Stedelijke ontwikkeling & architectuur10 juni 2016

Het roemrijke verleden van het ‘Stadstimmerhuis’

Het Timmerhuis is een centraal punt tijdens de Dag van de Architectuur op 18 juni: een eerbetoon aan het roemrijke verleden ervan, waarover Guus Vreeburg graag meer vertelt.

Beeld: Stadsarchief Rotterdam

Zoals elke Hollandse stad had ook Rotterdam eeuwen geleden een stadstimmerman in dienst, verantwoordelijk voor alles wat in de stad namens de stad gebouwd werd. Hij verrichte zijn werk vanuit een stadstimmerhuis. Later heette dezelfde functie ‘stadsbouwmeester’ en tegenwoordig hebben we daar een Dienst Gemeentewerken en een Dienst Stedenbouw en Volkshuisvesting voor. De eerste met naam bekende Rotterdamse stadstimmerman was Claes Jeremiasz. Persoons (? – 1692). De Persoonsdam, -haven, -kade, en -straat werden naar hem vernoemd. Hij maakte zich halverwege de zeventiende eeuw onsterfelijk toen hij erin slaagde het scheefzakken van de Laurenskerktoren te verhelpen.

De Rotterdamse stadstimmermannen

Toch moeten in Rotterdam ook voor Persoons al stadstimmermannen actief zijn geweest. Een grootscheepse uitleg van de middeleeuwse Waterstad (1578 – 1615) tussen de Oude Haven en de toen nieuw aangelegde Leuvehaven met de Boompjes als sluitstuk, is zonder centrale planning ondenkbaar. In dit verband duikt de naam van Henrijck Haestens op, die van deze uitbreiding in 1599 een eerste kaart publiceerde.

Ook waren er eerder al diverse stadstimmerhuizen in Rotterdam, zo blijkt. Bij een grote stadsbrand in 1563 ging het toenmalige stadstimmerhuis, in de buurt van het Westnieuwland, verloren. Het volgende, aan de Westewagenstraat, werd in 1599 afgebroken en vervangen door nieuwbouw aan de Peperstraat. Halverwege de zeventiende eeuw werd ook dat gebouw afgebroken. Op dezelfde locatie verrees een nieuwe, ruime stadswerf met niet alleen woonruimte voor de stadstimmerman en zijn bedienden, maar ook vergaderruimtes voor de ‘meesters’ van de technische dienst en het archief. Dit stadstimmerhuis aan de Peperstraat bleef bestaan tot in de twintigste eeuw. In 1855 werd, in aanvulling op het Stadstimmerhuis, een aparte Dienst Gemeentewerken opgericht, die later, in de jaren tachtig van de twintigste eeuw ondergebracht zou worden in één van de drie Marconitorens.

“Het Stadstimmerhuis aan de Meent was een van de eerste grote gebouwen opgetrokken in de naoorlogse leegte”

Vroeger had het woord ‘timmeren’ een veel uitgebreidere betekenis. Het middelnederlandse timb(e)ren sloeg op bouwen in het algemeen. In 1327 komt de term timmer voor als bouwwerk. Je vindt dat woord ook nu nog terug in het Engelse timber (timmerhout). Al die woorden stammen uit tijden dat hout nog het belangrijkste bouwmateriaal was. Maar later, toen tenminste voor bijzondere en voorname bouwwerken ook baksteen en zelfs natuursteen gebruikt werd, bleef die algemene betekenis van timmeren als ‘bouwen’ in zwang. Vandaar dat Claes Persoons de titel ‘stadstimmerman’ kreeg en zijn werkzaamheden verrichtte vanuit een ‘stadstimmerhuis’.

Het huidige Stadstimmerhuis aan de Meent werd in 1947 ontworpen door ir. J.R.A. Koops en gebouwd tussen 1950 en 1953. Het was een van de eerste grote gebouwen die werd opgetrokken in de naoorlogse leegte. Koops (1902 – 1974) was al jong in dienst bij Gemeentewerken. Tussen 1927 en 1930 mede-ontwierp hij het definitieve plan voor het Kralingse Bos en vlak na de oorlog het voormalige PTT-complex tussen Binnenrotte en Botersloot. Daarna volgde het Stadstimmerhuis. Ook afkomstig van Koops’ tekentafel zijn de Hofpleinfontein (1955), en de uitbreiding van het toenmalige Gemeentearchief aan de Mathenesserlaan (1970).

Voor het Stadstimmerhuis had Koops een immens complex voor ogen: een hoofdgebouw langs het Haagseveer en haaks daarop vier vleugels in de richting van het Rodezand. Daarvan werd uiteindelijk alleen die langs de Meent gerealiseerd. De ruimte eromheen werd pas in de jaren zeventig volgebouwd met een driedelig complex langs het Rodezand, naar ontwerp van ir. Ronald Gill. Dat werd nieuwe kantoorruimte voor de gemeentesecretarie en was daarom met een loopbrug verbonden met het stadhuis. Gemeentewerken verhuisde in de jaren tachtig naar het Marconiplein en slechts 37 jaar na de eerste paal werd Gill’s uitbreiding in 2011 alweer gesloopt.

Modern monument

Koops’ Stadstimmerhuis is in 2000 gemeentelijk monument geworden. Het is de afgelopen jaren uitwendig zorgvuldig gerestaureerd. Inwendig werd het aangepast aan nieuwe gebruikseisen. Het staat er nu, zoals we allemaal weten, weer in oorspronkelijke glorie bij. Statig, met zijn strakke horizontale geleding, genuanceerd door eindeloze reeksen modulaire, verticale vensters – keurig in het gelid – en dat alles uitgevoerd in baksteen met betonnen en natuurstenen details. Ook door zijn puntdaken en schoorstenen oogt het wellicht traditionalistisch, maar vergis je niet: het heeft een betonnen skelet dat ook in de gevels zichtbaar is. Die gelijkmatige vensterrijen – aan het Haagseveer onderbroken door verticale trappenhuizen – zijn even plattegrond-neutraal als de glasgevels van Van Nelle. Net als de ‘levende plint’ met winkel- en horecaruimte aan de Meent. Allemaal erg modern dus. Dat werd ook destijds onderkend.

“De architect schreef dat er naar gestreefd is een prettige, lichte sfeer in het gebouw te brengen”

Naar aanleiding van de ingebruikname schreef Het Vrije Volk op 17 november 1953:

“[…] Strak, maar niet ongevoelig is de massale gevellijn, waarin de talloze ramen als delen in een grotere eenheid opgaan. Verraadt de buitenkant reeds nadrukkelijk, dat men hier met een dienstgebouw heeft te maken, het interieur draagt dit merkteken zo mogelijk nog nadrukkelijker. De gangen “zonder einde”, die aan de binnenzijde van het lengtegebouw lopen, geven via een aantal deuren, die men bijna naar believen in aantal kan vermeerderen, resp. verminderen, toegang tot de kantoor- en tekenvertrekken, directiekamers en conferentiezalen. Tussenliggende wanden kunnen gemakkelijk op ongeveer elke twee meter frontlengte verplaatst worden, al naar de behoefte aan grote of kleine vertrekken. De architect schreef in een toelichting, dat er naar gestreefd is een prettige, lichte sfeer in het gebouw te brengen en dat daarnaast getracht is tot uitdrukking te brengen, dat allen, in het gebouw werkzaam zijnde, behoren tot één grote “werkgemeenschap”. Vandaar “het vaste rhythme” voor de overigens grote verscheidenheid van werkruimten. […]”

Hoezeer het Stadstimmerhuis leefde in de harten van degenen die er werkten blijkt uit een gesprek met de heer Jacobus Kielen, die er in 1953 assistent-tekenaar van de stedenbouwkundige dienst was. Al jaren gepensioneerd reageerde hij geëmotioneerd toen hij hoorde van de restauratie van het Stadstimmerhuis.

De werkkamer van de stadsarchitect in het oude Stadstimmerhuis. Beeld: Stadsarchief Rotterdam

Epicentrum van de wederopbouw

Mijzelf valt steeds weer de grote zorgvuldigheid in detaillering op. De kopse wanden van de bouwdelen – heel ondiep eigenlijk, dus overal kan daglicht binnenkomen – zijn opgemetseld uit slanke baksteen in kettingverband. De vlakken van de langsgevels hebben doorlopende plinten in natuursteen. Daarboven de eigenlijke gevels, met verticale geledingen van prefab betonprofielen die het betonskelet binnen volgen. Met daartussen de raamopeningen met stalen vensters. De borstweringen onder die vensters weer in dezelfde slanke baksteen, met in het midden een siermotief. Bliksemafweringen en leidingen lopen door uitgespaarde sleuven. De puien van de winkelruimten aan de Meent zijn uitgevoerd in messing. Binnen is het betonskelet goed zichtbaar: in het werk gestort. Scheidingswanden, tegenwoordig ontdaan van stucwerk zoals de mode voorschrijft, blijken opgetrokken uit baksteenbrokken. Wellicht nog afkomstig uit ‘de puin’?

Het gehele Timmerhuis in beeld, met het stadstimmerhuis van Koops uit 1953 en de nieuwe aanbouw door OMA uit 2015. Beeld: Ossip van Duivenbode

Laten we de Rotterdamse architectuur óók waarderen om de geschiedenis die er nog is. Er is veel weg en er is veel nieuw, maar wie goed kijkt en luistert herkent de historie van de stad in alle gemaakte keuzes. Tijdens de dertigste editie van de Dag van de Architectuur staat de wederopbouw van Rotterdam centraal. In het Timmerhuis – daar waar oud en nieuw elkaar ontmoeten – wordt stilgestaan bij de geschiedenis van dit bijzondere gebouw.  Aan de kopgevel ervan prijkt sinds 1980 een bronzen plaquette, naar ontwerp van Cor van Kralingen. Het toont een profielportret van ir. Cornelis van Traa (1899 – 1970). Hij plande – als stadsarchitect tussen 1940 en 1964 – de Wederopbouw van de Rotterdamse binnenstad vanuit dit ‘Stadstimmerhuis’.

Juni is dé maand om de gebouwen van Rotterdam te beleven en mee te denken over de toekomst van de stad tijdens de Rotterdam Architectuur Maand, een initiatief van Architectuur Instituut Rotterdam (AIR), Rotterdam Festivals en Rotterdam Partners.

De sectie Stedelijke Ontwikkeling & Architectuur wordt mede mogelijk gemaakt door AIR, het Architectuur Instituut Rotterdam. (meer info)

Lees meer:

Reageer of deel op Social Media

Tags:Dag van de Architectuur, Meent, RAM16, Rotterdam Architectuur Maand, Stadstimmerhuis en Timmerhuis

Sectie: Stedelijke ontwikkeling & architectuur

Op Vers Beton discussiëren we met liefde. We horen daarom graag je mening. Houd daarbij wel onderstaande richtlijnen in gedachten, dan weet je zeker dat je reactie zichtbaar blijft:

  • Draag inhoudelijk bij aan de discussie
  • Blijf on-topic
  • Speel op de bal, niet op de man
  • Wees respectvol: reacties waarin sprake is van schelden, haat, racisme of seksisme worden verwijderd
  • Reacties over huisregels en toelatingsbeleid worden verwijderd
  • We gaan niet in discussie over verwijderde reacties
  • Zie je reacties die niet aan de huisregels voldoen? Ons controlesysteem is niet waterdicht. Laat het ons weten via info@versbeton.nl

Verdiep de discussie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *