voor de harddenkende Rotterdammer

Net als nu ging er rond 1900 een golf van terreur door Europa. Ook toen zocht de overheid de oplossing vooral in de versterking van het opsporingsapparaat.

XXXIV_29.01.02-13
Het opbrengen van een dronken man (geen anarchist) ter hoogte van het Schielandshuis in de Korte Hoogstraat, 1908. Beeld door: beeld: Henri Berssenbrugge

In de periode 1880-1914 werden bij aanslagen 160 mensen gedood en raakten meer dan 500 mensen gewond. Onder de slachtoffers waren enkele illustere namen, waaronder die van de Oostenrijkse keizerin Sissi en de Italiaanse koning Umberto I. In Nederland bleef het relatief rustig, maar de angst was groot dat het ook hier een keer goed mis zou gaan. Daarom nam de overheid rond de eeuwwisseling maatregelen om de binnenlandse veiligheid te vergroten. De Rotterdamse hoofdcommissaris van politie Willem Voormolen was daarbij een van de voortrekkers.

Spitsboeven, dieven en moordenaars

Bij zijn aantreden in 1893 had Voormolen de opdracht gekregen het Rotterdamse korps ingrijpend te reorganiseren, zodat het beter in staat zou zijn – zoals het Rotterdamsch Nieuwsblad het formuleerde – “aan de zich uitbreidende gemeente, die rust te verzekeren, die voor handel en vertier een hoofdvereischte is”.
In de beleving van een deel van de burgerij stond die rust namelijk sterk onder druk. Met de stroom van migranten die zich in stad vestigden, groeide bij hen het gevoel van onveiligheid. Dat werd nog versterkt door de misdaadverslaggeving die in deze jaren een belangrijker plaats ging innemen in de dagbladen.
In zijn ambitieuze reorganisatievoorstel van 1895 speelde Voormolen subtiel in op de angsten van de burgerij. Hij stelde onder meer voor om enkele gespecialiseerde diensten in het leven te roepen. Eén daarvan was een bereden brigade. Politie te paard was uitermate geschikt om grote menigten in bedwang te houden en kon dus bijspringen als grote stakingen of demonstraties uit de hand dreigden te lopen. Een andere voorstel van Voormolen was de vorming van een recherchedienst van dertig man sterk. Die was volgens de hoofdcommissaris nodig, omdat er met de groei van de haven steeds meer “spitsboeven, dieven en moordenaars” naar Rotterdam kwamen. Bovendien oefende de stad een sterke aantrekkingskracht uit op “anarchisten en andere voor de samenleving minder gewenschte individuen”.

Die verwijzing naar anarchisten was een slimme zet. Zij waren het immers die in het buitenland zoveel ellende veroorzaakten met hun moordaanslagen. Anarchisten streefden naar een maatschappij waarin door het uitbannen van alle vormen van gezagsuitoefening een bijna volledige vrijheid heerste. De meesten hoopten dat doel met vreedzame middelen te bereiken, zoals het verspreiden van pamfletjes of het beleggen van protestvergaderingen. Maar er was ook een groep die geloofde dat terroristisch geweld de gedroomde samenleving naderbij kon brengen. Vooral in Rusland, Frankrijk en Italië vond die “propaganda van de daad” aanhang. De moordenaars van Sissi en Umberto kwamen beiden uit dergelijke kringen.
In Rotterdam waren sinds het eind van de jaren 1880 ook anarchisten actief en die bezigden soms behoorlijk dreigende taal. In 1894 lieten ze bijvoorbeeld een brief achter bij het stadhuis waarin ze de burgemeester waarschuwden voor “een vreselijke slach welke het stadhuis zal doen vernietigen”. De brief sloot af met de leus: “Leve de anarchie, wech met de regeering”.

Een nieuw opsporingsinstrument

Kort nadat de Rotterdamse gemeenteraad zijn reorganisatieplannen ongewijzigd had goedgekeurd, kreeg Voormolen het verzoek hetzelfde kunstje in Amsterdam te herhalen. Dat weigerde hij, omdat hij eerst wilde zien hoe zijn ingrepen in Rotterdam zouden uitpakken. Hij was echter niet te beroerd om zijn collega’s in het land te laten delen in de ervaringen.

In 1896 stuurde hij twee Rotterdamse politie-inspecteurs langs een aantal gevangenissen, werkinrichtingen en politiebureaus om uitleg te geven over het zogenoemde Bertillon-stelsel. Voormolen had deze Franse vinding eind 1894 in Rotterdam geïntroduceerd na een studiereis naar Parijs. Dit was een kaartsysteem met signalementsgegevens van mensen die met de politie in aanraking waren geweest. Bij hun arrestatie werden ze gefotografeerd en hun gezicht en schedel nauwkeurig opgemeten. De uiterlijke kenmerken die zo werden vastgelegd, konden worden gedeeld met andere korpsen in binnen- en buitenland. Dit bleek zo’n handig opsporingsinstrument dat het al gauw brede verspreiding vond.
Dit bestand vormde ook de basis voor de anarchistenboekjes die de Rotterdamse politie begin 1899 samenstelde. Deze zakboekjes bevatten foto’s van ruim honderd bekende binnen- en buitenlandse anarchisten en werden op verzoek van het ministerie van Justitie verspreid onder politiecommissarissen, chefs van de recherche, maar ook onder de vreemdelingendienst en rivierpolitie in het land.

Geslaagd staaltje agendasetting

Gek genoeg blijkt uit de geheime rapporten die Voormolen maandelijks naar het ministerie stuurde dat er in de praktijk nauwelijks enig gevaar uitging van de Rotterdamse anarchisten. In oktober 1901 meldde de hoofdcommissaris dat 13 Rotterdammers ervan verdacht werden “de anarchistische beginselen te zijn toegedaan”. Staatsgevaarlijk achtte Voormolen ze echter niet: “Hoewel enkelen van deze personen heftig in de vergaderingen optreden komt het mij voor dat zij niet gerekend moeten worden te behoren tot de anarchisten van de daad”. Daarna beperkte de hoofdcommissaris zijn rapportages meestal tot de mededeling dat er “geen bijzonderheden” waren.
Achteraf gezien waren Voormolens toespelingen op dreigend anarchistisch geweld dus vooral een geslaagd staaltje van bestuurlijk-politieke agendasetting. Het hielp hem om de ingrijpende en vooral ook kostbare reorganisatie er bij de politiek doorheen te krijgen.

Vers Beton heeft jouw support nodig!

Voordat je verder leest: Vers Beton kan alleen blijven bestaan dankzij support van onze lezers. Maak jij ook onafhankelijke journalistiek in Rotterdam mogelijk?

Nee, ik lees eerst het stuk verder
Jacques Börger

Jacques Börger

Jacques Börger (1955) is historicus en woont sinds 1998 in Rotterdam. Jacques is verantwoordelijk voor de communicatie en marketing van Museum Rotterdam en schrijft regelmatig stukjes over Rotterdam en haar geschiedenis.

Profiel-pagina
anne2

Anne Jongstra

Anne Jongstra (1964) ziet zaken graag in historisch perspectief. Hij is geboren en getogen in Rotterdam, studeerde in de jaren tachtig geschiedenis in Utrecht en werkt nu voor het Stadsarchief Rotterdam.

Profiel-pagina
Nog geen reacties