Oude Koeien7 januari 2015

Opkomst en ondergang van de Rotterdamse woonschool

Als het aan wethouder Eerdmans ligt gaan we notoire overlastgevers onderbrengen in speciale asowijken. Om de verwachtingen een beetje te dimmen: bijna dertig jaar geleden zette Rotterdam een streep onder een halve eeuw beleid van isoleren en heropvoeden. Dit gebeurde bijvoorbeeld in het Brabantse Dorp op Zuid en Laag Zestienhoven in Overschie.

Waspikstraat in het Brabantse Dorp, 1948
Waspikstraat in het Brabantse Dorp, 1948 Beeld Fototechnische Dienst Rotterdam

Wethouder Joost Eerdmans van Leefbaar Rotterdam wil notoire overlastgevers onderbrengen in wooncontainers aan de rand van de stad. De inspiratiebron voor dergelijke ‘asowoningen’, die al op diverse plekken in het land bestaan, is Denemarken. Daar begon men rond 2000 met zulke woningen, die in het Deens skaeve huse – rare huizen – heten.

Het is een succesformule, als we de evaluaties mogen geloven. Bijkomend voordeel van zo’n fris buitenlands concept: het doet je vergeten dat we ook een eigen traditie hebben op dit gebied.

Onmaatschappelijk

Tot ongeveer 1970 hadden diverse Nederlandse steden een aparte wijk voor ‘onmaatschappelijke gezinnen’. Den Haag nam in 1921 als eerste een dergelijke wijk in gebruik, Zomerhof. In 1925 volgde Utrecht met het Kerkwegcomplex en niet lang daarna Amsterdam met het Zeeburgerdorp en het Asterdorp.

In deze wijken werden families ondergebracht die vanwege hun afwijkende woongedrag niet in een gewoon huurhuis terecht konden. Vaak ging het om mensen die een grote huurschuld hadden, ruzie maakten met de buren of hun woning ernstig vervuilden. Ook mensen met crimineel gedrag, een alcoholprobleem of ouders die hun kinderen verwaarloosden werden wel tot deze groep gerekend.

Bedoeling was ze in deze complexen te heropvoeden zodat ze op den duur terug konden naar een normale woning. Vandaar dat ze ook wel woonscholen werden genoemd.

Gebombardeerd tot noodwoning

Rotterdam begon pas na de Tweede Wereldoorlog met woonscholen. Aanleiding was het bombardement van 14 mei 1940, dat circa 80.000 mensen dakloos maakte. Voor de mensen die door gebrek aan geld of een beperkt sociaal netwerk zelf geen onderdak konden vinden, bouwde de gemeente aan de randen van de stad en op de grond van buurgemeenten een reeks noodwoningen.

Vooral het complex aan de Noorderkanaalweg en het Brabantse Dorp aan het Zuidplein kregen al gauw een slechte naam. Daar woonden relatief veel mensen bij elkaar die het niet zo nauw namen met de geldende fatsoensnormen. Voor de gemeente Rotterdam was dat reden nu ook werk te maken van ‘onmaatschappelijkheidsbestrijding’.

Beschavingsoffensief

Na de bevrijding werd het complex aan de Noorderkanaalweg ontruimd, waarna een deel van de bewoners gedwongen verhuisde naar een leegstaand evacuatiekamp in Drenthe. Het Brabantse Dorp bleef open en ging vanaf eind 1947 officieel dienst doen als heropvoedingscomplex voor een paar honderd sociaal zwakke gezinnen. Daarbij ging het vooral om het aankweken van normbesef, want daar zou het vooral aan ontbreken.

Voor die beschavingsarbeid tuigde de gemeente een organisatie op met ongeveer veertig man personeel. Maatschappelijk werkers, gezinsverzorgers en geestelijk raadslieden gingen de bewoners bijstaan bij het huishouden, de opvoeding van de kinderen, en het omgaan met geld. Ook zagen ze toe op een ‘verantwoorde vrijetijdsbesteding’ in het wijkcentrum.

Vertrek

Nog afgezien van het feit dat sommige bewoners zich helemaal niet líeten heropvoeden, bleek terugkeer naar een gewoon huis vaak lastig te realiseren. De doorstroming was beperkt vanwege het enorme woningtekort, maar ook omdat verhuurders niet zaten te wachten op mensen die in het Brabants Dorp hadden gewoond. Bovendien wilde lang niet iedereen vertrekken, want de huren waren laag en de onderlinge contacten innig.

Begin jaren zestig vertrokken de bewoners alsnog, want het Brabants Dorp moest wijken voor stadsuitbreiding. Een deel vond elders een onderkomen. Een ander deel, vooral gezinnen die volgens de hulpverleners ‘blijvende zorg’ nodig hadden, kreeg in 1965 een huis toegewezen in het nieuwbouwwijkje Laag Zestienhoven of het naastgelegen noodwoningencomplex Landzicht. Daar in Overschie kregen ze gezelschap van enkele tientallen nieuwe probleemgezinnen van elders in Rotterdam.

Maatschappelijk belemmerd

Rond dezelfde tijd groeide de twijfel over het nut van dit soort projecten. Dat kwam voor een belangrijk deel doordat de ideeën over onaangepast gedrag aan het veranderen waren. De oorzaken van onaangepastheid werden niet alleen meer gezocht bij de betrokken individuen zelf, maar ook in hun omgeving en de maatschappij, die hun onvoldoende kansen bood op scholing en werk.

Het werk in Landzicht en Laag Zestienhoven ging weliswaar door, maar geleidelijk onder een andere noemer. Het heette geen onmaatschappelijkheidsbestrijding meer, maar opbouwwerk of buurtwerk. De bewoners werden niet langer bestempeld als ‘sociaal zwakken’ of ‘asocialen’, maar als ‘gezinnen met complexe sociale problematiek’ of ‘maatschappelijk belemmerde gezinnen’. En heropvoeden maakte stilletjes plaats voor activiteiten die moesten leiden tot de emancipatie van de bewoners.

Gevoel van onmacht

Eind jaren tachtig leken de hulpverleners bevangen door een groeiend gevoel van onmacht. Wat ze ook deden, steeds weer raakten gezinnen in financiële problemen, stopten jongeren met hun opleiding of verloren hun baan. Toen de buurtwerkers ongewild partij werden in een gewelddadige familievete, kwam er een einde aan de intensieve bemoeienis. In het voorjaar van 1992 sloot het wijkcentrum aan de Schipholstraat zijn deuren.

Een jaar later maakte een onderzoeker van de gemeente de balans op van bijna dertig jaar overheidsingrijpen. Het rapport leest als een oefening in nederigheid. De onuitgesproken conclusie: misschien hadden we de boel meer op zijn beloop moeten laten.

De bewoners bleven achter met de scherven: nog jaren na dato werden zij achtervolgd door het verleden van hun wijk. Om de zoveel tijd is de buurt weer even in het nieuws, bijvoorbeeld een aantal jaar geleden, na een grootscheeps renovatieproject of onlangs nog, toen de speeltuin was opgeknapt. En telkens worden de bewoners eraan herinnerd dat hun wijk nog altijd de reputatie van ‘indianendorp’ heeft.

Comeback

Het idee mensen onder te brengen in tijdelijke woningen buiten de stad is alweer een paar decennia helemaal terug op de agenda. Enkele gemeenten, zoals Kampen en Maastricht, zijn er in de jaren negentig mee gaan experimenteren.

Ook de woonschool leek rijp voor een comeback. In 2008 pleitte de directeur van woningbouwcorporatie Woonbron, Martien Kromwijk, voor de terugkeer ervan in Rotterdam. Hij had zelfs al een locatie op het oog: in de omgeving van het Zuidplein, waar ooit het Brabantse Dorp stond. Het is er niet van gekomen. Misschien waren er toch teveel mensen die er slechte herinneringen aan hadden.

Rubriek: Oude Koeien Wie het verleden kent, begrijpt het heden beter. Jacques Börger en Anne Jongstra blikken maandelijks terug op gebeurtenissen in het verleden van Rotterdam.

Lees meer:

Reageer of deel op Social Media

Tags:asodorp, brabantse dorp, Eerdmans, laag zestienhoven en woonschool

Sectie: Oude Koeien

kaart: Mare 33, 3075 SG Rotterdam, Netherlands
Ontvang de wekelijkse Vers Beton newsletter!

Op Vers Beton discussiëren we met liefde. We horen daarom graag je mening. Houd daarbij wel onderstaande richtlijnen in gedachten, dan weet je zeker dat je reactie zichtbaar blijft:

  • Draag inhoudelijk bij aan de discussie
  • Blijf on-topic
  • Speel op de bal, niet op de man
  • Wees respectvol: reacties waarin sprake is van schelden, haat, racisme of seksisme worden verwijderd
  • Reacties over huisregels en toelatingsbeleid worden verwijderd
  • We gaan niet in discussie over verwijderde reacties
  • Zie je reacties die niet aan de huisregels voldoen? Ons controlesysteem is niet waterdicht. Laat het ons weten via info@versbeton.nl

Verdiep de discussie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *