Stedelijke ontwikkeling & architectuur25 mei 2015

Rotterdam, wat nu?

Bezinning op een stad die het heden maar niet onder ogen durft te komen

De burgemeester knipte niet het lint, maar knoopte het lint. Hij maakte er een sterke strik van en hield die glunderend omhoog. We waren bij de opening van De Aanval. De symboliek straalde de zaal in. Heden en verleden, Nederland en Duitsland, het bombardement en de wederopbouw, het was allemaal verenigd in die knoop. We klapten ons de blaren op de handen en waanden ons, twaalfhonderd bevoorrechte Rotterdammers,  een hele vent. Rotterdam gaat nooit meer kapot, dachten we, terwijl we ons naar de tentoonstelling spoedden.

Dit jaar herdenken we het bombardement. Volgend jaar vieren we de wederopbouw. Heden, verleden en toekomst van Rotterdam krijgen allemaal de strik van Aboutaleb om en worden getoond als presentjes aan het toegestroomde publiek uit binnen- en buitenland.

Maar goede kadootjes vergen bezinning. We moeten weten wat we willen geven. Daarom gaan we de stad tegen het licht houden. We zien dat er veel af is in Rotterdam. We zien dat er veel ontbreekt in Rotterdam. We zien hoe onze stad  zich soms zomaar kampioen waant, om een dag later weer te vervallen in de vertrouwde routine van moedwil en misverstand.  Rotterdam leeft niet, lijkt het vaak –Rotterdam wordt geleefd. We vragen ons daarom af: Rotterdam, wat nu?

Glimmend verschijning

Ja Rotterdam, wat nu? Nu je haar eindelijk goed zit, je pak strak is gesneden en je schoenen glimmen als nooit tevoren. Je bent niet langer de stuurse, shagrokende vakbondsman. Je bent een glimmende verschijning met de halve marathon nog vers in de benen. Je hebt alleen niet zoveel te vertellen. En je kunt ook niet zoveel vertellen. Al was het maar omdat je politiek bent opgezadeld met een wankele coalitie die permanent moet koorddansen. En die elkaar vindt in ferme taal en stoere bravoure op beurtelings de linker- en de rechterflank. Dat bijt elkaar geen moment en dat praat dus lekker weg. Maar hol klinkt het wel.

Je bent niet langer de stuurse, shagrokende vakbondsman

Jan Hiddink, programmacoördinator WORM

Metropooltje

Wat nu Rotterdam, nu je eigenlijk wel weet dat hoogbouw rijmt op leegstand? ’s Avonds, met de zon onder onder en de lichten aan, durf je amper omhoog te kijken in je bloedeigen stad. Je weet dat je bouwkundige machobewind, in fatale omarming met de muze die projectontwikkeling heet, heeft gezorgd voor een stad die bij daglicht staat te pronken en die ’s avonds een verdrietige werkelijkheid prijsgeeft. Brandde er maar ergens licht. Waren er maar meer mensen met geld – liefst een beetje legaal verdiend. Was je maar wat populairder. Soms, op heel bange momenten,  besef je dat je een stad bent die al tijdenlang metropooltje speelt. Soms ben je bang dat anderen dat doorzien. Kon je maar eens jezelf zijn, denk je dan. Maar daar ben veel te stoer voor. Want ja, door weer en wind, linksom of rechtsom, je bent een stoere vent.

Je durft ook een heleboel. Geen mens die jou een mietje zal noemen. Dik tien jaar geleden begon je daarmee – met dat harnekkige, merkwaardige gesnoef waarbij je zelf meent te moeten benoemen wat anderen ook heus wel zien.  En dus zei je: “Rotterdam durft”. Vlag na vlag op de Coolsingel wapperde het de wereld tegemoet. “Rotterdam bluft”, zeiden anderen, die het konden weten.  Je trok telkens weer een net te grote broek aan en struikelde keer op keer. Je was geen Hollywood aan de Maas, geen Monaco en ook geen Manhattan aan de Maas. Maar je dacht van wel. Kwam de Tour de France naar Rotterdam, wilde je ineens een onbetwiste fietsstad zijn. De groenste stad van Europa? Werd ook geregeld. Asjemenou? Hatsikidee! Kendoe! En iedereen moest het voortaan altijd weten, voorbij waren de tijden waarin de grootste haven van de wereld een wapenfeit was. Voortaan was je de eerste. Je was de snelste.  Je had de grootste, de langste, de hoogste, de dikste. En je liet niet na dat ook te verkondigen. En de rest van het land lachte in het vuistje. Ik hoorde ooit: “Wat is het toch jammer dat er in Rotterdam zoveel mislukt.” Want ja, je werkte harder dan waar ook. En dat leverde misschien wel minder op dan waar ook.

Beeld: Saskia Haex

Gabber

Wat je echt op je conto kon schrijven, namelijk gabber, daarmee wilde je liever niet geassocieerd worden. Je trok – selectief, maar ook weer niet totaal onzinnig – een rechtstreekse lijn met voetbalvandalisme en toen dat een paar keer goed fout ging kreeg je een bijna ziekelijke obsessie met veiligheid die tot op de dag van vandaag voortduurt.

Dus Rotterdam, wat nu? We komen om in de veiligheid, en nog is het niet genoeg. Je hebt na Fortuyn op links en op rechts de even ontevreden als onverzadigbare burger op een voetstuk gehesen waar we hem misschien wel nooit meer af krijgen. Je moet alsmaar door de knieën. Heb je net een mooie avenue geopend, begint vijfhonderd meter verderop het gezanik alweer, omdat het zebrapad onveilig is. Je blijft dweilen. Het houdt nooit op.

Terwijl je eigenlijk de hoogte in wil, met glimmende torens, mondaine allure en nieuwe toekomstdromen – in een stad die zweert bij het verleden, die droomt van de toekomst maar die zelden of nooit simpelweg het heden onder ogen komt. Want dat ligt lastig, het heden. Liever steek je de armen nog verder uit de mouwen en timmer je aan alweer een schutting in de stad waarop je dan teksten schrijft van het type “Hier bonkt het hart van Rotterdam”. Er is geen stad in Nederland waar het minderwaardigheidscomplex zo hard van de gevels wordt geschreeuwd. Geen stad ook, die zo geobsedeerd is met zichzelf.

Hart en ziel

Nu ja, we weten ook wel waarom. Er is je vroeger iets overkomen. Hart en ziel zijn je in 1940 ontnomen. Daar ben je een beetje raar van geworden. De vergeefsheid is toen in het DNA van de stad geslopen. Je hebt een permanent besef dat vroeger of later alles verspilde moeite zal kunnen zijn. Daarom koester je de pop upjes ook zo. Je houdt van tijdelijkheid. Je vreest de eeuwigheid.

Maar kom op ouwe. Je bent dit jaar vijfenzeventig geworden. Je hebt al tien jaar langer doorgebuffeld dan noodzakelijk. Het wordt tijd om een stapje terug te doen. Kijk om je heen. Je parkeergarages staan leeg. Je woontorens staan leeg. Je kantoren staan leeg – alleen maar omdat jij je zo nodig moest bewijzen. Je bent, laten we het netjes zeggen, ruimschoots toekomstbestendig. Je kunt vooruit. Je hoeft ook geen nieuwe Kuip. Je hoeft geen nieuw poppodium. Je hoeft geen nieuw Collectiegebouw. Je kunt eindelijk werk maken van de dagelijkse praktijk die een stad tot stad maakt. Doen ze elders ook. Je kunt eindelijk het heden onder ogen komen. Je kunt de stad eindelijk overdragen aan nieuwe generaties, die het Rotterdam van het heden zullen omarmen.

De sectie Stedelijke Ontwikkeling & Architectuur wordt mede mogelijk gemaakt door AIR, het Architectuur Instituut Rotterdam. (meer info)

Reageer of deel op Social Media

Sectie: Stedelijke ontwikkeling & architectuur

kaart: Onderzeebootloods, Rotterdam

Op Vers Beton discussiëren we met liefde. We horen daarom graag je mening. Houd daarbij wel onderstaande richtlijnen in gedachten, dan weet je zeker dat je reactie zichtbaar blijft:

  • Draag inhoudelijk bij aan de discussie
  • Blijf on-topic
  • Speel op de bal, niet op de man
  • Wees respectvol: reacties waarin sprake is van schelden, haat, racisme of seksisme worden verwijderd
  • Reacties over huisregels en toelatingsbeleid worden verwijderd
  • We gaan niet in discussie over verwijderde reacties
  • Zie je reacties die niet aan de huisregels voldoen? Ons controlesysteem is niet waterdicht. Laat het ons weten via info@versbeton.nl

Verdiep de discussie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *