweede plaats met Fortuyn. Wilders vond het prettig om die allebei binnen te halen.

Als een soort representatie van wat Rotterdam is en wat Rotterdam doet?
Ja. Maar weet je wat het ook was? Een beetje Marco extra…[Sørensen wijst met zijn duim naar beneden]

Hoezo?
Omdat Marco zo onverstandig was geweest om tegen hem in te gaan.

Je bedoelt dat hij zijn verlies wilde inwrijven?
[Lacht]

Wat zei Wilders precies in dat gesprek?
Hij was meteen eerlijk: “De Tweede Kamer is niks meer voor je. Maar ik zou je wel graag in de Eerste Kamer willen hebben.” Toen zei ik: “Nou, dat is goed hoor.”

Je wist gelijk dat je dat wilde?
Ja. Ik moest toen wel aan die klasjes meedoen, acht bijeenkomsten van de PVV. Daar wordt de kieslijst samengesteld, dus dan moet je debatjes doen en dan wordt je algemene kennis getoetst.

Voor een groot deel gaat het toch om kennis van geschiedenis?
Ja, natuurlijk. Ik kreeg ook de meest belachelijke vragen. Je gaat aan mij toch niet vragen wie Willem de Zwijger was? Doe effe gewoon zeg. Wat een idiotie. Het moest, zeiden ze, want gelijke monniken gelijke kappen. Ik zei: “Dat is goed. Maar vind je het erg als ik de antwoorden open laat?”

Tijdens die lunch met Wilders heb je direct gezegd dat je voor de PVV in de Eerste Kamer wilde. Wist je toen ook direct dat je met Leefbaar Rotterdam zou stoppen?
Ja.

Maar het was jouw kind!
Weet je wat het is? Wij hebben volkomen terecht ingesteld dat je niet meer dan twee periodes in de gemeenteraad moet zitten.

Dus dat had je ook al in je achterhoofd toen je met Wilders ging praten?
Ja.

Wist je dat je geen andere functies meer kon vervullen bij Leefbaar Rotterdam?
Wie zegt dat? Ik heb het daar met Geert over gehad. Hij zei: “Ik heb liever dat je dat niet doet.” Dan doe ik dat ook niet. Maar je heb best kans dat ik over een jaar weer voorzitter – of wat dan ook – van Leefbaar Rotterdam ben.

Dus Dick van Sluis moet weg en dan wordt jij voorzitter van Leefbaar Rotterdam?
Dick hoeft niet weg.

Dick zit er al vier jaar.
Ik zit er nog veel langer.

Maar Dick van Sluis is nu de voorzitter!
Maar ik wil nog wel wat in het bestuur doen, ja.

Nee, je wilt voorzitter worden. Dat zeg je net!
Dat maak jij ervan. Maar goed. Je hebt wel kans dat ik me daarvoor kandideer. Dus dan heb jij ook je nieuwtje. Maar er is iemand die dit helemaal niet leuk vindt, hoor.

Wie dan?
[Sørensen lacht]

Jij begint er toch over!
We moeten eerst maar even kijken. Maar ik zou dat best willen. Dat lijkt me best leuk, ja.

Ik ben 67 jaar. Ik heb pensioen, ik heb AOW. Ik kan niet stil zitten. Wat ik nu doe is eigenlijk al te weinig werk.

Ga je de gelederen binnen Leefbaar Rotterdam verbroederen?
Als het aan mij ligt wel. Ik zou het liefst één grote partij worden, dus dat de PVV en Leefbaar Rotterdam weer eens een keertje met elkaar zouden praten.

Zijn daar voldoende raakvlakken voor?
Nee.

Dan ben je snel klaar.
Maar daarom moet je het proberen. Op dit moment zijn er onvoldoende raakvlakken om de eenvoudige reden dat Leefbaar Rotterdam op dit moment te veel interne problemen heeft.

Je bedoelt de fractieleden van Leefbaar Rotterdam die tijdens de wethoudersinstallatie voor Ronald Schneider hebben gestemd in plaats van voor Ingeborg Hoogveld?
Ik ga verder geen uitspraken doen over die mensen.

Het was even om samen te vatten wat je bedoelt met ‘interne problemen’.
Ja.

Maar toch wil je de PVV en Leefbaar samenvoegen?
Ja.

Waarom? Heeft Leefbaar Rotterdam voet aan de grond nodig in Den Haag omdat de partij nu moet bedelen bij de landelijke PvdA?
(Sørensen lacht)

Hoe gaat het eigenlijk bij de PVV?
Ik heb het er ontzettend naar mijn zin. Het is een ontzettende leuke club. Fred de Graaf, namens de VVD voorzitter van de Eerste Kamer, had het in de NRC over een opmerkelijk hoog academisch gehalte bij onze PVV-fractie. Toen ben ik naar hem toegegaan en vroeg: “Wat had je eigenlijk verwacht?” (Sørensen stopt zijn vuisten onder zijn oksels alsof hij een aap is en maakt geluiden van een holbewoner.)

Maar er waren wel matpartijen tussen de leden van de PVV in de Tweede Kamer. Verklaart dat het vooroordeel?
Dat was de LPF.

Maar als PVV-ers zoals Hero Brinkman uit hun fractie stappen gooien ze wel met modder.
Ja, dat is jammer.

Hoe zij zich gedragen is natuurlijk ook beeldbepalend.
Het is ook volslagen onbegrijpelijk. Je zit vier jaar in de fractie. Je doet vier jaar mee en houdt je snavel dicht. Dan ga je weg en ineens vertel je wat er niet goed is. Sodemieter op.

Als jij reden zou zien om uit de school te klappen over de PVV, dan zou je dat toch ook doen?
Nee. Maar wie zegt dat ik me intern niet uit?

Maar je hebt wel in de media gezegd dat de PVV moet democratiseren.
En dat vind ik nog steeds. Die interne discussie wordt dit moment gevoerd.

Dus in de PVV praat men nu over het democratiseren van de partij?
Ja.

Waarom ben je dan teruggekomen op die uitspraak?
Ik heb geen bezwaar tegen wat ik toen gezegd heb. Maar dat proces moet je intern houden. Verlies je dan intern, dan is dat jammer. Maar dan houd je je mond dicht en ga je niet naschoppen. Het is ook zo onverstandig. Kijk, ik ben 67. Ik heb weinig ambitie meer. Ik hoef geen geld meer te verdienen.

Maar je hebt wel de ambitie om voorzitter van Leefbaar Rotterdam te worden.
Dat is meer om de club te helpen. Het klinkt theatraal, maar ik ben een idealist. Ik ben uit idealisme de politiek ingegaan, want ik had de keerzijde van de multiculturele samenleving gezien en begreep absoluut niet waarom iedereen maar zo juichend deed. Ik heb de ellende gezien. Die islamisering is een gruwel in mijn hoofd. Het is het importeren van fascisme, van het onverdraagzame. Dat is mijn historisch specialisme: het nationaal socialisme en het fascisme. Dat is de islam in optima forma. Maar er zitten ook goede kanten aan, alleen vragen journalisten me er nooit naar.

Wat zijn volgens jou dan de goede punten van de multiculturele samenleving?
Lekker eten (lacht hard). Dat weet iedereen. Een ander punt is dit: ik ben een gelovig iemand.

Wat is je geloof?
Ik ben protestants-christelijk. Maar op de keper beschouwd ben ik een realistisch christen.

Een realistisch christen?
Ik geloof niet dat Jezus de zoon van God is, maar wel dat hij het goddelijke bereikte toen hij stierf, net zoals Boeddha dat heeft gedaan. Twintig jaar geleden kon ik beter niet zeggen dat ik gelovig was, want dan werd ik door de linkse kerk voor debiel uitgemaakt. Tegenwoordig mag je heel veel geloven. Je mag zelfs geloven in een God die alleen maar luistert als je in een bepaalde windrichting praat. Maar een voordeel van het multiculturele is ook dat ze in andere culturen totaal anders omgaan met de dood. Dat heb ik van de Hindoestanen geleerd. In mijn tijd mocht je nog één keer naar een persoon kijken als die was overleden, waarna je hoorde dat zijn as verstrooid was. Dat is nu helemaal anders. Het is nu volkomen geaccepteerd om een mooi graf te maken. Niet dat ik daar nu op zit te wachten. Ik was vroeger ook lid van de stichting Tamarind, die opgericht is om de dood uit de taboesfeer te halen. Dat is tegenwoordig helemaal niet meer nodig, want daar is hij allang uit. Dus dat hebben we geleerd van de multiculturele samenleving. Er zijn wel degelijk voordelen. Maar ook nadelen.

Dus de kosten-baten analyse van de multiculturele samenleving pakt negatief uit.
Ja.

Maar de filosofische aspecten van andere culturen interesseren wel.
Het boeddhisme heeft een betere visie op het leven dan dat wij hebben, maar past totaal niet in onze samenleving. Zo eenvoudig is het. Het godsbeeld van de Islamieten is gruwelijk. Die van de wrekende god. Hoe kan in hemelsnaam het goddelijk voorbeeld iemand zijn die met een negenjarig meisje trouwt? Die dertien vrouwen heeft? Die opschept over verkrachtingen? Die massamoord begaat? Die sluipmoord begaat? Is dat het grote voorbeeld van het Opperwezen?

De aanhangers van de christendom zijn ook niet altijd even vredelievend geweest.
Maar die hebben niet de neiging om andere mensen dood te slaan omdat ze een ander geloof hebben.

Niet meer, nee.
Omdat dat godslasterlijk is. Je verplaatst je niet in de plek van God. Als jij iemand vermoordt, dan sta je in de plek van het Opperwezen.

Alle religies hebben excessen, en jij ziet die op dit moment vooral bij de islam.
De islam ís een exces.

Fundamenteel?
Fundamenteel. Het is nogal een verschil of het je belangrijkste persoon is die zijn leven geeft voor de lijdende mensheid, of dat het iemand is die opdracht geeft tot massamoord.

Maar had jij vroeger nooit leerlingen die Islamitisch waren en waarvan je dacht dat ze normaal waren?
Ja hoor, natuurlijk.

Er zijn ook mensen die de Islam kunnen praktiseren zonder dat ze moordlustig worden.
Maar ik heb wel gezien dat ze steeds meer in de greep van die idioten kwamen.

Uitte jij je ook al zo fel bij Leefbaar Rotterdam als nu bij de PVV?
Absoluut. Ik was bij Leefbaar ook al een die hard.

Is dat een lastig punt als je de PVV en de Leefbaren zou samenvoegen?
Dat vereist wel enige souplesse van beide kanten, maar ik zie meer raakvlakken dan verschillen. Voorlopig moet je het nog niet willen.

Leefbaar heeft duidelijk zelf problemen om op te lossen. En de PVV ook, nu zich enkele Tweede Kamerleden van de fractie hebben afgesplitst.
Dat is natuurlijk slecht. Daarnaast was acht jaar geleden 62 procent van de mensen tegen Europa. Moet je kijken hoeveel minder anti-Europees er nu gestemd is.

Je hebt nog een jaar te gaan als senator. Ga je het nog een keer vier jaar doen?
Nee. Ik ben dan 68. Mijn vrouw en ik hebben nog nooit vakantie gehad buiten de vakantieperiode. Wij willen gewoon eens een keer in september op vakantie. Dat zijn van die rare dingen.

Jij vindt het wel genoeg geweest?
Tenzij Geert zegt: “Je helpt me ontzettend als je nog vier jaar blijft zitten.” Dan heb ik argumenten tegen Nel. Weet je wat een van de redenen was waarom ik heel graag met Geert in zee wilde? Fortuyn had me natuurlijk al verteld dat hij mij in de Eerste Kamer wilde hebben voor de LPF. Hij zei: “Die LPF-lijst voor de Tweede Kamer, dat is een waanzinnige lijst. Moet je kijken wat een idioten erop staan.” De ene is alcoholist, en die is dit en die is dat. Daarom zei hij dat ik in Rotterdam moest blijven. “Maar als we naar de Eerste Kamer gaan, dan…” Als Pim dus niet vermoord was, dan was ik senator geworden voor de LPF en tegelijk gemeenteraadslid voor Leefbaar Rotterdam gebleven. Dat was makkelijk te combineren geweest.

Je senatorschap voor de PVV is de invulling van een oude ambitie?
Toen Geert met zijn vraag kwam, was ik erg gelukkig. Het is een fantastische baan. Het is zo geweldig als je daar op dat Binnenhof loopt. En je ziet al die mensen. En – dat klinkt heel pedant – ze kennen mij ook allemaal! Daarbij zijn de mensen er ook allemaal heel vriendelijk en aardig tegen elkaar. Het zijn echt allemaal collega’s, van welke partij je ook bent. In de provincie heb je nog weleens dat mensen vervelend deden. Met name de socialisten van de SP hadden die neiging. Dat doen ze hier helemaal niet.

Maar desondanks dat geen tweede periode voor jou?
Nee. Ik heb het wel gehad.

Maar je hebt ook een andere taak op het oog.
Ja. Ik wil lekker in september op vakantie. Ik wil gewoon een maand of twee, drie door de Verenigde Staten rijden.

Niet stiekem aansluiten bij de Tea Party, hè?
Dat is niet stiekem. Iedereen weet dat ik daarbij zou horen.

Lees meer:

Reageer of deel op Social Media

Tags:Eerste Kamer, Leefbaar Rotterdam, PVV, Ronald Sørensen, Sörensen en Wilders

Sectie: Politiek

kaart: Stadhuis, Rotterdam
Ontvang de wekelijkse Vers Beton newsletter!

Op Vers Beton discussiëren we met liefde. We horen daarom graag je mening. Houd daarbij wel onderstaande richtlijnen in gedachten, dan weet je zeker dat je reactie zichtbaar blijft:

  • Draag inhoudelijk bij aan de discussie
  • Blijf on-topic
  • Speel op de bal, niet op de man
  • Wees respectvol: reacties waarin sprake is van schelden, haat, racisme of seksisme worden verwijderd
  • Reacties over huisregels en toelatingsbeleid worden verwijderd
  • We gaan niet in discussie over verwijderde reacties
  • Zie je reacties die niet aan de huisregels voldoen? Ons controlesysteem is niet waterdicht. Laat het ons weten via info@versbeton.nl

Verdiep de discussie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *