De week van Carnisse24 september 2015

Revolutie op buurtniveau

Een week lang Carnisse: Hoe een kwijnend clubhuis weer tot leven kwam

Het wijkcentrum Hart voor Carnisse is de spil in een machine van dienstbaarheid. Een zwaar bevochten spil, dat wel, want het centrum is eigenlijk te onafhankelijk. “Je moet het niet voor de mensen gaan doen, je moet het ze zelf laten opknappen. Dat is het lastige.”

Op canvas geprinte klaprozen omhullen de spijlen van de balkonnetjes op de Texelsestraat. Het rood van de afgebeelde bloemen komt terug op de gevel van het Centro Evangelico Iglesia di Dios en breekt de grijze rij arbeiderswoningen. Midden op de dag is het rustig in de Eilandenbuurt. Af en toe wordt de stilte doorbroken door een voorbijrazende scooter, of een meeuw die luidkeels zijn recht op een stuk afval verkondigt. Midden in deze buurt, verscholen in een knik in de weg, bevindt zich het wijkcentrum Hart voor Carnisse. Af en toe loopt er een Carnissenaar langs het hek van het gebouw: de een gehaast naar het Zuidplein, de ander rustig in de richting van het Zuiderpark, waar het koele groen lonkt. De volgende stapt binnen. Zijn begroeting doet vermoeden dat we al heel lang kennissen, misschien zelfs wel buren kunnen zijn. “Goedemorgen! Heerlijk weer, ja toch?”

Inderdaad. Het wordt zomer in Carnisse.

De Arend en de Zeemeeuw sloot op 31 december 2011 haar deuren. Vijftig jaar eerder stond op dezelfde plek een houten huisje, de Arend, waar jongens uit de buurt samenkwamen voor sport, spel en vertier. Later voegde de extensie ‘de Zeemeeuw’ zich bij de naam en opende het gebouw haar deuren ook voor meisjes. Gedurende de daaropvolgende decennia ontwikkelde het gebouw zich tot meer dan een clubhuis voor jongeren – het werd een plek waar Carnisse samenkwam. Tien jaar geleden werd het overgenomen door Charlois Welzijn, raakte het afhankelijk van subsidie en deden de crisis en de daaropvolgende bezuinigingen het centrum de das om. In een paar jaar tijd raakte het gebouw in verval en de tuin overwoekerd. En, minder in het oog springend, maar net zo prangend: de bewoners van Carnisse hadden geen plek meer waar ze elkaar ongedwongen tegen het lijf liepen, een praatje maakten, elkaar simpelweg ontmoeten. Julia Wittmayer, actieonderzoeker bij DRIFT: “Het clubhuis was een plek waar mensen uit deze buurt herinneringen hebben aan hun eerste zoen.”

Vliegwielmomentum

Wittmayer lijkt zich samen met haar collega’s op wetenschappelijk glad ijs te begeven. Ze wil verandermomenten in de sociale werkelijkheid niet alleen begrijpen, maar zo’n verandering waar nodig ook aanzwengelen of versnellen. Ze neemt kortom zelf deel aan het experiment dat ze onderzoekt. Dit soort actieonderzoek is typisch voor DRIFT. Het instituut doet onderzoek naar transities. Grote, zoals de industriële revolutie, en kleine, zoals de heropening van een wijkcentrum in een wijk in Rotterdam Zuid. Wanneer die kleine transities succesvol blijken, hebben ze de potentie uit te monden in een meeslepende omwenteling van de maatschappij. Zo’n groots proces komt op gang wanneer de kleine veranderingen, die een alternatief bieden op een gangbaar systeem dat niet langer werkt, als een vliegwiel het momentum weten te pakken.

Als je het aan Derk Loorbach vraagt, is Veerkracht Carnisse zo’n kleine transitie die bij kan dragen aan een grotere, maatschappijbrede verandering. De directeur van DRIFT signaleert verschillende trends die de roep om een ommekeer versterken: de vergrijzing, een instabiele (internationale) markt en de ecologische degradatie zijn voorbeelden van problemen waarvoor ons huidige systeem geen oplossingen voorhanden heeft. Beleid noch de vrije hand van de markt lijken (meer) in staat om oplossingen te genereren die op de lange termijn duurzaam zijn. Veerkracht Carnisse beweegt zich in de ruimte van bovenaf geïmplementeerde plannen, en van onderop ontstane ideeën. Veerkracht bouwt daarmee aan een oplossing die niet uiteen spat wanneer één van de dragers zich terugtrekt of implodeert, zoals recentelijk met respectievelijk de overheid en de markt gebeurde.

“Volgens het huidige systeem moet je wachten tot het probleem zo erg is dat actie noodzakelijk is, want dan ben je gedekt”

Omgekeerde boom

Carnisse wordt al jaren geplaagd door de typische problemen en stigma’s die horen bij een achterstandswijk. Talloze wijkprojecten moeten werkeloosheid, schooluitval of armoede tegengaan, maar structurele oplossingen bieden ze niet. Om alle initiatieven in kaart te brengen, werkt de deelgemeente met een Doelen Implementatie Methode, kortweg DIM-boom. De takken van de DIM-boom buigen door onder talloze doelen en initiatieven, elk onderverdeeld in kaders en afdelingen, zoals onderwijs of buitenruimte. Aanvankelijk kreeg Veerkracht Carnisse ook een plek in de boom, tot ongenoegen van Wittmayer en Loorbach. Wittmayer: “Wij zijn niet binnen één zuil bezig, maar juist overal. We willen verbindingen maken. Zie ons als een explosie.” Loorbach vult dat beeld aan: “Wij gebruiken als symbool ook weleens een omgekeerde boom. We beginnen vanuit de wortels, de haarvaten in de wijk. Dat zijn de mensen die in de wijk wonen, werken, naar school gaan en buiten komen. Zij beperken zich ook niet tot één bepaald domein, waarbinnen al hun problemen zich afspelen. Die inclusiviteit, dat is onze filosofie.”

De onderzoekers wijzen op het gebrek aan continuïteit in de projectencarrousel. Want daarachter zit ook een draaimolen aan mensen, waarvan niemand langere tijd bij de wijk betrokken is en waardoor echte verbintenis ontbreekt. Deze top-downstrategie mondt uit buurtbarbecues, voorleesacties of Opzoomerinitiatieven: inwisselbare initiatieven die naadloos van de ene naar de andere context te knippenplakken zijn. Vervolgens meet niemand de impact op de wijk. Wat resteert als alle goede bedoelingen weer vertrokken zijn? Volgens Loorbach is zo’n aanpak niet meer dan symptoombestrijding. Hij gaat nog een stap verder: “In dit systeem van kortstondige projecten gaat een hoop geld om. Het systeem is zo georganiseerd – of ongeorganiseerd, het is maar hoe je het bekijkt – dat het de huidige problemen in stand houdt. Als je er cynisch naar kijkt, is het zelfs alsof de gemeente en de andere partijen in het sociale domein, welzijnsclubs en opbouwwerkers, allemaal een belang hebben bij het voortbestaan van een achterstandswijk.”

Beeld: Frank Hanswijk

Weer een initiatief

De aanpak van DRIFT in Carnisse is anders. De actieonderzoekers van DRIFT gebruiken wat er al is in een wijk, aan bewoners, infrastructuur en netwerken, en zetten die vol in om een wijk te creëren die weer vertrouwen in zichzelf krijgt en die het stigma van de afhankelijke achterstandswijk eigenhandig van zich af kan schudden.

De sleutel daartoe is in Carnisse de heropening van het oude clubhuis, de Arend en de Zeemeeuw. Carnisse vroeg al langer om een publieke plek en dus maakte DRIFT er een actieplan van. Het begon met het organiseren van netwerkbijeenkomsten met de onderzoekers en bewoners die zich wilden inzetten voor de heropening. Hieruit ontstond een actiegroep. DRIFT plaatste een oproep op de site om het wijkcentrum nieuw leven in blazen en trok zo de aandacht van de deelgemeente. Naast dit platform hielp DRIFT bij het schrijven van een businessplan en met de formaliteiten bij de notaris. Vanzelf ging het allemaal niet, want er bestond inmiddels een gezond wantrouwen in de wijk. “Bij veel bewoners was het sentiment: oh, daar komt weer een initiatief, weer een onderzoeker, weer een project”, zegt Loorbach. “Door al die kortetermijninitiatieven was er een ingesleten wantrouwen en passiviteit.”

Van de vier jaar dat DRIFT bezig is in Carnisse gingen er twee ‘op’ aan het opbouwen van een vertrouwensband met de bewoners, instellingen en de (deel)gemeente. “Dat is alleen gelukt omdat we duidelijk konden maken dat we voor de lange termijn gaan. Uit ons contact met bewoners dwars door de wijk heen hebben we ontdekt waar de problemen en kansen zitten.” Het wijkcentrum was zo’n kans, en daar zijn DRIFT en Carnisse samen vol voor gegaan.

“Bij veel bewoners was het sentiment: oh, daar komt weer een initiatief, een onderzoeker, een project”

Basaal en belangrijk

Het doel van DRIFT is dus niet zozeer het introduceren van een methode of plan hoe het wel moet, maar eerder een impuls geven aan een proces dat al plaatsvindt. Deze onconventionele houding strijkt de organisaties die ook in de wijk actief zijn, nogal eens tegen de haren in. Dit bleek bijvoorbeeld bij een interventie op school. Loorbach legt uit: “Een medewerker van Bureau Frontlijn merkte op dat een jongen vaak te laat op school kwam. Die medewerker sprak die middag de moeder aan met de vraag of ze iets kon betekenen.” De moeder was blij met de hulp, waarna ze samen met Frontlijn een structuur voor thuis ging ontwikkelen. Huiswerk maken, samen eten, kleren klaarleggen voor de volgende dag, de wekker zetten. Basaal, maar belangrijk. Na een paar dagen geholpen te hebben was de medewerker al weer weg.

Pas na een paar weken – na een formele melding op school, het opstellen van een behandelplan en een interventie die tot de wethouder aan toe goedgekeurd moest worden – kwam er iemand van het wijkteam langs. De moeder meldde dat de situatie inmiddels onder controle was. “Vervolgens kregen wij het verwijt dat we er informeel tussendoor waren gegaan”, zegt Loorbach. “Wat inderdaad zo was. Maar volgens het huidige systeem moet je wachten tot het probleem zo erg is dat actie noodzakelijk is, want dan ben je gedekt. In plaats van op vertrouwen is de geformaliseerde behandelstrategie gebaseerd op controle en standaardisering.”

Beeld: Frank Hanswijk

Kanttekeningen

Hoe legitiem de systeemkritiek ook is, het is datzelfde systeem dat Veerkracht Carnisse financiert, want de gemeente betaalt. Daarnaast kost zo’n aanpak veel tijd, vooral in de eerste fase waarin het onderzoek moet landen en de aanpak bepaald wordt. Er is bovendien geen garantie dat succes beklijft op de lange termijn, ondanks de investeringen in financiën en tijd. Daarnaast is sturing van DRIFT altijd nodig geweest, ook om het reilen en zeilen van het wijkcentrum te ondersteunen. DRIFT-actieonderzoeker Wittmayer begrijpt de kritiek. “Elk project ondergaat fases, dat heeft niets te maken met onze manier van samenwerken. We geven een impuls, met als doel dat het zich uiteindelijk zelf kan bestendigen. Als een slinger, zodat Carnisse op een andere manier verder kan.” Loorbach stemt in: “Collega’s van DRIFT hebben geholpen met het opstellen van een businessplan toen het wijkcentrum weer openging. Zulke interventies van buiten zijn wel nodig, maar die zijn heel anders dan het soort initiatieven dat nu gangbaar is. Je moet het niet voor mensen gaan doen, het moet uit henzelf komen. Dat is het lastige. Wij proberen de mogelijkheden te creëren, te stimuleren en soms ondersteunen om het zelf te doen.”

En als een dergelijke transitie eenmaal heeft plaatsgevonden, volgt er dan niet gewoon een volgende institutionaliseringsslag, met alle lethargie van dien? “Ik geloof niet in alleen maar bottom-up. Instituties hebben waarde, bijvoorbeeld om toegang tot steun te garanderen en democratische waarden te waarborgen. Maar elke keer dat we nu constateren dat iets niet werkt, breidt de oplossing zich uit met een extra laagje. Het is gefragmenteerd, oké, dan maken we een overlegplatform waar we gaan afstemmen. Maar dat zorgt eigenlijk alleen maar voor meer fragmentatie. De omvang van de professionele sector is de afgelopen twintig jaar verdrievoudigd terwijl het aantal zwerfjongeren hetzelfde is gebleven. We moeten op zoek naar instituties en structuren die functioneel en dienend zijn, in plaats van tijdrovend en duur.”

Op alle fronten onmisbaar

Welke elementen van Veerkracht Carnisse uiteindelijk beklijven, is nog onduidelijk. Wittmayer: “We wisten aanvankelijk niet waar we uit zouden komen. Het kan ook zomaar misgaan, dat is het risico van een experiment. Eigenlijk kun je pas na twintig of dertig jaar bepalen of er sprake is geweest van een transitie.”

Toch kan het behoud van het wijkcentrum zonder twijfel nu al een succes genoemd worden. Sinds juni 2013 is het wijkgebouw, nu Hart voor Carnisse, weer volop in bedrijf. Diens tweede leven is symbolisch in een wijk die zich opnieuw aan het uitvinden is. Na het sluiten van de Arend en de Zeemeeuw in 2011 leed de wijk emotionele schade doordat een stuk van haar verleden verdween, maar in praktische zin was er ook geen locatie meer waar bewoners en organisaties konden samenkomen om te vergaderen. “Toen we hoorden dat het wijkcentrum dichtging, kwamen we met een actiegroep bijeen om te kijken wat we konden doen om het centrum te behouden”, vertelt Wittmayer. “We maakten de roep om heropening openbaar. Dat viel niet goed bij de wijkmanager, we gingen immers tegen het beleid van de deelgemeente in. Een politieke discussie volgde. Later belde ze echter met de vraag of ze de wijkbijeenkomst in het wijkcentrum mocht houden! Het wijkgebouw is gewoon onmisbaar, voor alle lagen en mensen in deze wijk.”

Beeld: Frank Hanswijk

Geen subsidie nodig

Het gebouw is ‘slechts’ een decor voor de activiteiten die zich daarbinnen afspelen, maar wel goedgevuld. Zelfs op een rustige woensdagochtend is er in bijna elke ruimte iets te doen. Boven wordt Nederlandse les gegeven aan migranten, kleintjes spelen in de crèche en uit de ruime, vanuit de gemeenschappelijke keuken kringelen etensgeuren het gebouw in.

De lasten van de wederopbouw van het wijkcentrum worden gedragen door twee paar sterke schouders: Mirjam Murre en Marlies Gerritsma. Murre: “Je kunt ons typeren met één woord: open.”

Het wijkcentrum nodigt inderdaad uit. Bij binnenkomst wordt altijd vriendelijk gelachen, en verloren uitziende bezoekers krijgen hulp aangeboden. Het is een plek waar mensen op een laagdrempelige manier bij elkaar terecht kunnen, of dat nu is voor praktische hulp bij het omgaan met de computer, of steun bij een persoonlijk probleem. “Dat fysieke contact wordt onderschat in onze digitale wereld”, vindt Wittmayer. “Je praat niet gauw over een gevoelig onderwerp, zoals een financiële schuld of armoede, in een omgeving die niet vertrouwd is. In een kwetsbare wijk als deze kan dat hier wel.” Volgens Murre en Gerritsma is ‘verstopte armoede’ een belangrijk probleem in de wijk, alhoewel de ellende zich niet altijd laat verstoppen. “We letten op of kinderen hier met nette kleren komen”, geeft Gerritsma een voorbeeld. “Als dat niet het geval is, geven we ze iets mee.”

Het was echter een flinke strijd om na het sluiten van de Arend en de Zeemeeuw een doorstart te maken met Hart voor Carnisse. Murre en Gerritsma hebben daar hard voor moeten knokken. “Het probleem is dat we zo onafhankelijk zijn”, stelt Gerritsma. “Veel partijen huren bij ons, waardoor wij  eigenlijk geen subsidie nodig hebben. Die vrijheid botst nog al eens met de wens van de instellingen om hier in de wijk te sturen.”

De dames hebben behoorlijk wat hordes moeten nemen. Maar de dankbaarheid die zij terugkrijgen van de kinderen, moeders, verzorgers, sportievelingen, docenten, kerkbezoekers en iedereen die het wijkcentrum binnenstapt, houdt hen op de been. Gerritsma legt uit: “Een paar jaar geleden klopte een kerkgenootschap bij ons aan, met de vraag of we een plekje voor ze hadden. Overal waren ze al afgewezen. In Nederland is het nog altijd zo dat als er drie zwarte mensen voor je staan er opeens geen plek is. Wij zeiden: ja hoor, wat wil je doen? Hier hebben jullie de sleutel. Ze stonden met tranen in de ogen. Ik hoor het ze nog zeggen: God bless you! Dat zijn de dingen die je motiveren.”

Rotterdamse ontvangstkamer

De demografische dynamiek van de wijk kan ook een struikelblok zijn. Zo woont bijna 60 procent van de bewoners nog geen vijf jaar op één adres. Carnisse fungeert min of meer als Rotterdamse ontvangstkamer voor migranten en mensen uit het buitengebied die uiteindelijk willen doorstromen naar de stad. Die verhuizerige natuur roept de vraag op of een project als Veerkracht, of überhaupt initiatieven om de wijk structureel vooruit te helpen, goed blijven plakken. Loorbach ziet er de ernst van in: “Waar we nog niet succesvol in zijn, is Veerkracht Carnisse echt duurzaam te maken. Het oude systeem draait er nog steeds omheen en kleine successen moeten continu bevochten worden. Er is nog steeds een impuls van buitenaf nodig om weerstand te bieden aan de institutionaliseringsdrift van gemeente en projectontwikkelaars. Het is allemaal zo kwetsbaar.”

Alleen als de bewoners van Carnisse actief voor hun wijk opkomen, wint de kracht het van de kwetsbaarheid. Loorbach: “De participatiesamenleving is voor een groot deel een tegenbeweging. Mensen hebben het idee dat de overheid of de markt niet doet wat nodig is, dus nemen ze zelf initiatief, soms tegen de wens van de overheid in. De participatiesamenleving is dus vooral de ‘fuck you’- samenleving.”

Dat vereist een weerbaarheid die moeilijk te voeden is, laat staan in een achterstandswijk. Maar toch zien zowel de onderzoekers als de medewerkers van het wijkcentrum dat er een kern is die zich actief voor de wijk inzet. Die inclinatie tot collectiviteit komt in Carnisse misschien wel door het feit dat samenwerken geen luxe is, maar noodzaak. Veel bewoners redden het niet zonder een helpende hand van een medebewoner, of dat nu gaat om sociale controle wanneer de kinderen in de speeltuin spelen, of om hulp bij het huiswerk. Het feit dat er de afgelopen jaren flink is bezuinigd op ondersteunende welzijnsstructuren maakt dat het wijkcentrum een unieke plaats inneemt, als de spil in een machine van dienstbaarheid. Het centrum kan zich daadwerkelijk weren tegen een systeem dat continu stuurt op afbraak en planmatige herontwikkeling.

“De wijkmanager, die tegen heropening was, belde met de vraag of ze de wijkbijeenkomst nota bene in het wijkcentrum mocht houden. Het wijkgebouw is gewoon onmisbaar”

Precaire balans

Begin juni 2015 is bekend geworden dat Hart voor Carnisse een Huis van de Wijk wordt. Dit betekent dat Murre en Gerritsma nu betaald krijgen voor het werk dat zij jarenlang vrijwillig deden: een mijlpaal in het bestaan van het wijkcentrum. Hoewel het voortbestaan van Hart voor Carnisse hiermee is verzekerd, krijgt subsidie en daarmee de gemeente, weer een rol in het centrum. De balans tussen onafhankelijkheid en economische duurzaamheid is precair en de ideale vorm is nog niet gevonden. Veerkracht Carnisse gaat juist over die schijnbare tegenstrijdigheden en de kansen die in diens schemergebied ontstaan. Het project toont aan dat er geen verschil is tussen proces en context en dat grote problemen lokaal aangepakt kunnen worden. Het omvormen van een kansarme wijk naar een zelfredzame gemeenschap kan alleen als het gedragen wordt door alle bewoners en organisaties die daar actief zijn. Het is mensenwerk, en het wijkcentrum leidt de weg.

Het magazine over Carnisse wordt dinsdag 29 september om 17.00 uur gepresenteerd in de Carnissetuin, gelegen aan de Carnissesingel, nummer 208, te Rotterdam-Zuid. Je bent van harte uitgenodigd.

Lees meer:

Reageer of deel op Social Media

Tags:arend en de zeemeeuw, derk loorbach, julia wittmayer, Marlies Gerritsma, Mirjam Murre, veerkracht carnisse en wijkcentrum Hart voor Carnisse

Sectie: De week van Carnisse

kaart: Texelsestraat 18, Rotterdam, Nederland
Ontvang de wekelijkse Vers Beton newsletter!

Op Vers Beton discussiëren we met liefde. We horen daarom graag je mening. Houd daarbij wel onderstaande richtlijnen in gedachten, dan weet je zeker dat je reactie zichtbaar blijft:

  • Draag inhoudelijk bij aan de discussie
  • Blijf on-topic
  • Speel op de bal, niet op de man
  • Wees respectvol: reacties waarin sprake is van schelden, haat, racisme of seksisme worden verwijderd
  • Reacties over huisregels en toelatingsbeleid worden verwijderd
  • We gaan niet in discussie over verwijderde reacties
  • Zie je reacties die niet aan de huisregels voldoen? Ons controlesysteem is niet waterdicht. Laat het ons weten via info@versbeton.nl

Verdiep de discussie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *