Stedelijke ontwikkeling & architectuur12 januari 2017

Het Collectiegebouw: een blob of een icoon?

Dit jaar zou de bouw van het Boijmans van Beuningen Collectiegebouw moeten starten. Het plan ligt vanaf de presentatie al onder vuur, vooral de effecten ervan op de directe omgeving. In een gastbijdrage ontleedt Bart Bekooy daarom nu de vormgeving van het gebouw.

Beeld: Rémon Mulder

‘Het is maar een potje!’ – Sjarel Ex, directeur van Boijmans van Beuningen, verdedigt het plan voor het Collectiegebouw in een video op de website van zijn museum. Hij heeft de kritieken aangehoord en lijkt verbaasd dat niet iedereen dankbaar is voor dit cadeau. Inmiddels heeft het plan een aantal aanvallen doorstaan: van de psychiatrische afdeling van het Erasmus MC, van de vrienden en omwonenden van het park, en afgelopen december nog van Jo Coenen, de architect van Het Nieuwe Instituut. In de kritieken ging het steeds om de effecten van het ontwerp: minder park, minder toegang tot dit park, hinder voor kwetsbare patiënten. Deze discussie en rechtszaken zijn nu afgerond en het gebouw zal er komen, blijkbaar omdat er geen wetten en regels overtreden zijn. Het goede nieuws is dat niemand het Boijmans van Beuningen een goed depotgebouw misgunt.

De eigenlijke vormgeving van het gebouw, een ontwerp van MVRDV, is veel minder onderwerp van gesprek. Onterecht, wat mij betreft. Nu het project gerealiseerd wordt, en de krachten van tijd, geld en politiek de onomkeerbaarheid ervan aantoonden, schrijf ik hier over de vorm en de houding van het gebouw: de blob en het icoon.

De blob

Vormgeving lijkt voor de Rotterdammer iets te zijn van secundair belang. Men is geïnteresseerd in dát er iets komt, in wáár het komt, en wat er te beleven zal zijn. Misschien nog altijd als gevolg van het drama uit 1940, toen het levende hart uit de stad gerukt werd. Nog steeds wordt de stad verder ingevuld, maar de vormgeving ervan is iets dat bepaald lijkt te worden door onzichtbare machten waar je je maar het beste aan kunt overgeven. Alles went. Alles kan. We zijn visueel verveeld en dankbaar voor prikkelende en afwijkende vormen. Het begrip ‘mooi’ is steeds moeilijker te hanteren. Op architectuuropleidingen is het taboe: ontwerpen is slim en interessant op de opgave en omstandigheden reageren.

Met de relativering ‘het is maar een potje’ doet Ex de aanwezigheid van het gebouw tekort. Het is een groot gebouw. De hoogte is ruim veertig meter, het depot torent boven het eigenlijke museum uit. De spiegelende glazen huid wordt aangeprezen in woorden die elkaar spijtig genoeg tegenspreken. Enerzijds zou de gevel de omgeving en het groen weerspiegelen, zodat het ding als het ware in zijn omgeving opgaat (‘het volume lijkt op te lossen’), anderzijds is de bolle spiegel zo bijzonder en opvallend dat deze zeker zal bijdragen aan het iconische karakter van het gebouw. Het is dus nog onduidelijk of het gebouw trots is en gezien wil worden, of dat het zich geneert voor zijn omvang en zichzelf liever camoufleert. Hier kom ik tot de kern van het gebouwtype van de ‘blob’. Doelbewust onttrekt het zich aan de traditionele geometrie, om elke verwijzing naar andere stijlen te vermijden.

De architect heeft de opgave op deze moeilijke plek opgevat als een zet in een schaakspel – hij is omringd door stukken uit andere tijden. Gebouwen met een handschrift. Hij zet de joker in. Het lastige probleem om vorm en karakter te bepalen, lost hij op door de vorm ongrijpbaar te maken. Hoewel de cirkelvormige plattegrond geometrisch helder is, worden de ongrijpbaarheid en onmeetbaarheid van het gebouw definitief door de bolle spiegeling. In de eerder gestelde opgave staat dat het gebouw het gezicht moet worden van het Rotterdamse Museumkwartier, maar dit ontwerp heeft geen gezicht. Het is een gebouw zonder eigenschappen, een lachspiegel voor zijn omgeving. Het toont zichzelf niet en is daarmee, in de kernachtige woorden van Marinke Steenhuis, ‘een autistisch gebouw’.

Beantwoordt de vorm aan de opgave, of is het een armoedebod?

We kunnen dit gebouw ook zien als iets dat wel een binnenkant, maar geen buitenkant heeft. Binnen bevindt zich de kwetsbare collectie, de bestaansreden voor het gebouw. Spannende beelden tonen ons een Piranesi-achtige ruimte, hoog en met veel trappen, waarin bezoekers (op weg naar het terras) zich mogen bewegen langs de opgeslagen kunstwerken. Zo gezien is deze blob een diepe grot, die boven op het maaiveld is neergezet. Het lijkt er sterk op dat de vorm is bepaald door negatieve factoren – vanuit dat wat het gebouw niet mocht zijn. Daarom heeft het geen richting, geen gezicht, geen schaal. Het is, net als een spiegelende sculptuur van Anish Kapoor, een anti-volume, een anti-gebouw.

De vraag hier is natuurlijk niet of de blob als gebouwtype verboden moet worden. De vraag is wél of deze vorm hier geschikt is. Beantwoordt deze aan de opgave, of is het een armoedebod vanwege de onverenigbaarheid van locatie, functie en formaat?

Beeld: Rémon Mulder

Het icoon

Grofweg kunnen we gebouwen indelen in twee groepen. In de ene groep de meer dienstbare architectuur, die zich voegt naar zijn omgeving en naar de algemene belangen. In de andere groep de meer expressieve, eigenwijze architectuur: de highlights, de iconen. Denk aan pap met krenten. Rotterdam omarmt de iconen. Hoewel er relatief weinig gebouwd wordt, ligt de nadruk op opvallende, vrijstaande gebouwen met een groot ego. De identiteit van deze stad leunt zwaar op de beelden van de Markthal, de Erasmusbrug, het Centraal Station, De Rotterdam, en ja, nog altijd die kubuswoningen. De productie van het broodnodige weefsel, de ‘pap’, blijft hierbij achter. Ondanks de bescheiden groei van intelligente herbestemmingen en zorgvuldig ontworpen nieuwbouwprojecten. Over de iconen zei landschapsarchitect Adriaan Geuze al iets verstandigs: “Ik denk dat Rotterdam nog wel een stuk of twintig levendige, vitale gebouwen kan gebruiken. Iconen? Ja, als ze tijdloos zijn en bijdragen aan de sfeer op de straat.”

Hoe maak je een icoon? De gevleugelde oneliner van Rem Koolhaas, “fuck context” heeft school gemaakt en andersdenkende collega’s in een hoek gezet: zachtmoedig, te voorzichtig, te humaan. Ik houd wel van de provocaties van Koolhaas, mede omdat het zijn bureau O.M.A. lukt om deze brutaliteiten goed vorm te geven. Maar het is geen mechanisme dat bedoeld is om van elk groter project een ongevraagde attractie te maken. Zelfs O.M.A. heeft in een vroeg onderzoek (2012) naar een locatie voor het collectiegebouw vastgesteld dat het de gekozen plek het Museumpark teveel zou afsluiten. Juist nu deze kritische locatie tóch is gekozen, is de architectonische vorm de laatste factor. ‘Context’ is een subtiel begrip en gaat over ruimte, tijd en ook over het minder zichtbare. Het ene bouwwerk trekt zich niets van zijn context aan. Het andere gebouw doet alsof het zich er niets van aantrekt, maar is ondertussen misschien toch beter.

De bestaande bebouwing wordt secundair omdat dit icoon zich niet verbindt, maar zich afwendt.

Het collectiegebouw wordt door de makers ervan (het museum, de gemeente, en stichting De Verre Bergen) enthousiast ingezet als icoon: “Het gebouw kan – daar zijn architecten en betrokkenen het over eens – een iconisch gebouw worden. Met een effect dat vergelijkbaar is met De Rotterdam van O.M.A. en de nieuwe Markthal van MVRDV.” Maar waarom eigenlijk? Het gebouwde icoon is een symptoom van de steeds sterker wordende beeldcultuur. We gaan erheen, we maken foto’s. De attracties vormen de ankerpunten. Maar op Hoboken staan al veel zorgvuldig ontworpen gebouwen. Alle trots en eigenwijs, maar met een rustige toon: de Arminiuskerk (1897), het Boijmans van Beuningen (1928), de modernistische witte villa’s zoals Huis Sonneveld (1933), De Kunsthal (1989) en Het Nieuwe Instituut (1993). Een veldboeket van verdraagzame architectuur. Het effect van het nieuwe collectiegebouw zal zijn dat de bestaande bebouwing secundair wordt, uit elkaar valt doordat dit icoon van MVRDV zich niet verbindt, maar zich afwendt. In zijn ronde vorm is hij zonder richting, en in zijn spiegelende huid afwerend. Wat we op het eerste gezicht nog kunnen opvatten als ‘Dubai-chique’ heeft bij nadere beschouwing een cynische toon. Dominant, geurloos en onaanraakbaar.

Ik twijfel niet aan de publiciteit die het gebouw straks krijgt. Ook de fotograferende toeristen voor de bolle gevel zijn voorspelbaar. In Rotterdam is de balans tussen pap en krenten verstoord. Beheer de ruimte door goede huizen en werkruimten te bouwen. Blijf kritisch kijken naar de locaties, de vormen en de wisselwerking ertussen. Elke stad is dynamisch en heeft ruimte voor verrassingen en stoere ingrepen, maar niet elke brutaliteit is even intelligent. Gelukkig is architectuur een kunst met een geweldige eigenschap: het kan altijd anders.

De sectie Stedelijke Ontwikkeling & Architectuur wordt mede mogelijk gemaakt door AIR, het Architectuur Instituut Rotterdam. (meer info)

Lees meer:

Reageer of deel op Social Media

Tags:Boijmans van Beuningen, collectiegebouw, depotgebouw, Hoboken, museumpark en MVRDV

Sectie: Stedelijke ontwikkeling & architectuur

Op Vers Beton discussiëren we met liefde. We horen daarom graag je mening. Houd daarbij wel onderstaande richtlijnen in gedachten, dan weet je zeker dat je reactie zichtbaar blijft:

  • Draag inhoudelijk bij aan de discussie
  • Blijf on-topic
  • Speel op de bal, niet op de man
  • Wees respectvol: reacties waarin sprake is van schelden, haat, racisme of seksisme worden verwijderd
  • Reacties over huisregels en toelatingsbeleid worden verwijderd
  • We gaan niet in discussie over verwijderde reacties
  • Zie je reacties die niet aan de huisregels voldoen? Ons controlesysteem is niet waterdicht. Laat het ons weten via info@versbeton.nl

Verdiep de discussie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *