Kunst & Cultuur24 maart 2016

Louis Davids: boegbeeld van een verdwenen Rotterdam

Het monument van Louis Davids, dat vandaag teruggeplaatst wordt op het Raamplein, houdt volgens Peter de Koning en Chris Buitendijk niet alleen de herinnering levend aan een artiest, maar ook aan het vooroorlogse Joodse Rotterdam en aan een vergane wijk vol armoede, prostitutie en vertier.

Beeld: Renée Westerink

Op 24 maart wordt aan de Zandstraat, pal achter het nieuwe Timmerhuis, het monument ter ere van Louis Davids teruggeplaatst. Louis Davids is een naam die weinig jongeren nog iets zegt. Davids werd dan ook al geboren in 1883 en overleed vlak voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. Bij leven was hij een grote naam. In de jaren tussen de twee wereldoorlogen behoorde hij tot de meest populaire entertainers van Nederland.

Het levensverhaal van Louis Davids laat zich lezen als een sprookje: geboren in een van de armste buurten van Rotterdam. Maar met zijn ambitie en talent schopt hij het tot de absolute top. Louis Davids was een allround artiest die net zo makkelijk zong, acteerde als grappen opdiste. Een multitalent dus, maar wel een die graag zijn eenvoudige afkomst benadrukte en zo door veel Nederlanders geliefd werd omdat hij ‘zo gewoon was gebleven’. De tekst op het monument luidt: “Ik hoop dat als ik er niet meer zal zijn, mijn liedjes steeds in herinnering zullen blijven“. Het zijn ook vooral Davids’ liedjes die lang meegingen. De kracht van zijn liedjes was de herkenbaarheid. De jaren 1930 waren voor veel Nederlanders een moeilijke tijd. Een lied als ‘De kleine man’ verwoordde dat gevoel feilloos:

“Het is op ons kleine wereldje een beetje raar gesteld

Want de ene mens neemt veel te grote happen

De een woont in een villa en de ander bij de belt

En die moet zich op z’n teentjes laten trappen

De een slaat z’n slag, doet wat ie soms niet mag

En de andere, dat is een feit, betaalt steeds het gelag”

Wanneer Davids het lied ten gehore bracht, geloofde men hem ook. Op het podium stond een kleine man met hangende schouders, zijn handen in de steekzakken van zijn iets te grote colbertje. Dat Davids ook een meedogenloze zakenman was en in die tijd één van de best verdiende entertainers van het land was, ging grotendeels aan het publiek voorbij.

De jaren '30

Louis Davids’ talent lag ook in dat hij de veranderende smaak van het publiek goed wist aan te voelen. Hij vertrok naar Engeland om daar inspiratie op te doen, oftewel liedjes te ontdekken waar hij, in een Nederlandse vertaling, een hit mee kon scoren. Dat deed hij in een tijd dat veel artiesten hun blik op Frankrijk hadden gericht. Davids voelde echter aan dat muziek zoals die gespeeld werd in Engeland en de Verenigde Staten aan populariteit won.

De jaren ’30 worden door cabarethistorici als een slappe tijd beschouwd. De revue werd steeds geliefder en dat was familie-entertainment. Al te schunnige grappen werden vermeden, net als politiek commentaar. De grote revuester Davids besefte dat maar al te goed. Van hem ook geen kritisch woord over kerk of kapitaal.

Vooral over dat laatste had hij wel een kritische noot kunnen kraken. Louis Davids groeide op in de verpauperde Zandstraatbuurt. Zijn ouders waren beroepsartiesten die van kermis naar kermis trokken. Het waren outlaws. De gegoede burgerij haalde zijn neus op voor het variététheater waarmee de familie Davids het bestaan bij elkaar schraapte. Er waren variétéartiesten die hun hele loopbaan optraden met een act van een kwartiertje. Altijd hetzelfde kunstje. In deze wereld groeide Davids op. Het was een harde wereld, want van eerlijke gages was geen sprake. De artiesten, ook de heel goede, moesten na hun nummer met de pet in de hand langs het aanwezige publiek. Een ervaring waarbij vooral de vrouwelijke artiesten handtastelijkheden en vervelende opmerkingen moesten gedogen.

De eerste hoerenbuurt van Rotterdam

Wanneer de Davidsen niet op tournee waren, woonden ze in de Zandstraatbuurt, in de volksmond ook wel de Polder genoemd. Om het werk van Louis Davids beter te kunnen begrijpen, is enige kennis over deze volksbuurt noodzakelijk. De Polder bestond uit een wirwar van steegjes en sloppen en was de eerste hoerenbuurt van Rotterdam. Door de enorme groei van de haven en de beperkte uitbreidingsmogelijkheden in het hart van de stad, barstte de buurt in de tweede helft van de 19e eeuw bijkans uit zijn voegen.

De Polder werd bevolkt door een bonte mix van bewoners. Veel mensen werkten er in de amusementssector; het stikte er van de kroegen en animeerbarretjes. Maar ook de dames van lichte zeden en hun vaak criminele beschermheren hadden er hun plekje. Daarnaast woonde er een verhoudingsgewijs grote groep joden, waar Louis Davids er een van was. Het merendeel van de joden uit de Zandstraatbuurt had echter weinig van doen met het amusement waar de buurt zo berucht om was. De meeste werkten als venter en leurden met fruit of vis. Maar de ouders van Louis werkten dus als artiesten, en legden zo de basis voor het succes van Louis en de andere kinderen.

Burgemeester Zimmerman sloeg twee vliegen in een klap: eindelijk een mooie locatie voor zijn gedroomde stadhuis en een einde van een probleemwijk midden in de stad

De kinderen Davids werden door afwezigheid van hun ouders grotendeels opgevoed door hun oma, die om de eindjes aan elkaar te knopen dagelijks erop uit trok met haar sinaasappelkar. Dat het geen vetpot was in huize Davids moge duidelijk zijn. Dat geldt overigens voor het merendeel van de bewoners van de Zandstraatbuurt. Daar woonde je niet voor je plezier. De situatie was op een gegeven moment zo nijpend, dat het stadsbestuur zich (eindelijk) met de buurt ging bemoeien. Voor Zimmerman, de burgemeester destijds, een mooie gelegenheid om zijn plannen voor een nieuw stadhuis door te drukken. Op die manier sloeg hij twee vliegen in een klap: eindelijk een mooie locatie voor zijn gedroomde stadhuis en een einde van een probleemwijk midden in de stad. Het rosse leven van de Zandstraatbuurt verplaatste zich naar de Schiedamsedijk.

Herinnering aan Joods Rotterdam

Wat rest is een vage herinnering. De ooit zo roemruchte Zandstraat is alleen nog terug te vinden in krakende liedjes opgenomen voor de 78-toerengrammofoon en in de prachtige foto’s die Henri Berssenbrugge in de eerste jaren de 20e eeuw in de buurt schoot.

Daarom is het goed dat dit monument weer terug komt en juist op deze plek. Het beeld geeft niet alleen akte van de unieke artiest die Louis Davids was, maar wijst de 21e-eeuwse bezoeker ook op twee verdwenen werelden: die van de Zandstraatbuurt en die van Joods Rotterdam.

Reageer of deel op Social Media

Tags:Joods Rotterdam, Louis Davids en Zandstraatbuurt

Sectie: Kunst & Cultuur

kaart: Zandstraat, 3011 Rotterdam, Nederland
Ontvang de wekelijkse Vers Beton newsletter!

Op Vers Beton discussiëren we met liefde. We horen daarom graag je mening. Houd daarbij wel onderstaande richtlijnen in gedachten, dan weet je zeker dat je reactie zichtbaar blijft:

  • Draag inhoudelijk bij aan de discussie
  • Blijf on-topic
  • Speel op de bal, niet op de man
  • Wees respectvol: reacties waarin sprake is van schelden, haat, racisme of seksisme worden verwijderd
  • Reacties over huisregels en toelatingsbeleid worden verwijderd
  • We gaan niet in discussie over verwijderde reacties
  • Zie je reacties die niet aan de huisregels voldoen? Ons controlesysteem is niet waterdicht. Laat het ons weten via info@versbeton.nl

Verdiep de discussie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *