Wetenschap en onderwijs21 januari 2016

Rotterdam, the neverending story

een onderzoek naar stadsbeleving onder Rotterdammers

Ter gelegenheid van de viering van 75 jaar wederopbouw is er een nieuw onderzoek uitgevoerd naar de stadsbeleving van Rotterdammers. Jacques Börger, Eeva Liukku en Paul van de Laar presenteren de resultaten. Wat valt er eigenlijk te vieren en waar moeten we nog aan werken?

Beeld: Rachel Sender

Het gaat goed met Rotterdam!

Het kan zo langzamerhand niemand in binnen- en buitenland zijn ontgaan. Rotterdam zit in de lift, staat prominent in de hitlijsten van stedentrips en troeft andere, grotere en meer bekende steden in Europa af. Een groot contrast met het Rotterdam dat na de Fortuyn-revolte in 2002 erom bekend stond dat het vooral de verkeerde lijstjes aanvoerde. Vanzelfsprekend staan politici, beleidsmakers en stadsmarketeers in de rij om het recente succes te vieren. Het is een bewijs dat het beleid vruchten afwerpt. Zeker nu blijkt dat er meer toeristen naar de stad komen, één van de belangrijkste graadmeters. Rotterdam is nog niet af, want het zou on-Rotterdams zijn om toe te geven dat we uitontwikkeld zijn. Met de start van City Lounge zet Rotterdam zich in op een verdere verdichting van de binnenstad. De leefbaarheid van de stad wordt vergroot door onbenutte plaatsen een nieuwe betekenis te geven. Ronkende teksten over het succes van Rotterdam zijn er volop. Maar wat vinden de bewoners er nu zelf van? Dit hebben Museum Rotterdam, de Willem de Kooning Academie en Rotterdam viert de stad! onderzocht in een stadsbelevingsonderzoek, geïnspireerd op het geruchtmakende onderzoek van Rob Wentholt. In het boek De binnenstadsbeleving en Rotterdam bekritiseerde Wentholt het Rotterdamse vooruitgangsgeloof en stelde de successen van de wederopbouw eind jaren zestig ter discussie. In het jaar waarin we de stad vieren na 75 jaar wederopbouw, is het goed om opnieuw de balans op te maken.

Beeld: Rachel Sender

1968: het onbehagen in de wederopbouw

Terwijl Rotterdamse bestuurders eind jaren zestig trots verkondigden dat de Wederopbouw was voltooid, signaleerde hoogleraar sociale psychologie Rob Wentholt, verbonden aan de Nederlandse Economische Hogeschool, de voorloper van de Erasmus Universiteit, bij de bevolking een groeiend onbehagen over de binnenstad. Zijn publicatie De binnenstadsbeleving en Rotterdam (1968) was een geschenk van het Rotterdamse filiaal van Vroom & Dreesmann ter gelegenheid van het 75-jarig bestaan. Voor zijn onderzoek sprak Wentholt met 125 Rotterdammers. Hij nam 50 straatinterviews af met jongeren, belde bij 50 wijkbewoners aan en interviewde 25 zogenaamde ‘notabelen’. De vragen die hij stelde waren simpel: wat vindt u van het centrum van Rotterdam en is het prettig wonen in de stad?

De reacties waren genadeloos: het centrum werd kil, koud, stijf, zakelijk, onherbergzaam, lelijk, en ongezellig gevonden. Rotterdammers hadden niets met de vooruitstrevende architectuur van de nieuwe binnenstad, ondanks de internationale waardering. Zelfs de ‘notabelen’, Rotterdammers die op het gebied van bestuur, wetenschap en cultuur aan de wederopbouw van de stad hadden bijgedragen, waren kritisch.

Wentholt constateerde dat er vijf dimensies zijn die bijdragen aan een goed functionerend stadscentrum: de concentratie van stedelijke voorzieningen, de intensiteit van het gebruik van de openbare ruimte en hoe deze binnenstedelijke ontmoetingen bevordert, de levendigheid, de herbergzaamheid en tot slot de visuele aantrekkelijkheid. Alleen op de eerste dimensie scoorde Rotterdam een voldoende, maar op alle andere gebieden voldeed de binnenstad niet en dat verklaarde de slechte binnenstadsbeleving.

Met deze conclusie rekende Wentholt in feite af met wat hij de ‘ideologie van het modernisme’ noemde, een sterke drang tot vernieuwing die ‘geen weerstand kon bieden aan onnodige vernieling van menselijk-stedelijke verworvenheden en van de blijvende waarden van het urbane leven’.  De binnenstad was vormgegeven volgens dezelfde principes van het functioneel modernisme waarin het zakelijke prioriteit kreeg boven het sociaal-culturele.

Het boek van Wentholt bracht een brede maatschappelijke discussie over de stad op gang onder het pakkende motto: ‘Die stad is van mij, ik ben van die stad’.  Nauwelijks twee jaar na de verschijning van het boek was Wentholts boodschap al begrepen. De naoorlogse manifestatie Communicatie ’70, bood de burgers een geschikte gelegenheid om hun onvrede te uiten. Vervolgens sloeg de vonk naar de oude wijken over. Wijkbewoners verzetten zich in actiegroepen met succes tegen de sloop van de negentiende-eeuwse buurten. Geen stadssanering, maar stadsvernieuwing luidde het devies. Niet slopen maar renoveren. De nadruk moest weer worden gelegd op kleinschaligheid en gezelligheid, de menselijke maat kreeg prioriteit. Dat betekende een bijstelling van de functionele welvaartsstad waarin het wonen ondergeschikt was aan andere stedelijke functies.

Het boek van Wentholt is beschikbaar als Print on DemandKlik hier voor 'De binnenstadsbeleving en Rotterdam'
Beeld: Rachel Sender

Wentholt revisited: de stadsbeleving anno 2015

De wederopbouw startte in 1940, we zijn nu 75 jaar verder. Er is sindsdien veel gebeurd en de laatste jaren trekt Rotterdam internationale aandacht. The New York Times en The Lonely Planet prijzen Rotterdam aan als een stad die een bezoek waard is en dat zien we terug in een toename van het aantal toeristen. Rotterdam werd bovendien verkozen als ‘beste stad’ bij de Urbanism Awards, en kreeg de prijs voor de ‘beste binnenstad’ van Nederland. De internationale belangstelling gaat vooral uit naar de nieuwe architectonische iconen: De Rotterdam van sterarchitect Rem Koolhaas, de Markthal en het nieuwe Centraal Station; stuk voor stuk gebouwen die in de prijzen vielen. Er is meer dan dat. Opvallend vaak wordt Rotterdam ook genoemd vanwege zijn eigentijdse stadsproducten, variërend van Rotterdamse mode, innovatieve retailconcepten en ondernemers met een sterke Rotterdamse signatuur.  Van kledinglijn 010 isn’t just a code tot aan Rotterdams warenhuis Groos: de stadscultuur krijgt een boost en is springlevend. Men spreekt vanwege dit alles van een ‘nieuw Rotterdams elan’, een groot contrast zo lijkt het, met wat Wentholt in 1968 aantrof.

Evenals eind jaren zestig zijn de bestuurders trots op de positieve aandacht voor de (binnen)stad, en zien zij dit als een succes van het binnenstads- en stedelijk beleid. De gemeente houdt daarbij voortdurend de vinger aan de pols. Met een digitaal stadspanel en, recentelijk, een burgerjury wordt voortdurend onderzocht hoe de burgers over de (binnen)stad denken. Het lijkt er dus op dat men niet verrast wil worden zoals eind jaren zestig.

Deze onderzoeken staan altijd in dienst van beleid. Er is daarom ruimte voor zelfstandig onderzoek, losgekoppeld van gemeentelijke belangen. Hoe ervaren Rotterdammers de opleving van de stad? Wordt die wel door iedereen erkend? Hoe wordt de binnenstad vandaag beleefd? En wat zou er 75 jaar na de wederopbouw verbeterd kunnen worden?

Deze vragen vormden voor Museum Rotterdam, Willem de Kooning Academie en de manifestatie Rotterdam viert de stad! aanleiding om het onderzoek van Rob Wentholt opnieuw uit te voeren, geïnspireerd op de vijf dimensies van Wentholt. Klopt het positieve imago van de stad in de media met de ervaring van de bewoners? In totaal namen 101 mensen deel aan ons onderzoek. We hebben jongeren, studenten, wijkbewoners en professionals geselecteerd en in groepen uitgenodigd. Ons onderzoek is niet representatief voor de gehele bevolking, in plaats van een kwantitatief onderzoek betreft dit een kwalitatief onderzoek. Ook Wentholts publicatie was gebaseerd op impressies en waarnemingen, maar daarom niet minder waardevol.

Het nieuwe elan

Allereerst valt op dat, anders dan in 1968, veel ondervraagden positief staan tegenover de stad en een optimistische houding tonen: het ‘elan’ krijgt erkenning. De jongeren is gevraagd om hun waardering in een rapportcijfer uit te drukken. Vooral bij deze groep jongeren scoort Rotterdam hoog. Hoe jonger, hoe positiever men over de stad denkt. Maar voor alle deelnemers van het onderzoek geldt dat ze trots zijn op de waardering die Rotterdam nu krijgt. Zij wisten al dat de stad leuk was, maar zien dat dit nu ook is doorgedrongen bij de buitenwacht. Door de publieke waardering durven de Rotterdammers weer openlijk trots te zijn. Rotterdam is geen underdog meer.

Alle ondervraagden zijn vrij eensgezind over het karakter van de Rotterdammer. Gevraagd naar typische kenmerken van Rotterdammers, komen veel dezelfde typeringen terug: trots, eerlijk, recht voor zijn raap, open, direct, multicultureel, soms ook bot. De stad is veelzijdig, druk, er is altijd wat te doen. Men is trots op de architectuur, de dynamiek en de diversiteit van de bewoners.

De opleving en het optimisme worden niet alléén toegeschreven aan iconische gebouwen en grote bouwprojecten in de binnenstad. Ook de cultuursector en evenementen dragen daaraan bij. ‘Ik ervaar tegenwoordig festivalstress’, zo noemde een deelnemer het, doelend op de ruime keuze aan evenementen. In bijna alle groepen wordt gezegd dat de stad bruist door kleinschalige projecten en initiatieven. Er zijn fysiek gezien niet veel onbenutte plekken meer en de kleine gaten in de stad worden opgevuld met kleine bouwprojecten. De wijken leven op door kleine (culturele) buurtinitiatieven die van onderop worden georganiseerd. De deelnemers oordelen niet unaniem over het culturele aanbod. Terwijl sommigen festivalstress ervaren, melden anderen dat het totale cultuuraanbod toch nog beperkt is en zich teveel op één doelgroep richt.

Er wordt opgemerkt dat de opleving van de stad niet uniek is voor Rotterdam: het is een internationaal fenomeen. Wel stelde iemand de vraag: zijn alle steden zo met hun stad bezig als hier? Je zou kunnen stellen dat dit typisch is voor steden met een ‘Second City syndroom’ die opkijken naar hun hoofdstad. Toch, bij de deelnemers speelt dit syndroom niet. Zo werd gezegd dat we Rotterdam en Amsterdam niet meer met elkaar moeten vergelijken.

"Zijn alle steden zo met hun stad bezig als hier?"

Het kan altijd beter

De stad is nooit af, zo zeggen veel deelnemers. De stad is het ‘eeuwige bijna’ zoals een deelnemer het verwoordde. Dat wordt als een positieve eigenschap gezien. Wat zou er toegevoegd moeten worden aan de stad volgens de deelnemers? Een aantal onderwerpen komt vaak terug.

Wat missen mensen in de stad? Bij een fototest werd deelnemers gevraagd een bepaald straatbeeld te typeren als Rotterdams of niet-Rotterdams. Groene en speelse elementen worden vaak als ‘minst Rotterdams’ aangemerkt. Groenvoorzieningen, parken, en speelplekken voor kinderen worden veel genoemd als zaken die ontbreken. Ook het thema water komt veel terug; de stad zou meer gebruik moeten maken van het water in de stad en waar nodig zelfs nieuwe grachten aanleggen. Jongeren noemen vaak het gemis van een poppodium.

Ook het thema duurzaamheid komt vaak voorbij. Genoemde voorstellen zijn minder auto’s in de binnenstad en autovrije straten. De minisnelwegen door de stad zorgen voor fragmentatie en er moet meer aandacht zijn voor verbindingen tussen locaties in de binnenstad. Een aantal keer is genoemd dat de stad meer voorwaarden moet scheppen om anderen te ontmoeten, en toegankelijker moet zijn voor senioren. Er is behoefte aan plekken en evenementen waar ouderen naar toe kunnen.

De deelnemers zijn niet eensgezind in hun opvattingen waar het centrum nu ophoudt. Een minderheid rekent de Kop van Zuid hiertoe; het zijn vooral de professionals die dat doen en voor sommigen valt ook Katendrecht eronder. Jongeren en professionals vertellen dat ze een grote tweedeling tussen Zuid en Noord ervaren. Zo’n tweedeling geldt wel voor meer steden, vooral als ze aan een rivier gelegen zijn. Wat gemist wordt op Zuid zijn voldoende grootstedelijke voorzieningen om het gevoel te geven erbij te horen. Zuid is nog altijd onbekend en dat maakt ook minder geliefd.

Beeld: Rachel Sender

We moeten wel onszelf blijven

Alle groepen zeggen zonder uitzondering dat Rotterdam niet té populair moet worden. Dat we ‘anders’ zijn maakt de stad juist leuk en uniek. ‘Rotterdam is een sterk merk geworden’, zo beschrijft iemand uit de groep professionals de opleving van de stad. Dat heeft ook zijn keerzijde. Een merk is ‘fake’, gericht op uiterlijk vertoon, als een etalage om bezoekers te trekken. Iemand merkt op dat de stad overkomt als de Efteling, waar bezoekers en niet de bewoners centraal staan.

Het centrum is niet voor iedereen even toegankelijk of gastvrij. Vooral kinderen, ouderen en mindervaliden vinden de binnenstad minder aantrekkelijk.. Ze hebben het idee dat die er niet voor hen is. Het ‘Rotterdamgevoel’ hoeft zich echter niet tot de binnenstad te beperken. Sommigen menen dat het ‘échte Rotterdam’ er zelfs niet te vinden is, en dat je daarvoor de wijken in moet. Een bewoner van Delfshaven beschrijft dat zijn houding relaxter wordt als hij de wijk in loopt, dan voelt hij zich meer thuis. In West kom je ‘echt’ Rotterdam tegen, zo zegt hij. De wijkbewoners benadrukken sterk dat de binnenstad er in eerste instantie voor bewoners van de stad moet zijn en niet voor toeristen.

Gerelateerd hieraan merken de professionals op dat de stad soms té comfortabel lijkt te worden. Vroeger was de stad moeilijker om te leren kennen, maar had de stad ook meer avontuur en verrassing te bieden. De stad is nu populairder en beter ‘leesbaar’ voor buitenstaanders. De keerzijde is dat de binnenstad, het straatleven en de publieke ruimte, te steriel zijn geworden. De groepen jongeren die we hebben gesproken waren dezelfde mening toegedaan als de professionals. Zij merken op dat de stad niet te gepolijst moet worden. Het rauwe en lelijke wordt door hen juist als een positieve eigenschap gezien.

Beeld: Rachel Sender

Waar schuurt het nog?

Het valt op dat de groepen grotendeels de ‘officiële’ positieve boodschap over het nieuwe elan van de stad volgen. De stadstrots is enorm. Maar het blijkt makkelijker om over successen te spreken dan over thema’s waarin Rotterdammers minder eensgezind zijn. De professionals leken bijvoorbeeld opgelucht dat de post-Fortuyn-periode voorbij was. Volgens hen kwam de stad in deze periode veel negatief in het nieuws. Op de vraag of de maatschappelijke onvrede die destijds naar boven kwam nog steeds een rol speelt, wist men geen antwoord te geven. Het is alsof de professionals jaren uitkeken naar een positief geluid over de stad en dat men het optimisme van vandaag aangrijpt om het niet over moeilijke onderwerpen te hebben. Het feit dat er bij de recente verkiezingen nog steeds een grote groep Rotterdammers een proteststem uitbracht, laat zien dat niet iedereen het optimisme deelt en de maatschappelijke onvrede niet helemaal is verdwenen.

Lees ookHuman interest‘Psst. Schatje. Hé dushi. Psst. Slet!’

Een ander voorbeeld is ‘catcalling’: het naroepen van vrouwen op straat. Een studente bracht dat naar voren en gaf aan dat het voor haar een reden is om te verhuizen. De andere gespreksdeelnemers vonden het moeilijk om hierop te reageren. Het is uiteraard geen Rotterdams probleem, maar seksisme en intimidatie van jonge vrouwen is een onderwerp waar beleidsmakers voorlopig geen raad mee weten.

Dit roept vragen op. Is er in de euforie over de opleving van de stad nog wel plek voor een ander verhaal over de stad? Gebruiken we het ‘elan’, de positieve boodschap, omdat we het liever niet over de ongemakkelijke realiteiten hebben? En worden kritische geluiden in de hoek gezet van de mensen die ‘altijd wat te klagen hebben’?

Het multiculturele plaatje

Dat Rotterdam een cultureel zeer diverse stad is, wordt door alle groepen gezien als een positieve eigenschap. Maar ook bij dit plaatje zijn door enkele deelnemers kanttekeningen geplaatst. Enkele jongeren noemden ‘racisme’ en ‘agressie naar mensen die hier niet zijn geboren’ als negatief kenmerk van Rotterdammers.

Stadsjongeren ervaren de multiculturele stad als normaal, het hoort bij Rotterdam. Als ze hier opgroeien komen ze bij iedereen over de vloer. Maar naarmate ze ouder worden, zoeken ze meer de eigen groep op. Hoe ouder men wordt, hoe cynischer men is over de multiculturele samenleving, zo lijkt wel uit ons onderzoek. De Witte de Withstraat wordt een paar keer genoemd als voorbeeld waar de nieuwe opleving van de stad te zien is, ‘bijna on-Rotterdams’ zo noemde iemand de straat. Tegelijkertijd wordt het door een deelnemer de ‘Witter-dan-wit-straat’ genoemd. En iemand merkte op dat de tekentafelrealiteit afwijkt van de praktijk: ‘Van bovenaf hebben we een mooie mix in de stad, maar is het wel een mix?’ Deelnemers met een migratie-achtergrond vinden dat er sprake is van toenemende segregatie en dat kwam overeen met de bevindingen in de groep van wijkbewoners.

Het lijkt alsof we trots zijn op de diversiteit in de stad, maar dat we in het dagelijks leven niet altijd weten hoe er mee om te gaan. Diversiteit draagt bij aan de kosmopolitische uitstraling van Rotterdam, maar het gevaar is dat wanneer het slechts een marketinginstrument is, we vroeg of laat van een koude kermis thuiskomen. Want de grote stadsopgave is hoe we écht samen kunnen leven in een superdiverse stadscommunity.

Beeld: Rachel Sender

Conclusies, in de geest van Wentholt

Welke conclusies zouden we kunnen trekken in de geest van Wentholt? Wentholt noemde vijf dimensies die bijdragen aan een prettige stadsbeleving. In 1968 voorzag Rotterdam in één dimensie, namelijk een grote concentratie van voorzieningen in de binnenstad. Anno 2015 kunnen we stellen dat Rotterdam er nog een dimensie bij heeft veroverd: het is visueel aantrekkelijk geworden. De grote onvrede die Wentholt signaleerde bestaat niet meer. Maar aan drie dimensies is nog niet helemaal voldaan: de levendige publieke ruimte, intensiteit van ontmoetingen in de binnenstad en de herbergzaamheid – het gevoel ‘de stad is van mij’.

Levendige publieke ruimte

Het is opvallend dat de gezelligheid terugkeert als thema. Niet verbazingwekkend in een land dat vooral bekend staat om zijn kleinschalige, dikwijls waterrijke steden. Sommigen denken dan al snel aan Leiden, Delft en Gouda, maar de deelnemers van ons onderzoek vinden die Hollandse gezelligheid niet bij Rotterdam passen. Het ongepolijste en avontuurlijke wordt door Rotterdammers gewaardeerd. Rotterdam heeft een ‘on-Nederlands’ karakter en dat moet je benutten. Geen imitatiegedrag vertonen, maar juist een eigen koers varen. De opgave lijkt dan ook: een on-Nederlandse, beter nog, typisch Rotterdamse gezelligheid ontwikkelen in de binnenstad. Voor Rotterdam is dat geen eenvoudige opgave, want de geschiedenis van de wederopbouw leert dat we graag top-down plannen en oplossingen zoeken die primair betrekking hebben op stedenbouwkundige ingrepen. Maar er moet veel meer nadruk komen te liggen op het gegeven dat niet gebouwen, maar mensen de stad maken. Geheel passend in de tijdgeest zou Rotterdam moeten werken aan een betere ‘software’ voor het gebruiken van de stad.

Ontmoetingen

Ondanks de positieve geluiden over de nieuwe binnenstadsbeleving, wordt ook een toenemende segregatie gesignaleerd; geografisch, cultureel en sociaal. Dit belemmert de mogelijkheid om elkaar te ontmoeten, één van de noodzakelijke dimensies van Wentholt.

Tegenover de succesvolle binnenstad staat Rotterdam-Zuid (buiten de Kop van Zuid). Dit wordt nog altijd gezien als een achterstandsgebied met grote sociale achterstanden waar veel mensen geen werk hebben. Hoe gaan we de noord-zuid tegenstelling oplossen?

Wentholts analyse betrof een stad die nog nauwelijks de sporen droeg van naoorlogse migratiebeweging. De stad is niet alleen qua uiterlijk sterk veranderd, maar ook innerlijk. Rotterdam telt bijna 180 nationaliteiten en dat leidt tot een grote mate van diversiteit van de stad. Dat roept nieuwe vragen en uitdagingen voor de toekomst op. Hoe zorgen we ervoor dat de binnenstadsbeleving een Rotterdamgevoel oproept dat rekening houdt met het nieuwe verhaal van de stad die zich juist kenmerkt door zijn superdiversiteit?

Herbergzaamheid – van wie is de stad?

Door de toenemende segregatie is ook de herbergzaamheid nog niet geslaagd. Wijkbewoners, ouderen en minder validen voelen zich minder welkom in de binnenstad die steeds meer een terrein van jongeren, toeristen en dagjesmensen is. Voor wie is de binnenstad eigenlijk? Wordt Rotterdam een stad, zoals zoveel Europese belevenissteden, ontwikkeld voor de ‘happy few’, hipsters, bakfietsers en toeristen? Waar vindt de ontmoeting, uitwisseling en avontuur plaats in een stad die steeds populairder, maar ook sterieler, gelikter en gesegmenteerder wordt?

Dit heeft te maken met de manier waarop we  samenleven. De stad is fysiek volgebouwd, nu moet de aandacht worden verlegd naar de Rotterdammers zelf. Dat zal voor de komende jaren beslist een uitdaging zijn.

COLOFON

Initiatief: Museum Rotterdam, Willem de Kooning Academie en Rotterdam viert de stad! (Rotterdam Festivals)
Tekst: Eeva Liukku, Jacques Börger en Paul van de Laar
Onderzoeksopzet en uitvoering: Eeva Liukku, Jacques Börger en Martijn Mulder
Met dank aan: Cultuurscouts, Esther van Ee en Marieke Stein

Bekijk hier het programma van Rotterdam viert de stad!

Lees meer:

Reageer of deel op Social Media

Tags:75 jaar wederopbouw, binnenstadsbeleving, catcalling, diversiteit, lijstjes, manifestatie, Museum Rotterdam, rob wentholt, Rotterdam viert de stad!, Rotterdamse Renaissance, segregatie, wdka en wederopbouw

Sectie: Wetenschap en onderwijs

kaart: Timmerhuis, Meent, Rotterdam, Nederland
Ontvang de wekelijkse Vers Beton newsletter!

Op Vers Beton discussiëren we met liefde. We horen daarom graag je mening. Houd daarbij wel onderstaande richtlijnen in gedachten, dan weet je zeker dat je reactie zichtbaar blijft:

  • Draag inhoudelijk bij aan de discussie
  • Blijf on-topic
  • Speel op de bal, niet op de man
  • Wees respectvol: reacties waarin sprake is van schelden, haat, racisme of seksisme worden verwijderd
  • Reacties over huisregels en toelatingsbeleid worden verwijderd
  • We gaan niet in discussie over verwijderde reacties
  • Zie je reacties die niet aan de huisregels voldoen? Ons controlesysteem is niet waterdicht. Laat het ons weten via info@versbeton.nl

Verdiep de discussie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *