Kunst & CultuurStedelijke ontwikkeling & architectuur15 februari 2016

Waar is de Rotterdamse lelijkheid gebleven?

Essay

Verliezen we met het opmooien van Rotterdam, met aan het roer de City Lounge politie, niet de prachtige lelijkheid die onze stad juist zo tof maakt? Julian Schaap maakt de balans op.

Beeld: Rachel Sender

Rotterdam was altijd maar lelijk. Knap, imposant, vooruitstrevend, kolossaal – die kennen we – maar ‘mooi’? Nee.

Rotterdam is sinds lange tijd ook expliciet gekenmerkt als dynamisch, rauw en fel, een typecast die inderdaad goed past bij de beleving en esthetiek van de stad maar best doorbroken mag worden. Maar typecasting en een oprechte waardering voor die rauwheid zijn twee verschillende dingen. De dimensie voorbij dat typetje is te vinden in de uitspraak dat je Rotterdam alleen echt kan waarderen als je er bent opgegroeid.
Of dat Rotterdam een stad is die je moet leren waarderen; een acquired taste, zoals olijven, makreel of Franse stinkkaas. Rotterdam is een kattenstad. Maar kijk nou, daar staat het echt, in het nieuwste stadsbelevingsonderzoek: “Anno 2015 kunnen we stellen dat Rotterdam er nog een dimensie bij heeft veroverd: het is visueel aantrekkelijk geworden.” Het afvoerputje is schoongespoeld en opgepoetst.

Lees ookOude KoeienTypecasting Rotterdam

Geuzentitel

De prille glorie van Rotterdam als mooie, off-the-beaten-track en dus bezoekwaardige metropool, heeft nog niet alle Rotterdammers de groen-wit-groen doen uithangen. Parallel met de stortvloed aan positieve berichten over Rotterdam lijkt een toenemend aantal gesprekken, blogs en nieuwsberichten te gaan over het ongemak dat deze onvoorziene faam veroorzaakt. Deels lijkt dit te komen door het gevoel van ongerief dat opkomt met recent verworven roem, zeker wanneer het gaat om een stad die zich – bij wijze van geuzentitel – structureel op De Tweede Plaats heeft gezet. Paul Verspeek vatte het in zijn recensie van Flikken Rotterdam aflevering 1 mooi samen:

“Misschien komt het ook doordat we het in Rotterdam een beetje zat zijn, al die aandacht voor de stad, al die lofuitingen. ‘Oh, wat een mooie brug, kijk die Markthal nou, schitterend die skyline’. De hele wereld komt kijken en filmen. We zijn er wel klaar mee. We willen onze stad terug.”

Een sentiment dat doet denken aan rockster Kurt Cobain: erkend willen worden maar eigenlijk niet weten hoe je ermee om moet gaan wanneer de fans de deur plotseling platlopen.

Lees ookStedelijke ontwikkeling & architectuur“Laat Rotterdam maar lekker moeilijk blijven”

Maar dat verklaart niet al het ongemak dat de revue passeert. Er lijkt ook een ongemak te zijn met juist datgene wat doorgaans wordt gewaardeerd door mensen die lof uiten: die Markthal, dat nieuwe station, het Timmerhuis, die verbouwde Binnenweg, de pop-up stores, de Biergarten en ga zo maar door. Toeristen noemen de stad mondjesmaat “beautiful”, net als de internationale studenten die uit alle uithoeken van de wereld de Kralingse universiteit komen bevolken. Het is allemaal heel mooi, maar er was toch al zo veel moois voordat de boel werd opgevrolijkt en aangeharkt? En gaat er met het opmooien van Rotterdam – met aan het roer de esthetische politie van City Lounge – niet een waardering verloren voor de prachtige lelijkheid die onze stad juist zo tof maakt?

Walhalla Woudestein

Neem bijvoorbeeld campus Woudestein. Jaren geleden, toen ik zo nu en dan als studentengids potentiële nieuwe studenten met de campus liet kennis maken, merkte ik dat de scholieren het daar een ontzettend lelijke bedoening vonden. Het ‘zichtbeton’ van het brutalistische hoofdgebouw (tussen 1963-1970 gebouwd naar een ontwerp van de Rotterdamse architecten Elffers, Van der Heyden en Hoogeveen) werd doorgaans niet gewaardeerd door de aankomende bevolking van de campus. Daar kon zelfs de ietwat verscholen schildering van Karel Appel en het feit dat het gebouw destijds figureerde als het Vesalius Ziekenhuis in de verfilming van Turks Fruit (inclusief de blote borsten van Monique van der Ven) niet tegen op. Nee, het moest zijn zoals de campussen in Amerikaanse films. Of ouderwets, zoals Oxford en Cambridge. Amsterdam, Groningen, Leiden, Utrecht: allemaal deden ze het esthetisch stukken beter.

Een paar jaar en veel bouwnijverheid later is de toon ineens omgeslagen. Campus Woudestein is ‘prachtig’ en een walhalla voor studenten, nieuwe gebouwen worden zelfs besproken in de nationale krant. Uiteraard is dat geweldig nieuws, de universiteit wordt ook een steeds betere plek om te studeren. Maar het is soms wel een beetje jammer dat die nieuwe waardering niet wordt uitgesproken voor wat er was – die fantastische brute-chique – maar alleen voor wat er nieuw is gebouwd. Hierdoor komt in beeld dat er eigenlijk een scheiding bestaat tussen twee soorten liefhebbers van Rotterdam: zij die al het nieuws sinds kort mooi vinden (de hype) en zij die niet alleen het nieuwe maar ook het prachtige oude weten te waarderen (de Rotterdammers).

Het zichtbeton van het brutalistische hoofdgebouw werd niet gewaardeerd. Het moest zijn als de campussen in Amerikaanse films. Of ouderwets, zoals Oxford en Cambridge

Interpretatieve gemeenschap

Schoonheid is in the eye of the beholder, maar toch is dit minder vaak een individuele aangelegenheid dan algemeen aangenomen. De plaats waar je wordt geboren en opgroeit, de scholen waar je naartoe gaat, je ouders, de docenten die je tegenkomt, de gebouwen, film- en muziekstijlen waarin je jezelf bevindt; dit alles werkt vormend voor het bepalen van je antwoord op die belangrijke vraag: wat is mooi en wat niet? Rotterdammers vormen samen, grotendeels onbewust, een ‘interpretatieve gemeenschap’, waarin bepaalde schoonheidsidealen worden gedeeld. Ieder mens is in meer of mindere mate onderdeel van verschillende interpretatieve gemeenschappen tegelijkertijd. Het land waar je opgroeit bijvoorbeeld, kan gevolgen hebben voor wat voor vrouwen je mooi vindt. Of in hoeverre je je kan vinden in Amerikaanse sit-coms (in Nederland geen probleem, maar in Rusland en Japan veel minder). Dat er in het Noorden van Europa veel meer metal muziek wordt gemaakt en geluisterd. Uiteraard zijn er altijd veel uitzonderingen, maar die bevestigen doorgaans de regel.

Een meer lokale interpretatieve gemeenschap kan ook bestaan, bijvoorbeeld op basis van ‘Rotterdamsheid’. Dit valt des te meer op wanneer we hem plaatsen tegenover die andere interpretatieve gemeenschap: Amsterdammers. Amsterdammers roemen hun stad om de pittoreske grachten, statige herenhuizen, historische VOC-panden, complexe literatuur, allerlei soorten popmuziek in Paradiso en de Melkweg. In de woorden van een zeer gewaardeerde doch Amsterdamse collega: “meer de Weense esthetiek”. Rotterdam staat meer – zoals vaak gehoord – tegenover “poor but sexy” Berlijn (waar, net als nu lijkt te gebeuren in Rotterdam, ook veel ‘oorspronkelijke bewoners’ in opstand zijn gekomen tegen de hipster-overstroming).

De tweedeling in de waardering voor wat mooi is en wat niet lijkt zich rond dit punt te centreren: aan de ene kant een interpretatieve gemeenschap van Rotterdammers die de stad al mooi vonden vóór de hype, die hun lof uitspreken voor al het mooie wat Rotterdam al te bieden had naast alle recente toevoegingen. En – belangrijk – wat destijds in het grootste deel van Nederland afschuwelijk lelijk werd gevonden. Arbeidsethos, industrie, beton, de dreunende gabberbeats. Aan de andere kant is daar die nieuwe interpretatieve gemeenschap, met een voorkeur voor de meer traditionele, Amsterdamse/Weense esthetiek – een universele schoonheid van tierelantijntjes. Die gaat voorbij aan al die lelijke pracht en waardeert bovenal de nieuwe (2010+) aangeharkte City-Lounge-Approved realiteit van het Rotterdamse centrum. Maar daardoor ontstaat er eigenlijk een één-pot-nat schoonheid van Nederlandse (en internationale) steden, en vergaat de originele pracht van Rotterdam, die lelijke havenstad.

Daardoor ontstaat er eigenlijk een één-pot-nat schoonheid van steden en vergaat de originele pracht van Rotterdam, die lelijke havenstad.

De mooiste lelijke plekken

Een korte rondgang langs de Vers Beton redactie brengt ditzelfde in beeld: Station Blaak, de Maassilo- en haven, de (onopgeknapte) Hofbogen, de Hofpoort, Nationale Nederlanden, Westewagenpanden en winkelcentrum Zuidplein. In een vurig commentaar legt Vers Betonner Ferrie Weeda uit:

“Zuidplein is zonder twijfel één van de mooiste lelijke plekken van Rotterdam. Vooral de OV-terminal, een monsterlijke machine van vijf lagen bruut beton die met adembenemende efficiëntie reizigers opslokt en uitkotst, is een pronkstuk van onvolprezen modernistisch-totalitaire schoonheid. En dan ben je nog niet eens binnen! Je betreedt het sanctum sanctorum van goudeerlijke commerciële lelijkheid via een voortdurend vastlopende met vetvlekken besmeurde glazen draaideur, en je ontwaart het winkelwalhalla van de arbeidende klasse van Rotterdam Zuid.”

Vergeet bovendien ook niet het door Jules Schoonman uitgesproken pleidooi voor het behoud van voormalig Café Fout (en het andere paviljoen) op het Stadhuisplein, voor hem het perfecte Rotterdamse voorbeeld van de “schoonheid en onvermijdelijkheid van de mislukking”.

Lees ookStedelijke ontwikkeling & architectuurZonder Café Fout geen Stadhuisplein

Een belangrijke voetnoot hierbij is dat de waardering van die mooie lelijkheid in veel gevallen niet ironisch maar oprecht is. Uiteraard is een ironische waardering van lelijkheid mogelijk. Denk maar aan de Burberry-print zeiltjes die de buitentafels van de Magnetronbar opleukten. Of de verheerlijking van Schlager-chique (inclusief worsten) in Worm’s Wunderbar. Nee, ik heb het hier over de oprechte waardering met een ondertoon van authenticiteit – “het is puur en rauw” – tegenover de meer gefabriceerde authenticiteit van traditionele schoonheid. Dat is ook niet gek, we hebben als Rotterdammers jarenlang deze werkelijkheid om ons heen gebouwd (letterlijk en figuurlijk) en zijn zelf de eersten om het te aanschouwen en te zeggen dat het goed is. Dat het nu vaker uitgesproken wordt heeft misschien ook wel een beetje te maken met een terugverlangen naar toen de stad nog echt van die Rotterdammers was. Een lelijke underdog, maar wel onze lelijke underdog.

Gabberesthetiek

Het blijft ook niet bij gebouwen. Gabber, dé Rotterdamse muziekstijl met bijbehorende subcultuur, blijft in leven en kent nog veel liefhebbers. Opkomend modeontwerpster Nada van Dalen gebruikt de Gabberesthetiek “vooral omdat ik een soort aversie had tegen het feit dat alles in de wereld altijd maar mooi en perfect moet zijn. Ik denk dan altijd aan die meisjes met bloemen op hun fietsen, daar krijg ik echt de kriebels van”. Aussies, Nike Air Max en de buldog – dat is mooi volgens Nada. Daar staat ze niet alleen in. Wijlen Eric den Hartigh van Roodkapje was zelden in andere kleding dan een trainingspak te zien en voerde de campingchique schoonheid met liefde door in het interieur van zijn galerie en restaurants (oké… misschien een tikkeltje ironisch). Schoonheid gevonden in gebrek aan stijl, of ‘anti-stijl’.

Wijlen Eric den Hartigh van Roodkapje was zelden in andere kleding dan een trainingspak te zien en voerde de campingchique schoonheid met liefde door in het interieur van zijn galerie en restaurants.

Rotterdammers zijn ook op de bandwagon van microbrouwerijen gesprongen: naast de Pelgrim hebben we nu Ketelbink, Kaapse Brouwers en Brouwerij Noordt. Maar wederom lijken die laatste – hoewel allemaal hartstikke lekker – voornamelijk te varen op de esthetiek van de Markthal. Daar tegenover staat Arno Coenen (inderdaad, de helft van het kunstenaarsduo dat diezelfde Markthal heeft voorzien van haar imposante kunstwerk) met zijn Eurotrash bier. Verpakt in plastic PET-flessen met een vormgeving die ergens het midden houdt tussen de Yogo-Yogo reclames uit de jaren 90 en Motörhead’s platenhoezen, lijkt dit meer bij die rauwe Rotterdamse esthetiek te passen. Of Brouwvereniging Rotterdam met hun Bocht-bier en neongekleurde promotie naar voorbeeld van die enorm flitsende slijterij op de Nieuwe Binnenweg.

Zoals het bovenstaande laat zien zijn er genoeg Rotterdammers die de lelijke Rotterdamse schoonheid in leven houden. Toch zou het mooi zijn als die opkomende waardering van Rotterdam zich iets meer zou richten op dat wat er al was. Niet dat we een gegeven paard in de bek moeten kijken, maar er was al zoveel moois in de havenstad. Dat de tegenhanger van Art Rotterdam – Raw Art Fair – nu de Rotterdam Contemporary Art Fair heet is wellicht veelzeggend: eenheidsworst, het omarmen van klassieke – Amsterdamse – schoonheid tegenover de rauwe Rotterdamse lelijkheid. In plaats van te klagen over de populariteit, moeten we misschien die originele Rotterdamse mooie lelijkheid wat meer in het zonnetje zetten. Een brutalistische stadskaart van Rotterdam bijvoorbeeld. Of wandeltours door de Maashaven. Gabber audioguides. Openlucht windtunnel-experience op Weena. En iets met het Schouwburgplein. Dan kunnen die horden toeristen leren waarom Rotterdam echt de mooiste stad van het land is.

Mooi lelijk
Wat is jouw favoriete voorbeeld van echte onvervalste Rotterdamse lelijkheid? Laat het ons weten via de reacties onderin dit stuk!

De sectie Stedelijke Ontwikkeling & Architectuur wordt mede mogelijk gemaakt door AIR, het Architectuur Instituut Rotterdam. (meer info)

Reageer of deel op Social Media

Tags:City Lounge, hipsters, lelijkheid, woudestein en Zuidplein

Secties: Kunst & Cultuur en Stedelijke ontwikkeling & architectuur

kaart: Winkelcentrum Zuidplein, Zuidplein, Rotterdam, Nederland

Op Vers Beton discussiëren we met liefde. We horen daarom graag je mening. Houd daarbij wel onderstaande richtlijnen in gedachten, dan weet je zeker dat je reactie zichtbaar blijft:

  • Draag inhoudelijk bij aan de discussie
  • Blijf on-topic
  • Speel op de bal, niet op de man
  • Wees respectvol: reacties waarin sprake is van schelden, haat, racisme of seksisme worden verwijderd
  • Reacties over huisregels en toelatingsbeleid worden verwijderd
  • We gaan niet in discussie over verwijderde reacties
  • Zie je reacties die niet aan de huisregels voldoen? Ons controlesysteem is niet waterdicht. Laat het ons weten via info@versbeton.nl

Verdiep de discussie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *