Human interest22 december 2014

“Fawaka, hoe gaat het, alles goed?”

Voor het tijdschrift Stadsgeheimen onderzocht schrijfster Sanneke van Hassel het veelzijdige, persoonlijke en creatieve gebruik van taal in Rotterdam. Vijf Rotterdammers vertelden haar over hun relatie met taal. Vers Beton mag exclusief één van deze portretten publiceren. Lees het verhaal van producer en artiest Anthony Lobato (27) over straattaal, ‘Nieuw Rotterdams’. Met foto’s van Carel van Hees.

uit Stadsgeheimen #2
uit Stadsgeheimen #2 Beeld: Carel van Hees

In elke editie van Stadsgeheimen trekken een fotograaf en een schrijver samen Rotterdam in en verzamelen beelden en verhalen, die de culturele en zintuiglijke rijkdom van Rotterdam laten zien. Je kunt stadsgeheimen op meer dan 200 plekken gratis meepakken in de stad.

Juist ja. Waar kom je vandaan? Van Rotterdam. Of bedoel je: waar kom ik net vandaan? Van osso, van huis. Of bedoel je: waar komt je verleden vandaan? Ik kom uit Suriname maar ben hier op school gegaan toen ik zes was. Wij reisden veel, ik was op jonge leeftijd al hier, was ik daar, was ik hier, was ik daar… Mijn vader deed grote shows met artiesten en dan gingen we op en neer. Nederlands was dus niet vreemd voor mij, maar in Suriname heb je andere grammatica en het is ook veel netter. Op straat spreken ze er weer anders en dat lijkt op wat de jongeren hier gebruiken. ‘Kom, zullen we naar de winkel gaan?’ wordt bijvoorbeeld: ‘Gaan we gaan?’

Straattaal is eigenlijk Nederlands gemixt met Surinaams. Elke Marokkaan of Turk, ze gebruiken allemaal het woord fawaka: ‘Fawaka, wat is die tori?’. ‘Fawaka’ is hoe gaat het, ‘die tori’ is het verhaal. Als we elkaar ontmoeten is het: Wat is er te doen? Wat is het plan? Er zijn zoveel woorden in de straattaal…

Toen ik twaalf was hadden we een tijdje het woord ‘skifmars’, een dom woordje, dat je overal in kan plaatsen. ‘Ik heb skifmars’: ik heb schijt aan jou. Als iemand een meisje had gevangen: ‘Ik heb beet, ja, die is van mij, die is van mij, ik heb skifmars, skifmars, het is mijn avondje klef.’

Soms heb je een woordje gevonden met één vriend, dan gebruiken jullie twee het ineens en dan kom je anderen tegen en dan komt de volgende en die pikt het ook op, eerst als grap, maar dan weet je al: oké, die gaat het ook gebruiken. Alles begint met een grap en dan ga je het zo tof vinden, dan gebruik je het en zo verspreidt het zich.

Laatst… er is een jongen die mij soms helpt met wat dingetjes in de studio. Ik vroeg hem: ‘Kan je dit doen?’ Zegt ie: ‘ja papa’. Toen moest ik lachen. De volgende dag vroeg hij of ik iets voor hem kon doen, en toen zei ik ‘ja papa’. Dus nu is ‘ja papa’ hetzelfde als ‘ja, dat is goed,’ en zegt iedereen het: ‘ja papa, ja papa’. Het is onder ons gaan verspreiden. Die jongen heeft het opgepikt, hij heeft het naar hier gebracht en nu lopen we op straat en is het ‘Hé pappa, luister dan.’

Sommige mensen zien straattaal als een geheime taal, maar dat is het niet. Je hebt het niet een-twee-drie door dat je nieuwe woorden aan het maken bent… Het is voor mij te normaal misschien. Het is niet echt volledige straattaal wat we spreken, we voegen gewoon wat woorden tussen het Nederlands.

Ik zat op het Nieuw Rotterdam College aan de Beukelsdijk. Ik deed niet zoveel, ik was in de klas, dat was het. Je was je er wel van bewust dat je die woorden zoals skifmars of ‘wat is die tori’, dat je dat niet tegen de juffrouw zei, dat hield je voor onderling. De juffrouws waren wel op de hoogte. Ik kan me nog herinneren dat iemand zei: ‘Wat is die tori dan juf? en dat zij antwoordde: ‘Die tori is dat je je huiswerk moet leren, klaar.’

Wat wij op school ook spraken was de P-taal. Dan plaats je de ‘p’ twee keer of drie keer in een woord. Anthony, wordt dan Epantheponepy. Met mijn neefjes had ik weer een andere taal: we zetten de volgorde helemaal verkeerd. Als we bijvoorbeeld boos waren op iemand konden we zo met elkaar praten. We waren er elke dag mee bezig, we hadden echt een eigen taal gemaakt.

Stadsgeheimen #2
Stadsgeheimen #2 Beeld: Carel van Hees

Typisch straattaal is om een vraag twee keer te stellen, in het Surinaams en in het Nederlands. Als we elkaar ontmoeten zeggen we: ‘Fawaka, hoe gaat het?’ Dus: Hoe gaat het, hoe gaat het? Ik denk omdat fawaka zo kort is… Iemand wil volledig aan mij kunnen vragen hoe het gaat. En dan geven ze vaak ook nog mijn antwoord erbij: ‘Fawaka, hoe gaat het, alles goed?’ Dan denk ik van, oké, ja, wat moet ik nog zeggen? Dat is gewoon standaard, moet je maar eens opletten als je over de Kruiskade loopt. Of ‘Fawaka, hoe gaat het, alles goed, rustig?’

Straattaal is combineren en mengen. Bijvoorbeeld Mocros, dat is een Surinaams woord. Als je vroeger tegen een Marokkaan zei: ‘Je bent een Mocro,’ dan was het van ‘Wat zeg jij tegen mij?’. Maar nu zegt hij zelf: ‘Ik ben een Mocro’.

Surinaams zit dichterbij het Engels, het is negerengels, dat is gewoon algemeen bekend, alleen wij hebben ruigere woorden en het is korter. Daarom is het ook best makkelijk op te pikken. In het Nederlands zeg je: ‘Kun je alsjeblieft hier komen?’ In het nieuw Surinaams is het ‘Kon dya’. Dat is meer van: het moet. ‘Mag ik’ hebben wij niet.

Juist omdat je verder bent van je thuisbasis gaat vloeken makkelijker. Een vriend van mij die scheldt heel makkelijk, ‘Ma pampa sang!’ als hij alleen maar zijn telefoon oppakt. Dan denk ik ‘broer, wat ben je aan het doen’, maar onbewust zeg ik hem na. Wat dat betekent? Dat wil je niet weten. Het vrouwelijk geslachtsdeel – je moeders… Elke cultuur heeft z’n eigen scheldwoorden. Als ik in het Nederlands vloek zeg ik nooit Godverdomme, dan zeg ik ‘sang snotverdomme’.

uit Stadsgeheimen #2
uit Stadsgeheimen #2 Beeld: Carel van Hees

Wat je eigenlijk zou moeten doen als je straattaal vast wil zetten, is een keer bij ons op de hoek staan. In de pauze of na mijn werktijd, dan weet ik dat de jongens hier in de buurt zijn. Aan het einde van de straat, of op het pleintje, dat zijn die plekken waar wij dan afkoelen, effe rustig bij elkaar komen. Er zijn niet zo vaak meisjes bij, daar zijn andere tijden voor. Kijk, wat het is, als ik met de jongens ben, met die afdeling, dan praten we over serieuzere onderwerpen. Nu hebben we het vaak over het geloof. Die heeft deze punt, ik heb dit punt en dan botsen we. We zijn altijd vrienden, maar we botsen. We lopen op hete kolen en dan willen we geen vrouwen om ons heen, we zijn vuur tegen vuur. We hebben geen tijd om normaal te communiceren, we zijn echt bezig in een gesprek, om informatie van elkaar te winnen. Je wilt weten wat die ander te zeggen hebt, maar eigenlijk wil je het ook niet horen, want mijn punt is gewoon de beste. Maar toch vraag je door en hoor je wat zijn argumenten zijn en dan sla je het op. Later ga je nadenken en volgende keer kom je met een ander punt.

Net zoals kantoormensen met hun vrienden naar de golfbaan gaan, gaan wij een luchtje scheppen, effe rust. Wij vinden het nog steeds leuk dat ding te doen wat we vroeger ook deden: met elkaar hangen op straat. Het zijn jongens van mijn leeftijd, of iets jonger, de oudste is denk ik vierendertig. Op dit moment heb je meer Marokkanen, maar het blijft een mix. We hebben een Marokkaanse jongen die pas vier maanden in Nederland is. Het eerste wat hij zegt is: ‘Fawaka’. Dan moet ik wel lachen. De klank zit gewoon lekker, denk ik.

In de Witte Withstraat was vroeger een muziekstudio en daar konden jongeren uit de buurt muziek maken. Daar ben ik langzaam ingegroeid, als producer en als workshopdocent voor kinderen. De leider zei dat het verstandig is te leren zingen, want dan weet je als je iemand produceert ook de tonen. Dus toen ben ik dat van mezelf gaan leren. Uiteindelijk is die studio failliet gegaan en toen dacht ik van: ‘Wacht even, dat is wel een heel leuk concept’.

Ik ben een beetje gaan netwerken, en geld verdienen, sparen, sparen. Veel jongens in deze buurt willen alles alleen doen maar ik kwam een vriend tegen die samen een studio wilde opzetten. Bouwen en huur betalen we zelf, maar we bieden ook projecten met jongeren aan en daar krijgen we van de deelgemeente subsidie voor omdat we een maatschappelijk belang dienen wat we niet een-twee-drie terugverdienen.

uit Stadsgeheimen #2
uit Stadsgeheimen #2 Beeld: Carel van Hees

Ik heb geen diploma’s of niks, tot mijn zeventiende was ik een beetje een boefje. Mijn moeder zei: Anthony, jij bent gewoon mijn zoon en je moet gaan voor wat je wilt. Het liefst heb ik dat je je basisdingen kent, maar als het dat niet voor jou is, dan is dat het niet voor jou. Ik heb altijd in de muziek gewerkt en krijg alles nu terug. Ik verdiende geld met feesten organiseren en met posters plakken, toen vijftig cent per poster, zwart. Wij waren jong, I don’t care. Ik gaf niks uit en daarnaast kregen we ook nog zakgeld. De meeste mensen zaten in de boeken te kijken en ik zat op straat, ik was feesten, ik was uitgaan, ik was op vakantie gaan. Toen ik zeventien was, was ik al op de Music Conference in Miami met een eigen cd, zat ik met artiesten om tafel die zich afvroegen: wie ben jij en wat kom je hier doen?

Vroeger luisterde ik Surinaamse muziek, nu minder, misschien omdat ik commerciëler denk en muziek maak in het Engels. Nederlands is boem tsjak, je moet het heel simpel houden. Gers Pardoel is eigenlijk een R & B- en rapjongen. Eerst gebruikte hij straattaal, nu zingt hij gewoon: ‘ik neem je mee’. Heel Nederland begreep het ineens: ‘O, dus dat zeg jij’, en toen ging hij de lucht in.

Hier in de studio zijn ook artiesten die Nederlands gebruiken. Ik werk met een groepje jongens van elf, de Terrah Boys, de Terror Boys, die rappen:

Ik ben mezelf
Ik ben anders dan anderen
Ik ben uniek
dus ik hoef niet te veranderen
Ik heb m’n basis,
ben in m’n element.
Jongen ik laat je draaien,
compleet, als cement’

Met ‘ik laat je draaien’ bedoelen ze: je bent niks tegenover mij, ik ben veel te goed voor je. In die rapwereld is dat zo. Je hebt veel rappers die de competitie aangaan, maar je hebt ook rappers die dat niet doen, die de battle weg willen halen.

Van deze rapper, Feis komt binnenkort zijn eerste cd uit. Hij komt van de Middelandstraat en daar komt veel van zijn inspiratie vandaan. Op Youtube staat een nummer van hem, ‘Wolverine’, hij kruipt dan in de huid van de bendeleider:

Batra op schoot,
Louie ligt onder de passagier
We planken onderweg naar morgen.
Onderweg naar zorgen
Met Sam in de station
of met Si in de alfa
Ik takki met je baas motherfucker
ben de alpha

Batra is een fles drank, Louie zo’n tas van Louis Vuitton. Ze rijden de hele nacht door. Station is denk ik stationcar en de alfa kan een auto zijn maar ook een coffeeshop. Ik praat met je baas, dus niet met jou, bedoelt hij. Het gaat over het harde leven op straat, over armoede, straatshit, drugsdeals.

Dat stoere… Je omgeving doet het met je, al die grote rappers doen het, dus dan ga je het leuk vinden. Ik zeg altijd : kijk, als je het leuk vindt, beter doe je het nu. Nu ben je jong en dan kan je later denken, ‘Zo dat waren mooie tijden dat ik zo dom deed’, alcohol, chillen. Je wordt ouder vriend, als je later een gezin hebt, dan kan het niet meer. Geniet een beetje van je tijd en zie het als een grap. Sommige kinderen gaan er jaren mee door en dan belanden ze in de goot. Dat leg ik die jongens dan uit. Zoek je eigen woorden, denk na wat je echt wilt bereiken.

Anthony Lobato (27) is producer en artiest. Met zijn compagnon Martin Jacott richtte hij een muziekstudio in de Van Speykstraat op waar hij met Stichting Maeh zowel projecten voor jongeren en buurtbewoners opzet, als professionele artiesten begeleidt.

Reageer of deel op Social Media

Tags:carel van hees, Sanneke van Hassel, stadsgeheimen, straattaal en taal in rotterdam

Sectie: Human interest

kaart: tiendplein, rotterdam
Ontvang de wekelijkse Vers Beton newsletter!

Op Vers Beton discussiëren we met liefde. We horen daarom graag je mening. Houd daarbij wel onderstaande richtlijnen in gedachten, dan weet je zeker dat je reactie zichtbaar blijft:

  • draag inhoudelijk bij aan de discussie (en ja, humor mag, graag zelfs!)
  • blijf on-topic
  • speel op de bal, niet op de man

Verdiep de discussie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *