Kunst & Cultuur18 mei 2015

Rotterdam: veel meer kan een mens niet verlangen

Essay over de weerbarstige relatie van Rotterdam met de wederopbouw

Vandaag is het ‘opbouwdag’ – ieder jaar memoreert Rotterdam op die wijze de start van de wederopbouw. In dat licht een beschouwing van historicus Siebe Thissen, over de grillige relatie tussen stad, wederopbouw en bewoners.

Ontheemde burgers

Vijftig jaar geleden kwam er einde aan de wederopbouw. Ter gelegenheid van dat feestelijke moment schreef Rein Blijstra het prachtige boek Rotterdam. Stad in beweging (1965), een dikke pil die door het stadhuis werd aangeboden als relatiegeschenk. ‘Rotterdam is een dynamische stad, waar geen stille hoekjes meer zijn’, schreef Blijstra in een opvallend frisse toon, die vandaag niet zou misstaan op een site als Vers Beton. ‘Niet iedereen kan hier wonen en het zijn niet de slechtsten die de stad mijden. Maar het zijn ook niet de slechtsten die zich thuis voelen tussen al die bewegende delen van schepen, auto’s, machines en bruggen, tussen het knarsen, piepen, stampen, fluiten van al die haastige door mensen voortgedreven werktuigen. Zij die de stad bouwden hebben goede en verkeerde denkbeelden gehad, ze waren dikwijls verblind door de eisen van het ogenblik, de financiële bezwaren, een nerveuze haast die hen deed handelen zonder goed na te denken. Nee, Rotterdam is geen ideale stad geworden. Het had beter gekund, maar men bedenke: Parijs, Londen en New York hadden ook beter gekund. Rotterdam is Rotterdam, men neme het zoals het is. Veel meer kan een mens niet verlangen’.

Deze illustratie is tot stand gekomen in samenwerking met het Grafisch Lyceum. Simone Verlaan (18 jaar) zit in het 2e jaar van de opleiding Visualiseren. Beeld: Simone Verlaan

In 1965 werd weliswaar afscheid genomen van de wederopbouw, maar in feite was de wederopbouw al lang vastgelopen, als een oude Trabant in steeds diepere en vettere modderstromen. Steeds minder Rotterdammers gingen de stad in, om te kijken naar nieuwe bouwwerken, naar de gigantische betonnen skeletten, om te turen over schuttingen naar de toekomst van de stad. De bevolking begon het verlies van haar oude, vertrouwde stad te betreuren. Rotterdam had de botte pech, schreef journalist Hans Schoots, dat de Nieuwe Zakelijkheid na de oorlog de hele bouwpraktijk had doordrongen, waardoor de burger een ontheemde werd in het hart van zijn eigen stad. Het toch al zo bescheiden nachtleven had zich verplaatst naar straten die buiten het stadscentrum lagen – op de muisstille Coolsingel kon je een lijster horen zingen. Maar cultuur kan niet bloeien op functionalisme alleen, schreef hij. ‘Ze heeft duistere hoeken, doodlopende stegen en rokerige lokalen nodig, waar het onverwachte en onvoorspelbare kan broeien’.

Cultuur heeft duistere hoeken, doodlopende stegen en rokerige lokalen nodig, waar het onverwachte en onvoorspelbare kan broeien

journalist Hans Schoots

Geometrisch fundamentalisme

Helaas: voor onvoorspelbaarheid had de wederopbouw geen oog. Tijdens de wederopbouw was de synthesegedachte dominant – consensuspolitiek, zouden we vandaag zeggen. Kritiek was not done, eendracht was het parool, zwijgen de praktijk. ‘Wie niet meewerkt’, zei de socialistische wethouder Dries van der Vlerk, ‘mist ieder recht om kritiek uit te oefenen’. Aan het einde van de jaren vijftig kalfde die ideologie langzaam af. Er kwam kritiek op de voorspelbare stad, met zijn herhalende patronen van anonieme blokkendozen. Het gemopper werd aangevoerd door beeldend kunstenaars. Louis van Roode, dé kunstenaar van de wederopbouw, begon zich tegen de moderne architectuur zelf te keren, die hij statisch noemde en verweet dat ze ‘allerlei poespas en onzuivere elementen’ uit de stad had gezuiverd. ‘Ik voel de behoefte’, zei hij, ‘om op al die troosteloze grote grauwe vlakken grijs kleur en ingrijpende vormen aan te brengen’. Zijn tragische zelfmoord in 1964 had existentiële redenen, maar had ook te maken met zijn onvrede met betrekking tot de ontwikkeling die de stad had genomen. In de week dat hij zichzelf van het leven benam, zou zijn geliefde boerderij in IJsselmonde worden gesloopt. Het was destijds de hipste woon- en werkplek van Rotterdam; een ‘fabriek’ noemde een dagblad de boerderij, een plek waar tientallen kunstenaars voor Van Roode werkten, maar waar ook gefeest werd tot diep in de nacht. De boerderij moest plaats maken voor een wederopbouwwijk.

Ook Gust Romijn stelde zijn kunst in dienst van het gevecht tegen de architectuur van Rotterdam. ‘Al die godverdomde kastje op elkaar’, zei hij in een interview, ‘nergens meer een verrassing – die verrassing wil ik terugbrengen. Mijn beelden willen meespelen in het dagelijks leven, niet alleen maar een ding zijn dat mooi of lelijk staat te wezen tegen de achtergrond van een gebouw’. Studenten van de kunstacademie vormden een groep ‘verfpiraten’ en begonnen wederopbouwmonumenten te bekladden. Zij liepen vooruit op de Rotterdamse afdeling van Provo. Het geklaag in de kunstenaarscafés werd opgetekend door een Rotterdamse hoogleraar, Rob Wentholt. Hij zou met zijn boek De binnenstadsbeleving van Rotterdam (1968) definitief afrekenen met de stad van de wederopbouw, die hij van geometrisch fundamentalisme betichtte.

Ode aan grijs

Steeds meer kunstenaars kozen voor een guerrillatactiek waarin kleur hun belangrijkste wapen was. En hun grote vijand was ‘grijs’. Een protagonist van dat grijs was de stedenbouwkundige Rein Fledderus. Hij maakte deel uit van, zoals hij het zelf noemde, ‘een betrekkelijk kleine falanx van profeten’, die de wederopbouw en de Nieuwe Zakelijkheid in een staatsgreepachtige operatie had bevochten. In 1955 schreef hij een lofrede op grijs, omdat ook Parijs zo grijs en zo mooi was. Hij bepleitte het toepassen van gevelsteengrijs, grijs geglazuurde bakstenen, grijze geanodiseerde aluminiumgevels, geelgrijze Romeinse travertin en grijs gepolijst beton in de binnenstad. Inderdaad, de kleur van de wederopbouw was grijs – daar was over nagedacht. Het publiek dacht er echter anders over en noemde de stad niet grijs, maar grauw.

Meer dan grauw was de wijze waarop de wederopbouw aandacht besteedde aan de deportatie van en de moord op 6000 Joodse Rotterdammers (waaronder bijna 700 kinderen) tijdens de Holocaust. Helemaal niet dus. De nieuwe banken op de Blaak en de Coolsingel hadden joodse medewerkers en cliënten schandalig behandeld, hun bezittingen schaamteloos geplunderd en dwarsboomden ook na de oorlog herdenkingsprogramma’s in hun bedrijven. Uit naam van de wederopbouw werd op de Coolsingel bruin geld witgewassen. En in de stad werden woningen van gedeporteerde en gevluchte joden zonder veel discussie toegewezen aan nieuwe huurders (steeds meer Stolpersteine in de trottoirs, met daarop de namen van de oorspronkelijke bewoners, herinneren ons vandaag aan die tijd).

Pas in 1967, twee jaar na het einde van de wederopbouw, toen de televisie aandacht begon te besteden aan de oorlogsleed, bracht de joodse kunstenaar Loeki Metz de verschrikkingen van de Holocaust in twee bescheiden reliëfs tot uitdrukking. Het was een initiatief van de gemeenschap zelf. Geen enkel stadsbestuur had er aan gedacht een officieel monument te realiseren. Terecht merkte Marcel Möring onlangs op dat het leed van de Joodse Rotterdammers tijdens herdenkingen van het bombardement en de oorlog slechts de status van een voetnoot heeft. Een gunstige uitzondering op deze tenenkrommende episode was het gebaar van de Bijenkorf. Het winkelconcern verloor tijdens de oorlog meer dan 700 joodse personeelsleden en bood de stad, geheel onbaatzuchtig, twee unieke monumenten aan: De verwoeste stad van Ossip Zadkine en de sculptuur van Naum Gabo op de Coolsingel. De deplorabele staat waarin het beeld voor de Bijenkorf vandaag verkeert en de onwil een einde te maken aan de impasse rondom eigendom en onderhoud, zegt alles over het historisch tekort van de stad. Ook dat is een erfenis van de wederopbouw.

Terecht merkte Marcel Möring onlangs op dat het leed van de Joodse Rotterdammers tijdens herdenkingen van het bombardement en de oorlog slechts de status van een voetnoot heeft

Moord in Zuidwijk

Het dramatische einde van de wederopbouw voltrok zich in 1963. In de nacht van 8 op 9 februari vond in Zuidwijk een dubbele moord plaats in een tabakswinkel. De 38-jarige weduwe Barbara van der Hoff en haar 8-jarige zoontje Marcel werden op beestachtige wijze vermoord door een inbreker – doodgeslagen met een hamer, er was extreem veel geweld gebruikt, de lichamen waren geheel verminkt. De slachtoffers werden gevonden door één van de drie kleine kinderen van de weduwe. De ‘Brekelsveldse Moordzaak’ werd nooit opgelost. De zaak bezorgde de legendarische politiecommissaris Jan Blaauw een levenslang trauma (zelfs misdaadjournalist Peter R. de Vries besteedt nog steeds met enige regelmaat aandacht aan deze onopgeloste moordzaak – één van de meest roemruchte uit de Nederlandse geschiedenis). Honderden buurtbewoners werden destijds gehoord, verdacht gemaakt of tijdelijk gearresteerd. Iedereen bleek een potentiële moordenaar. De deuren gingen voortaan op slot, gordijnen werden gesloten en gemeenschappelijke tuinen omheind.

Het gebeurde allemaal in Zuidwijk, een spiksplinternieuwe wijk, een kroonjuweel van de wederopbouw – met veel ruimte, licht en groen. Tijdens de oorlogsjaren was de wijk al uitgedacht door een linkse studiegroep, die, geïnspireerd door ontwikkelingen in de Sovjet Unie, Rotterdammers een nieuwe en betere toekomst wilde bieden. Aan het eind van 1958 namen de eerste verwachtingsvolle winkeliers hun intrek in de nieuwe panden aan het Brekersveld. Vijf jaar later verdronk die utopische droom in een rivier van bloed. Het Rotterdamse duo The Amazing Stroopwafels schreef met Brekersveld een prachtig lied over de moordzaak en de gesmoorde toekomst in Zuidwijk:

‘Een touwtje uit de brievenbus, een kwestie van vertrouwen/Ook in Zuidwijk kan dat nog, waar ze nieuwe huizen bouwen/Op foto’s in de krant zag je de moeder met haar kinderen/Nog onbewust van het noodlot dat jij niet kon verhinderen/Misdaad is van alle tijden, maar ik kan er niet omheen/Een touwtje uit de brievenbus nu moordstad nummer één’

Weemoedig rondspoken

Toch blijft de wederopbouw in Rotterdam weemoedig rondspoken. Zoals in Oost-Europa de tijden van de communistische heerschappij weer nostalgisch worden herdacht (denk aan de vele ‘mementoparken’ met Sovjetkunst), zo blijft Rotterdam even nostalgisch terugblikken op zijn wederopbouw (denk aan festivals, herdenkingsprogramma’s en tourguides). Rotterdam houdt nu eenmaal van bouwen, van grijze stenen, van de grijze markthal en de grijze kolos van Rem Koolhaas – de wederopbouw van nu. Hipsters, bakfietsouders en studenten hebben de plaats ingenomen van de arme sloebers en zwoegers die ooit de wederopbouwgebieden bevolkten. Want wie vandaag in Rotterdam niet bijdraagt aan productinnovatie en winstmaximalisatie, schreef Zinhi Özdil in NRC Handelsblad, ‘die kan lekker opzouten’.

Fijn, die aandacht voor de wederopbouw, maar we vergeten al te vaak dat in al die gebouwen waarvoor we vandaag zoveel belangstelling tonen, ook mensen schuilgingen – gewone mensen, die zich hier de blubber werkten voor een habbekrats; die hun gezinnen met vallen en opstaan een betere toekomst probeerden te geven. Prima, laten we die oude grijze stad opnieuw in bezit nemen, maar laat dit keer ook de in het beton gestanste herinneringen horen – vang de echo’s die nog nagalmen in de portiekflats, in voormalige fabriekshallen en kantoorgebouwen, op straten en pleinen, in openbare kunstwerken.

Wees minder grijs dan je voorgangers. Breng achter je laptop ook begrip op voor al die nakomelingen van de wederopbouw die steeds verder naar de randen van de stad worden geduwd, omdat ze de huren of peperdure smoothies niet langer kunnen betalen. Transformeer de wederopbouwarchitectuur in een laboratorium waar we naar hartenlust innoveren, maar ook creatieve oplossingen bedenken voor de sociale thema’s van vandaag: armoede, werkloosheid en de steeds striktere Apartheid tussen hoger- en lager opgeleiden. In de wereld van apps, gadgets, games, robots, start-ups en disruptive innovation hebben we steeds minder arbeidskrachten nodig (en als we filosoof Hans Schnitzler mogen geloven, is de creatieve klasse van vandaag het digitale proletariaat van morgen). In dit opzicht biedt Rotterdam – met de meeste gedeklasseerden van alle Nederlandse steden – een geweldige uitdaging. Hoe vinden we onze stad opnieuw uit? Die vraag was de springveer van de vorige wederopbouw; laat het ook de motor van de Oostelijke Binnenstad en de PC Hoogstraat zijn. Want Rotterdam is Rotterdam, men neme het zoals het is. Veel meer kan een mens niet verlangen.

Reageer of deel op Social Media

Tags:architectuur, de bijenkorf, jan blaauw, marcel möring, Naum Gabo, ossip zadkine, siebe thissen, wederopbouw, Witteveen en Zihni Ozdil

Sectie: Kunst & Cultuur

kaart: de Bijenkorf, Coolsingel, Centrum, Rotterdam, Nederland
Ontvang de wekelijkse Vers Beton newsletter!

Op Vers Beton discussiëren we met liefde. We horen daarom graag je mening. Houd daarbij wel onderstaande richtlijnen in gedachten, dan weet je zeker dat je reactie zichtbaar blijft:

  • Draag inhoudelijk bij aan de discussie
  • Blijf on-topic
  • Speel op de bal, niet op de man
  • Wees respectvol: reacties waarin sprake is van schelden, haat, racisme of seksisme worden verwijderd
  • Reacties over huisregels en toelatingsbeleid worden verwijderd
  • We gaan niet in discussie over verwijderde reacties
  • Zie je reacties die niet aan de huisregels voldoen? Ons controlesysteem is niet waterdicht. Laat het ons weten via info@versbeton.nl

Verdiep de discussie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *