De TussenstandPolitiek9 mei 2016

Schaduwwethouder Sandra Phlippen: “Gemeente heeft meer real-time-informatie nodig”

De Tussenstand van het collegebeleid #4: Financiën

Het vierde interview in een reeks van zes met de schaduwwethouders van Vers Beton. Volgens Sandra Phlippen moet de wethouder Financiën het effect van investeringen meer inzichtelijk maken, om te kunnen experimenteren met alternatief beleid.

Sandra Phlippen Beeld: Jeroen van de Ruit
Lees ookPolitiekHet gedroomde college van Rotterdam

Twee jaar geleden, toen de coalitievorming nog in volle gang was, riep Vers Beton een schaduwcollege in het leven. Wij kozen zeven Rotterdamse schaduwwethouders voor ons ‘gedroomde’ stadsbestuur, die allen expert of ervaringsdeskundige zijn op een bepaald vakgebied. Inmiddels is de huidige coalitie na twee jaar besturen halverwege de rit. Daarom achten we de tijd rijp om met de schaduwwethouders de tussenstand op te nemen van twee jaar collegebeleid en hen opnieuw te vragen welke opgaven er nog liggen voor de toekomst.

In de voorafgaande weken publiceerden we interviews met Derk Loorbach, Anke Griffioen en Aruna Vermeulen. Vandaag is het de beurt aan Sandra Phlippen. Als hoofdredacteur van het economische vakblad ESB stond zij dagelijks met de belangrijkste economen, financiële promovendi en hoogleraren in contact. Haar proefschrift droeg ze op aan Rotterdam. Ze onderzocht daarin hoe farmaceuten hun strategische samenwerkingen kunnen optimaliseren. Sinds maart 2016 heeft zij een sabbatical en bezint zich op haar volgende carrièrestap.

Onze schaduwwethouder neemt haar taak uiterst serieus en belde de woordvoerder van wethouder Visser persoonlijk om de voorlopige cijfers over 2015 in handen te krijgen. Op dit moment zijn er alleen goedgekeurde cijfers over 2014 beschikbaar. Idealiter is een schaduwwethouder iemand die in de huid kan kruipen van de wethouder om te zien welke keuzes er gemaakt zijn en hoe die financieel uitpakten. Zoiets is op dit moment voor mij niet mogelijk, want de informatie ontbreekt. Ook voor de wethouder zelf. Dat is direct mijn belangrijkste kritiek.”

Een goede wethouder van financiën moet idealiter over real-timeinformatie over de kosten en baten van beleidsopties beschikken. Daarmee kan hij naast gemeentelijke interventies ook ruimte laten voor initiatieven van bewoners om te experimenteren met alternatieve beleidsopties. En investeren in de ICT om de effectiviteit daarvan op de voet te volgen.”

U kreeg de voorlopige resultaten over 2015. Visser laat ogenschijnlijk goede resultaten zien: er is honderd miljoen over op de begroting van afgelopen jaar.

Dat is op zich goed. Maar, zoals wethouder Visser zelf ook zegt: dat geld gaat voor een groot deel nog op aan declaraties die nog moeten binnenkomen en zit in projecten die vertraging hebben opgelopen. En ja, dat is zeker ook strategisch van hem: direct beargumenteren dat het heus wel op gaat. Want als je overhoudt krijg je volgend jaar minder. De oorzaak is ook dat er heel ruim begroot is. Dat vind ik kenmerkend voor het huidige college. Ze zijn heel erg voorzichtig en risicovermijdend.”

“Die voorzichtige houding en ruime begroting zijn begrijpelijk maar niet goed, vind ik. Begrijpelijk, want Rotterdam heeft met de decentralisatie een heel zware taak van het Rijk gekregen, maar krijgt daarvoor minder geld dan het Rijk er zelf voor nodig had. Dat is een risico. De gemeente heeft daarom haar oude werkwijze niet weggegooid, terwijl ze met de nieuwe aanpak in bijvoorbeeld de wijkteams begonnen is. Ik vind dat heel verstandig. Om nog een terugvaloptie te hebben. Maar dan moet je inderdaad ook ruim inbegroten.”

"Rotterdam heeft met de decentralisatie een heel zware taak van het Rijk gekregen, maar krijgt daarvoor minder geld dan het Rijk er zelf voor nodig had"

In 2014 stelde u nog dat de financiële risico’s van de decentralisatie onvoldoende waren ingecalculeerd in de reserves.

Ja, dat zei ik inderdaad. Toen, in 2014, was dat niet zichtbaar. Maar eigenlijk zijn er op alle posten in de begroting risicomarges ingecalculeerd. Het is alleen niet expliciet benoemd als bestemd voor de decentralisatie. In die zin blijken ze de risico’s van de decentralisatie dus wel te hebben meegenomen. Alleen op een andere manier dan ik had verwacht. Het is strategisch voor een wethouder financiën om bij het aankomen van de decentralisatie alle potjes op maximaal te zetten. Want op basis daarvan krijg je ook geld uit het gemeentefonds. Vergeet niet: driekwart van alle inkomsten komt daaruit.”

Rotterdam heeft in 2015, het jaar waarin de decentralisatie begon, 200 miljoen meer gekregen uit het gemeentefonds dan in 2014. Daarvan is honderd miljoen nu nog over. De consequenties? Nou, als maar de helft nodig bleek, dan krijg je volgend jaar minder. Vandaar dat Visser erg zijn best zal doen om te laten zien dat geld zeker op zal gaan.”

Begrijpelijk dus, een ruime begroting. Waarom zegt u dan toch dat het niet goed is?

Onze economie draait nog steeds ondertoeren, sinds de crisis. Het bedrijfsleven en consumenten voelen die onzekerheid en zijn niet bereid te investeren. De enige partij die het heft in handen kan en moet nemen in zo’n periode is de overheid. De gemeente kan de economie aanjagen door te spenderen.

Kansen voor bezuiniging

Voor 2016 staat er nog voor zestig miljoen aan bezuinigingen op de planning. Om de economie niet verder te remmen moet die bezuiniging niet uit inkoop komen, want inkoop creëert juist werkgelegenheid, stelt de schaduwwethouder. Waar zij wel kansen ziet voor besparing is op het ambtenarenapparaat. En wel door meer gebruik te maken van de ‘onderstroom’, de groepen in de samenleving die zelf hun eigen overheidsbehoeftes beter willen en kunnen organiseren.

Die onderstroom, waar mijn collega-schaduwwethouder Loorbach over sprak, is er zeker. Ik zie ook een groep in de Rotterdamse gemeenschap met allerlei netwerken en ideeën over hoe ze hun eigen overheidsbehoeftes kunnen organiseren. Zij zeggen: ‘geef ons nou maar geld, we kunnen het goedkoper en beter dan de gemeente en we organiseren onszelf wel. Laat ze dat vooral doen, vind ik. Je kunt daarmee bezuinigen op het ambtelijk apparaat en het geeft burgers die zelfredzaam willen zijn een kans.”

Een volledige vervanger voor sociaal beleid kunnen die initiatieven uit de onderstroom overigens niet zijn. Sociaal beleid moet gaan over alle Rotterdammers. Maar die groep kan wel de druk op sociale middelen ontlasten.”

Hoe kun je als wethouder financiën die onderstroom met het sociaal beleid samenbrengen?

Begin met geldschieters in beeld krijgen. In kaart brengen op welke terreinen van haar beleid er externe investeerders zijn die hun budget voor maatschappelijk verantwoord ondernemen lokaal zouden willen besteden. Want enerzijds heeft de gemeente haar eigen beleid, waarvan ze gelooft dat het werkt. Daarnaast zijn er allerlei partijen in de samenleving die geloven dat het anders moet. Ik zeg: laat ze het maar proberen. Al die initiatieven bieden een heel mooie kans om te experimenteren en verschillende beleidsinterventie uit te proberen. Een externe financier draagt daarbij het risico voor als iets mislukt.

Deze gemeente is als eerste in Nederland bezig met alternatieve financieringsstructuren. Want we zitten krap en hebben weinig te investeren. Daarom zoeken we naar alternatieve samenwerkingsvormen. Door samenwerking aan te gaan met allerlei private investeerders met een sociale doelstelling, kan de gemeente haar investeringen verveelvoudigen.”

Een goed voorbeeld zijn de social impact bonds die ABN Amro heeft gefinancierd voor het beleid waarin jongere werklozen aan werk of aan een onderneming werden geholpen. Dit bestaat naast het eigen jeugdwerkloosheidbeleid van de gemeente. Een sociaal ondernemer begeleidt jongeren een jaar lang, onderzoekt hun passie en wil hen op die manier aan een baan of onderneming helpen. De eerste cijfers zijn nu inzichtelijk en het lijkt een enorm succes te worden.

"Vanuit de samenleving is er een luide roep om een andere aanpak: een tegenprestatie leveren op een gebied waar je kracht ligt"

Ontstaat er geen wildgroei aan sociale projecten op die manier?

Nou, het heikele punt is het meten. Om de verschillende beleidsopties eerlijk met elkaar te kunnen vergelijken moet je betrouwbare effectmetingen hebben. Je moet weten of de 160 jongeren in de ABN Amro-case niet toevallig heel goed te helpen waren. Of dat de groepen vergelijkbaar waren en willekeurig over de programma’s verdeeld. Cruciaal is dus om samen met de Rekenkamer en de wetenschap vanaf het begin af aan een methode te ontwikkelen om het effect van ieder experiment goed in beeld te brengen. Wees dus niet bang voor instellingen die allemaal hun sociale programma’s starten, maar gebruik dat om uit te testen wat de mogelijkheden zijn en welke beleidsmethoden het beste werken.”

“Een leuk voorbeeld vind ik de bijstand. Enerzijds is er dat ‘verplicht papierprikken’ van Struijvenberg, waar hij zo om verguisd wordt. Vanuit de samenleving is er een luide roep om een andere aanpak: een tegenprestatie leveren op een gebied waar je kracht ligt. Dat zou de tweede optie kunnen zijn. En de derde optie: helemaal geen tegenprestatie. Zoek dan verschillende financiers bij de verschillende beleidsopties, kijk wat de kosten van zo’n interventie zijn en wat het oplevert. Het is daarbij wel extreem belangrijk dat het om vergelijkbare groepen gaat. Ik denk dat het een erg leuk idee is. Laat andere initiatiefnemers maar experimenteren met een eigen tegenprestatie, of een verblijf in de bijstand zonder consequenties.”

Is dat monitoren wel een taak van de wethouder financiën?

Jazeker. De wethouder maakt in wezen al het andere beleid mogelijk. Er is geen ander die zich zo duidelijk realiseert: een euro uitgegeven in het ene programma, is een euro niet uitgegeven in het andere programma. Terwijl alle andere wethouders strijden om hun programma uit te voeren, is het juist de wethouder Financiën die moet zeggen: ‘met deze investering zijn mensen het beste geholpen, daarom doen we deze wel en die andere niet.’ Hij heeft veel meer realtimeinformatie nodig over de kosten en baten van verschillende beleidsopties. Niet alleen in geld maar ook in maatschappelijk waarde.

“De wethouder Financiën zou dus wat mij betreft een soort dashboard voor zich moeten hebben met allerlei programma’s en projecten, waarop hij zo snel mogelijk informatie heeft over de kosten van een programma en de uitkomsten. Hoe meer en hoe sneller hij dergelijke informatie heeft, hoe sneller hij kan bijsturen. Zo van: dit programma blijkt minder effectief dan we dachten, we hevelen het geld over naar dat programma want daar hebben mensen meer aan. Dat is pas echt evidence-basedbeleid voeren.

Wat is nodig om zo’n kosten-baten dashboard te realiseren?

Een enorme investering in ICT. En dat is denk ik ook wel wat de wethouder van plan is. Niet al die apps om de service voor de burger beter te maken, dat is allemaal voor de bühne. Wat de wethouder echt nodig heeft, zijn de ICT-mogelijkheden om de effectiviteit van beleidsopties op de voet te kunnen volgen. En daarmee is het cirkeltje weer rond. Dan kunnen eigenlijk iedere burger en de Rekenkamer veel beter schaduwen.”

“De decentralisaties zijn op last van de gemeente gekomen, maar het rijk behoudt het alleenrecht om de effecten te meten en te controleren. Het zou veel efficiënter zijn als de Rekenkamer de middelen krijgt om zelf die effectmeting in de hand te nemen. Het CPB heeft heel goede economen, natuurlijk. Maar de Rekenkamer kan samenwerken met wetenschappers aan de Erasmus Universiteit. Daar kunnen ze de data prachtig gebruiken om te publiceren. Daarbij komt dat ik als Rotterdammer heel andere dingen wil weten dan het Rijk. Wat is het effect van wijkteaminterventies in Rotterdam? Wat gebeurt er bij de uitvoering van WMO door de gemeente, welke strategie volgt ze op dit moment? Wat zijn de alternatieven en waarom kiezen we daar niet voor, bijvoorbeeld?”

“Het is oneerlijk om dat af te schuiven als rendementsdenken. Natuurlijk, het is gevaarlijk om alles alleen maar monetair uit te drukken. Daarom is het meten van tevredenheid en inkomensstabiliteit op de lange termijn heel belangrijk. Maar je moet niet doen alsof het niets kost. Een investering in een mens op de ene plek, moet op de andere plek worden opgehoest. Het is alleen maar fair om dat in beeld te brengen. Zodat de wethouder financiën de afweging kan maken waar je die ene euro het beste in kunt investeren. En dat je hem daar investeert waar wat hij oplevert het beste in balans is met wat het kost.

De Tussenstand: het schaduwcollege maakt de balans op van de coalitie Beeld: Jeroen Van de Ruit

De Tussenstand: kom naar het debat

Dit is het vierde interview in de reeks met zeven schaduwwethouders, die tot stand is gekomen in samenwerking met LOKAAL. Deze interviews monden uit in een debat dat we samen met LOKAAL en de Bibliotheek Rotterdam organiseren op zaterdag 28 mei. Onderwerp: De tussenstand van het collegebeleid. Het debat vindt plaats in de centrale hal van de bibliotheek (aanvang 14.00 uur, toegang gratis). De gespreksleiding is in handen van Geert Maarse.Meer info, klik hier.

Reageer of deel op Social Media

Tags:financiën, Philipsen, schaduwwethouder en tussenstand

Secties: De Tussenstand en Politiek

Ontvang de wekelijkse Vers Beton newsletter!

Op Vers Beton discussiëren we met liefde. We horen daarom graag je mening. Houd daarbij wel onderstaande richtlijnen in gedachten, dan weet je zeker dat je reactie zichtbaar blijft:

  • Draag inhoudelijk bij aan de discussie
  • Blijf on-topic
  • Speel op de bal, niet op de man
  • Wees respectvol: reacties waarin sprake is van schelden, haat, racisme of seksisme worden verwijderd
  • Reacties over huisregels en toelatingsbeleid worden verwijderd
  • We gaan niet in discussie over verwijderde reacties
  • Zie je reacties die niet aan de huisregels voldoen? Ons controlesysteem is niet waterdicht. Laat het ons weten via info@versbeton.nl

Verdiep de discussie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *