Oude Koeien4 juli 2016

De hardwerkende Rotterdammer

Rotterdam heeft het imago van een arbeidersstad. Zit er iets in het Maaswater? Trots zijn we in ieder geval op ons harde werken.

Rotterdammers staan al heel lang te boek als noeste werkers. “Te Rotterdam is alles met een geest van bezigheid en drukte bezield; de geheele stad is een nest van nijvere mieren, een korf van rustelooze werkbijen; het is of de pols van die stad eenige slagen sneller klopt dan die van alle andere hollandsche steden”, schreef dichter en predikant J.P. Hasebroek in 1840.

Tachtig jaar later zou de bekende journalist M.J. Brusse ‘t hem nazeggen. “Rotterdam is de werkman in de familie van de Nederlandsche steden”, schreef hij in zijn Rotterdamsche zedenprenten. “En gij moogt daarop neer zien, gij moogt daarop smalen, gij moogt er ons om mijden, […] – wij zijn trotsch op onze werkhanden, trotsch op onzen werkmanskiel, trotsch op onzen eenvoud, die gij dan gerust benepenheid, behoudendheid, stugheid, gebrek aan innemendheid, aan goede manieren, aan beschaving zelfs moogt noemen”.

De goede naam van Rotterdam

Wie dit soort uitspraken leest, zou haast denken dat ijver en werklust onwrikbaar verankerd zijn in het DNA van de Maasstedeling. Dat is natuurlijk niet waar. Als het al klopt dat Rotterdammers geneigd zijn harder te werken dan andere Nederlanders, dan is dat eerder het resultaat van opvoeding dan van erfelijkheid. We moeten werken voor onze centen, zo is ons immers van jongs af aan ingeprent. En als we ook maar even dreigen te verzaken, dan zijn de politici en de captains of industry er als de kippen bij om ons op onze plicht te wijzen.

Dat gebeurde bijvoorbeeld vlak na de Tweede Wereldoorlog. In die periode leefde de overtuiging dat het slecht gesteld was met de arbeidsmoraal. Menig Rotterdammer vond dat zijn stadgenoten tijdens de bezetting waren veranderd in onbetrouwbare sjacheraars, die liever lui dan moe waren. In die opvatting werden ze gesterkt door het optreden van de havenarbeiders, die in de zomer van 1945 een paar keer en masse het werk neerlegden. Ze eisten toen nieuwe schoenen en overalls, loonsverhoging én een arbeidsdag van vier tot zes uur. De pers had er geen goed woord voor over. Het Rotterdamse Parool sprak over “oorlogsverwildering”, “ingeslopen gemakzucht” en “het zonder inspanning [willen] verdienen van fantastische geldbedragen”. Het enige wat de stakers ermee bereikten was dat de goede naam van Rotterdam schade opliep.

Asfalteren van de Vierambachtsstraat, 1948. Beeld: Fototechnische Dienst Rotterdam

Om het tij te keren begonnen de werkgevers in het najaar van 1945 een campagne die Rotterdammers ervan moest overtuigen dat de stad er alleen “door harden arbeid” weer bovenop kon komen. Aan de Coolsingel en op het kruispunt Bree-Groene Hilledijk-Strevelsweg in Rotterdam-Zuid werden installaties neergezet in de vorm van een man die op gezette tijden met een hamer op een aambeeld sloeg. Elke keer als de hamer het blok raakte, floepten neonlampen aan die slogans als ‘Werk is leven’, ‘Werk Wekt Welvaart’ en ‘Aan den slag’ zichtbaar maakten. Ter ondersteuning van de campagne was bovendien een Werk Wekt Welvaart-lied gecomponeerd, dat bij de openingsbijeenkomst voor het eerst ten gehore werd gebracht. Hoogwaardigheidsbekleders hesen toen een speciale Rotterdamse werkvlag. Ieder bedrijf dat in de oorlogsperiode had moeten sluiten en nu zijn activiteiten hervatte, kreeg zo’n vlag uitgereikt.

Geen gratis geld

Tegenwoordig hanteren we andere methodes om de werklust te bevorderen. Dat is nodig – zo luidt de redenering – omdat het sociale vangnet dat na de oorlog is uitgerold, ons onvoldoende prikkelt de handen uit de mouwen te steken. Sinds 2012 mogen gemeenten uitkeringsgerechtigden daarom verplichten ‘onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden’ te doen. In werkstad Rotterdam kreeg die bepaling in de Wet werk en bijstand een enthousiast onthaal. Nog voordat de wet goed en wel van kracht was, kondigde wethouder Marco Florijn (PvdA) aan dat hij duizenden bijstandsontvangers “werkklaar” ging maken. Ze zouden hun handen uit de mouwen steken in de kassen van het Westland en later wellicht ook in de zorg en de haven. “Het gaat mij vooral om de mentaliteitsverandering”, zei Florijn later tegen NRC Handelsblad. “Mensen moeten gewoon iets terugdoen voor hun uitkering. Als je iets kunt, dan ga je aan de slag. Dat wil ik tussen de oren krijgen.”

Hoewel uit ander ideologisch hout gesneden, zit de huidige wethouder Maarten Struijvenberg (LR) op hetzelfde spoor. “Een vangnet mag geen hangmat worden”, zo luidt zijn stelregel. Kritiek op de strenge Rotterdamse aanpak van werklozen laat hij dan ook van zich afglijden. Suggesties om te experimenteren met het basisinkomen legt hij naast zich neer. Aan “gratis geld” doen we immers niet in Rotterdam. Hier moeten we allemaal werken voor onze centen – hard werken. Al was het maar om het imago van de stad overeind te houden.

Lees meer:

Reageer of deel op Social Media

Tags:arbeiders, arbeidersstad, basisinkomen en imago

Sectie: Oude Koeien

kaart: S125, Rotterdam, Nederland
Ontvang de wekelijkse Vers Beton newsletter!

Op Vers Beton discussiëren we met liefde. We horen daarom graag je mening. Houd daarbij wel onderstaande richtlijnen in gedachten, dan weet je zeker dat je reactie zichtbaar blijft:

  • Draag inhoudelijk bij aan de discussie
  • Blijf on-topic
  • Speel op de bal, niet op de man
  • Wees respectvol: reacties waarin sprake is van schelden, haat, racisme of seksisme worden verwijderd
  • Reacties over huisregels en toelatingsbeleid worden verwijderd
  • We gaan niet in discussie over verwijderde reacties
  • Zie je reacties die niet aan de huisregels voldoen? Ons controlesysteem is niet waterdicht. Laat het ons weten via info@versbeton.nl

Verdiep de discussie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *