Wetenschap en onderwijs9 juni 2016

Analyse: Waarom de kleinschalige mbo-scholen er in Rotterdam uiteindelijk toch niet kwamen

De analyse

Van eind 2012 tot juni 2015 werkten Albeda en Zadkine aan de verwezenlijking van zelfstandige mbo-scholen. In de reconstructie schetsten we hoe enthousiasme in tweeëneenhalf jaar omsloeg in grote teleurstelling. Maar wat ging er nou mis?

UPDATE 9-6-16 13:10: luister hier het interview met Ronald Buitelaar bij Radio Rijnmond.

‘Een Rotterdamse oplossing voor een Rotterdams probleem’. Dat hadden de besturen van Zadkine en Albeda voor ogen toen ze begin 2013 met het voorstel kwamen om hun instellingen om te vormen naar zelfstandige mbo-scholen.

Het plan was gedoemd te mislukken, blijkt uit de reconstructie achteraf. De ondernemingsraad van het Albeda, het personeel dus, sloot onverwacht een monsterverbond met de minister van Onderwijs en “trok de pin uit de door de minister geleverde granaat”. Maar waarom werkte Den Haag zo tegen? Waarom was de ondernemingsraad zo tegen de veranderingen? En wat betekent dit nu voor het beroepsonderwijs in Rotterdam?

Dans Beeld: Max van Dongen

1. Kleinschalig onderwijs, wie wil dat nou niet? Waarom verzette Den Haag zich dan zo tegen de Rotterdamse plannen?

Het korte antwoord: ook minister Jet Bussemaker van Onderwijs zat met de grootschaligheid in haar maag, maar ze wilde de oplossing in eigen handen houden. Ze had geen behoefte aan eigenwijze Rotterdamse bestuurders die haar in de weg liepen.

Grootschaligheid was een erfenis van onderwijsminister Jo Ritzen. Die had in de jaren negentig het beroepsonderwijs omgevormd van een gefragmenteerd stelsel van talloze instellingen, scholen en initiatieven die langs en door elkaar heen werkten, tot een stelsel van enkele tientallen regionale opleidingscentra (ROC’s), die de boel regionaal coördineerden én aanspreekpunt waren voor de minister. Dat was overzichtelijk en helder.

Maar de grootschalige ROC’s werkten zichzelf de laatste jaren steeds vaker in de nesten met duur vastgoed en torenhoge schoolkosten. De belangen van docenten, studenten en ouders stonden in elk geval in de beeldvorming vaak niet voorop. Haar ultieme afstraffingswapen, een ROC failliet laten gaan, durfde de minister niet in te zetten: de ROC’s waren too big to fail. Dus moest ze ROC Leiden redden, op kosten van de rest van het mbo trouwens.

Ondertussen werd de roep om kleinschalig onderwijs steeds luider. De opinierubrieken toonden steeds vaker de bekende romantische beelden van jongeren die letterlijk met hun handen aan hun toekomst werkten, altijd in persoonlijke settings, en onder leiding van een vakman.

Ja, dat soort kleinschalig onderwijs wilde de minister ook wel. Maar zij wilde niet terug in de tijd, niet terug naar het gefragmenteerde stelsel waar Ritzen nu juist een einde aan had gemaakt. Dat zou een einde betekenen van haar bestuurlijke macht, want zo’n stelsel is voor een minister niet aan te sturen.

Examen heftruckrijden Beeld: Max van Dongen

2. Rotterdam ging tegen de stroom in. Hadden de Rotterdamse besturen meer mee moeten geven?

Bestuursvoorzitters Anja van Gorsel (Albeda) en Luc Verburgh (Zadkine) waren allebei new kids on the block die in de ogen van collega’s en de minister voor onrust kwamen zorgen in het tot nu toe rustige mbo. Van Gorsel en Verburgh wilden de vaart erin houden en met pragmatische oplossingen werken aan het gewenste onderwijs. Hierbij werden ze gesteund door belangrijke spelers in het lokale bedrijfsleven: Klaas Groenendijk en Leendert Bikker schaarden zich in hun rol als voorzitter van de Raad van Toezicht achter de plannen. Rotterdam wilde dus wel.

Van Gorsel wist dat de minister nadacht over het stelsel. Daarom verkocht ze de samenwerkingsplannen als Rotterdamse plannen: zo hoopte ze een eigen koers te kunnen varen en buiten de discussie over een eventuele stelselwijziging te blijven.

Maar de ambtelijke werkelijkheid liet geen uitzonderingen voor Rotterdam toe. Neem alleen al de kwestie van de BRIN-nummers: de nummers waarmee de minister de instellingen identificeert en financiert. Die konden alleen aan ROC’s toegekend worden, en niet aan de kleinschaliger mbo-scholen. Van Gorsel en Verburgh trachtten hier omheen te werken, onder andere door een coöperatieve vereniging op te richten.

En tegen de stroom inroeien kost geld. KPMG rekende voor dat de plannen 36 miljoen zouden kosten, waarvan 7 miljoen ‘risico’. KPMG rekende met een hoge risico-opslag omdat er onvoldoende zicht was op de financiële risico’s van de plannen, zolang Den Haag de plannen niet ondersteunde.

De minister wilde geen Rotterdamse oplossing en dwong Rotterdam in de pas van de door haar gewenste modellen: de samenwerkingsschool of een gemeenschap van scholen. Beide modellen hebben een bestuurslaag boven de mbo-scholen, als aanspreekpunt voor de minister. En juist die overkoepelende bestuurslaag wilden de Rotterdamse bestuurders niet. Dat zou neerkomen op een mega-fusie tussen Zadkine en Albeda, de gewenste zelfstandigheid van de mbo-scholen zou dan ver te zoeken zijn. En zelfstandigheid is een voorwaarde voor kleinschaligheid, vonden ze, want om snel te kunnen schakelen zijn korte lijntjes nodig.

Als de minister had gewild, had ze vast wel een uitzondering voor de Rotterdamse ROC’s kunnen maken. Maar de minister leek ook weinig zin te hebben om mee te werken aan de Rotterdamse oplossing. Was ze gepikeerd? Mogelijk. In een tijd waarin de minister haar grip op het mbo weer probeert te verstevigen is het niet handig als eigenzinnige Rotterdamse bestuurders beginnen te peuteren aan het ROC-concept.

Verpleging Beeld: Max van Dongen

3. Waarom werkte de ondernemingsraad van Albeda dan tegen?

Beide ondernemingsraden hadden bedenkingen bij de plannen. Met name de ondernemingsraad van Albeda ging hard tegen de plannen in. Waarom?

Voor een deel is dit te verklaren uit cultuurverschillen: Albeda en Zadkine waren concurrenten en hadden een andere visie op onderwijs. Albeda heeft altijd veel meer nadruk gelegd op zorg. Dat ging in begin deze eeuw zelfs zo ver dat studenten die op straat leefden een flat kregen en ook bood de school schuldhulpverlening en verslavingszorg. Het bleek financieel niet lang houdbaar en toen ook de gemeentelijke financiering voor inburgeringstrajecten wegviel en Albeda in figuurlijke zin het schip inging met de plannen voor de SS Rotterdam, moest er stevig in financiën en personeel gesnoeid worden.

De medewerkers van Albeda likten nog hun wonden toen de samenwerkingsplannen met Zadkine op tafel kwamen. Maar Zadkine was ook in financiële moeilijkheden geraakt en was daar nog niet uit. De ondernemingsraad van Albeda stond dan ook meteen al op scherp. Ze waren net zelf uit de problemen: probeerde Zadkine, de oeroude concurrent, nu zijn financiële problemen op Albeda af te wentelen?

Lees ookWetenschap en onderwijsReconstructie: Hoe de kleinschalige mbo-scholen er in Rotterdam uiteindelijk toch niet kwamenPrecies lezen wat er gebeurde? De reconstructie zet alle feiten op een rij.

De ondernemingsraad had bovendien bedenkingen bij de aanpak van Van Gorsel en Verburgh. Die wilden vooral doorpakken, ook al was dat tegen het Haagse beleid in. De ondernemingsraad wilde liever geleidelijk toewerken naar kleinschalige mbo-scholen, te beginnen met het Techniekcollege en dan rustig verder werken, met steun van de minister. Ze waren bang dat het onderwijs, zeker aan de zwaksten, zou lijden onder een in hun ogen roekeloos proces van verzelfstandiging van de mbo-scholen.

Toen bleek dat de samenwerking miljoenen zou kosten, was het voor Van Gorsel haast onmogelijk om de ondernemingsraad nog mee te krijgen. En toen langzamerhand duidelijk werd dat de minister alleen de mbo-scholen zou ondersteunen als er een bestuurlijke toplaag zou blijven, de facto een fusie tussen de Albeda- en Zadkinebesturen, nam de ondernemingsraad van Albeda een ongebruikelijke stap: hij passeerde het eigen bestuur en deelde de kritische opvattingen over de samenwerking met een externe partij: het ministerie.

Toneel Beeld: Max van Dongen

4. Een verraderlijke driehoeksverhouding dus (en dan zeggen ze dat het mbo niet spannend is). Heeft de minister de ondernemingsraad van Albeda voor haar karretje gespannen?

Een beetje wel.

Formeel kon de ondernemingsraad de fusie tegengaan, want de medezeggenschap heeft instemmingsrecht bij fusies. Het is dus misschien overdreven om met Luc Verburgh te zeggen dat de OR ‘de pin uit de door het ministerie verstrekte handgranaat trok’. Want die handgranaat had de OR al. Maar de minister gaf er wel de handleiding bij door ze op hun instemmingsrecht te wijzen. Zonder die Haagse steun had de ondernemingsraad van Albeda tegenover een groot blok van voorstanders gestaan: de raden van bestuur, de raden van toezicht en de ondernemingsraad van Zadkine. Nu wisten ze dat de minister hun beslissing zou steunen.

De minister liet daarmee zien wat de impact kan zijn van de Wet Versterking Bestuurskracht, die binnenkort in de Eerste Kamer ter stemming wordt gebracht en als doel heeft de medezeggenschap te versterken in het beroepsonderwijs.
De ROC-besturen zijn in de ogen van de minister te machtig geworden en in de Kamer worden de geluiden om docenten, studenten en ouders meer zeggenschap te geven steeds luider. Door hen meer in positie te brengen, zou de macht van de bestuurders ingetoomd kunnen worden.

Dat is eigenlijk precies wat er gebeurde: de minister gaf de medezeggenschap feitelijk de beslissende stem, het plan van ROC-bestuurders Verburgh en Van Gorsel lag in duigen. Een duidelijke waarschuwing naar álle ROC-bestuurders.

Grafisch Beeld: Max van Dongen

5. En de student? Oh ja, de student!

De minister trok aan het langste eind. Maar wat won ze? En wat wonnen wij? Krijgt Rotterdam nu beter onderwijs?

We weten het niet. Wat we weten is dat de grote Zadkine en Albeda het stukken slechter doen dan de kleinschalig georganiseerde concurrenten in de stad. In de keuzegids mbo 2015 behaalt Zadkine 51,5 punten en Albeda 54,5 punten. Ter vergelijking: De Rotterdamse vakscholen, het Grafisch Lyceum, het Hout- en Meubileringscollege en het Scheepvaart en Transportcollege halen respectievelijk 70,5, 63 en 59 punten. En het reformatorische Hoornbeeckcollege, een ROC met een vestiging van tweeduizend leerlingen in Rotterdam, werd in 2015 voor de zesde maal tot beste ROC uitgeroepen met 84,5 punten.

Het zijn tekenen dat het onderwijs beter kleinschaliger georganiseerd kan worden. Let op: ook de beoogde mbo-scholen zouden nog een groot aantal studenten hebben, zo’n zevenduizend tot negenduizend. Klein kun je dat bepaald niet noemen. Kleinschaligheid gaat dan ook niet zozeer om de grootte van de organisatie, maar om een andere manier van organiseren, die betere mogelijkheden biedt om samen met het bedrijfsleven en andere partners het beste beroepsonderwijs te organiseren. Dat betekent: goed aansluitend op de lokale situatie.

De minister kreeg haar zin maar het is de vraag of het onderwijs er beter van wordt. Haar inmenging is voor de stad in elk geval niet opbouwend geweest, de relaties tussen Zadkine en Albeda waren na het ‘verraad’ van Albeda ijskoud, en de verdere samenwerking staat wel even in de ijskast. Ook bij het autoriseren van de reconstructie bleek weer dat de wonden nog niet geheeld zijn.

Met steun van de minister had het beroepsonderwijs in Rotterdam er nu anders uit kunnen zien: ze had de ondernemingsraad van Albeda mogelijk binnenboord kunnen houden, formele barrières uit de weg kunnen helpen en meer duidelijkheid kunnen verschaffen (met mogelijk een ander kostenplaatje). Maar de minister koos voor haar eigen lijn, vóór centrale controle. De bestuurders van Albeda en Zadkine roeiden tegen deze stroom in.

Goed beroepsonderwijs sluit naadloos aan bij de lokale situatie. Dat de minister zicht en controle op het onderwijs in het land wil houden, is begrijpelijk, het gaat om een grote groep jongeren waar ze verantwoordelijk voor is. Daarom wilde ze een bestuur boven de scholen, een duidelijk aanspreekpunt. De Rotterdamse besturen stellen, denken we, terecht vast dat zelfstandigheid een voorwaarde is voor kleinschaligheid. Zelfstandige mbo-scholen kunnen zelf en snel relaties aangaan met de stad en hun eigen onderwijs vormgeven. En dat is ook riskant: wat als ze “onverantwoordelijke” keuzes maken? De hamvraag is daarom ook: geeft de minister lokale onderwijsbestuurders de ruimte om aan lokale onderwijsproblemen te kunnen werken? Of houdt ze vast aan haar eigen lijn, ook als dat betekent: géén kleinschalig onderwijs.

De feitelijke gebeurtenissen rondom de fusie staan beschreven in de reconstructie. Hier las je onze interpretatie van de gebeurtenissen. Heb jij een andere interpretatie? Interessant! Of nog een vraag? Laat het ons weten via de reacties hieronder.

Ronald Buitelaar bij Wakker Rijnmond over de resultaten van het onderzoek

Reageer of deel op Social Media

Tags:Albeda, beroepsonderwijs, Bussemaker, fusie, kleinschalig, mbo-colleges en zadkine

Sectie: Wetenschap en onderwijs

kaart: Binnenhof, Den Haag, Nederland
Ontvang de wekelijkse Vers Beton newsletter!

Op Vers Beton discussiëren we met liefde. We horen daarom graag je mening. Houd daarbij wel onderstaande richtlijnen in gedachten, dan weet je zeker dat je reactie zichtbaar blijft:

  • Draag inhoudelijk bij aan de discussie
  • Blijf on-topic
  • Speel op de bal, niet op de man
  • Wees respectvol: reacties waarin sprake is van schelden, haat, racisme of seksisme worden verwijderd
  • Reacties over huisregels en toelatingsbeleid worden verwijderd
  • We gaan niet in discussie over verwijderde reacties
  • Zie je reacties die niet aan de huisregels voldoen? Ons controlesysteem is niet waterdicht. Laat het ons weten via info@versbeton.nl

Verdiep de discussie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *