Stedelijke ontwikkeling & architectuur15 juni 2017

Tieten, sterke schouders en yoga: het bekt lekker maar maken we de stad er beter mee?

Een feministische agenda

Rotterdam wil vrouwelijker worden, “een stad met tieten”. De mannelijke, moderne stad past niet meer bij de tijd. Marguerite van den Berg, die als socioloog veel onderzoek deed naar vrouwenbeelden in de stadsplanning, analyseert de retoriek en komt tot de conclusie: niet alle borsten zijn even welkom in Rotterdam.

Beeld: Octavia van Horik

“Een beetje rellen schrikken we niet van in Rotterdam”, zei burgemeester Aboutaleb toen Feyenoord werd verslagen door Excelsior en de stad onrustig was. Dat zijn wij in Rotterdam wel gewend.

Van een beetje spierballentaal zijn Rotterdamse bestuurders niet wars. Rotterdammers zijn stoer, echte stedelingen, niet gauw ergens vies van en niet bang om te werken. En als het mij zo uitkomt, vergroot ik deze verhalen ook graag uit in de Amsterdamse contexten waar ik veel kom (ik werk aan de Universiteit van Amsterdam en woon in Rotterdam). Lekker stevig.
Omdat Rotterdam tegelijk af wil van dit ruige imago doet ze ook erg haar best ‘vrouwelijker’ en ‘aantrekkelijker’ te worden. Daar zit een spanning: het oude havenrepertoire naast het nieuwere cappuccinorepertoire, zogezegd, en er wordt nogal opportunistisch geshopt in beiden.

Ik heb in de laatste tien jaar veel onderzoek gedaan naar de spanning tussen Rotterdam als een mannelijke arbeidersklassestad en Rotterdam als stad met ambitie om een meer vrouwelijke middenklasse consumptiestad te worden. Dat ‘mannelijk’ en ‘vrouwelijk’ heb ik niet verzonnen: Rotterdam heeft veelvuldig zelf kenbaar gemaakt vrouwelijker te willen worden, bijvoorbeeld toen politici uit het hele politieke spectrum stelden dat Rotterdam ‘borsten’ of ‘tieten’ nodig heeft of toen de stad alweer negen jaar geleden het festival ‘La City’ organiseerde om zich ‘van haar vrouwelijke kant’ te laten zien.
Dat vrouwelijkheid en soms feministische argumenten worden gebruikt om de stad meer middenklasse te maken, is echter heel problematisch. We staan nu toe dat we bepaalde groepen vrouwen marginaliseren om het hoogopgeleide vrouwen en gezinnen (zoals ik en mijn gezin) naar de zin te maken.

Powervrouwen

Om dat verder uit te werken, sluit ik graag aan bij de tentoonstelling die van voorjaar tot herfst 2017 in Museum Rotterdam te zien is: Vrouwen van Rotterdam. Deze tentoonstelling laat zien hoe de wederopbouw ook de zaak van vrouwen was, en hoe vrouwen als Lotte Stam-Beese (verantwoordelijk voor de bouw van Pendrecht en andere naoorlogse wijken) de stad maakten en nog steeds maken. Ook thematiseert Museum Rotterdam het leven van Rotterdamse vrouwen na de oorlog tot nu. Zo zijn er video’s te zien van interviews met vrouwelijke ondernemers als Susan Bijl en powerhouses als Neelie Kroes.

Lees ookOude KoeienUit Ommoord wil je nooit meer wegArtikel over Lotte Stam-Beese

Terecht richten we de blik op Rotterdamse vrouwen. In de zeventig jaar sinds de Tweede Wereldoorlog is er veel veranderd: de container kwam, de wereld verkleinde én vergrootte, er vonden nieuwe migraties plaats. Maar zeker zo belangrijk was de genderrevolutie: in enorme getallen betraden vrouwen de betaalde arbeidsmarkt (ze werkten natuurlijk altijd al, zo’n 100 uur onbetaalde arbeid per week, leerde ik in het museum), kregen toegang tot de pil en mede daardoor minder kinderen, en gingen deel uitmaken van bestuur en politiek. Deze genderrevolutie heeft de stad onherroepelijk veranderd en toch is dat niet zo prominent aanwezig in Rotterdams zelfbeeld. Vraag Rotterdammers hoe de stad in die zeventig jaar veranderd is en ze zullen waarschijnlijk refereren aan die migraties, aan verloedering van buurten of verandering van werk.

De moderne stad scheidde mannen van vrouwen

Tegelijk is het nu ook weer niet zo dat vrouwen in het naoorlogse Rotterdam heel belangrijk en aanwezig waren in de publieke sfeer, zoals de tentoonstelling lijkt te suggereren. Niet alleen was de norm van het kerngezin met een werkende vader en een zorgende moeder na de oorlog historisch gezien het sterkst, ook werd de stad gebouwd op een manier die mannen en vrouwen overdag scheidde. Dat herbouwen gebeurde namelijk (het is een klassiek verhaal) aan de hand van modernistische principes. Dat betekende niet alleen dat de esthetiek van gebouwen veranderde, maar – veel ingrijpender – dat de functies van de stad werden opgedeeld: de Lijnbaan was voor winkelen, het Groothandelsgebouw en omgeving voor de handel, de suburbs en tuinsteden voor wonen. Rotterdam was daarin zeker niet de enige: in die tijd werden veel steden zo gepland.

De moderne stad werd gebouwd op een manier die mannen en vrouwen overdag scheidde

Omdat in die decennia het (middenklasse)ideaal dus nog was dat vrouwen thuis voor de kinderen en het huishouden zorgden en mannen gingen werken, betekende deze stadsplanning een ruimtelijke scheiding van de seksen. Mannen gingen naar de stad of de haven voor werk, vrouwen bleven thuis, weg van het stadscentrum. De naoorlogse Rotterdamse binnenstad was daarmee nadrukkelijk geen plek voor vrouwen, ook al speelden enkele vrouwen er wel degelijk een rol. De modernistische vorm en stadsplanning paste goed bij de industriële stad: de vakbonden en de verzorgingsstaat garandeerden dat één inkomen genoeg was voor een gezin, en dat er voor veel mensen tijd en geld was om van een tuintje te genieten en met de kinderen naar het park te gaan.

Postindustriële nachtmerrie

In de genderrevolutie is die scheiding van de seksen voor een deel ontmanteld en ook kunnen steeds minder mensen het zich veroorloven van dat ene salaris een gezin te onderhouden. De verzorgingsstaat is grondig herzien en goedbetaalde banen in de industrie zijn er veel minder. De modernistische stadsplanning die zo goed paste bij de industriële stad is nu als een jas die niet goed past.

Het modernistische stadscentrum van na de oorlog, inclusief de dromen over een toekomst vol ‘groen’ en ‘lucht’, is daarom de nachtmerrie van huidige stadsbestuurders en ondernemers. Een economie die niet meer kan draaien op vaste, relatief goed betaalde banen in de haven maakt plaats voor een andere economie, eentje die het veel meer moet hebben van zzp’ers en toeristen, van communicatie en dienstverlening. Dat vindt zijn vertaling in de ruimtelijke mix van een cafeetje naast woonhuizen, een restaurant met een speelhoek en verschillende soorten bedrijvigheid naast vrijetijdsbestedingen. Deze mix komt maar moeilijk op gang in een modernistisch geplande stad, omdat die nu juist is ingericht op het scheiden van die functies. De huidige stad wordt daarom al jaren klaargemaakt voor zo’n mix. De City Lounge heet dat in Rotterdams stadsplanningsjargon. De stad moet nu gezellig, uitnodigend en aantrekkelijk zijn om mensen werk te bieden, zo is althans de retoriek. Die gezelligheid en aantrekkelijkheid wordt ‘rondborstigheid’ genoemd.

Minder containers, meer yoga

Die City Lounge wordt niet toevallig vaak gepromoot met vrouwelijke beeltenissen. Behalve de borstenretoriek is er bijvoorbeeld ook een foto te zien van vrouwen in een yogales op het Schouwburgplein (op de omslag van een beleidsplan over de City Lounge en zien we regelmatig moeders op bakfietsen langskomen, zowel in woord als beeld. De ruimtelijke mix en een stedelijk (géén suburbaan) leven passen heel goed bij de lifestyle van hoogopgeleide tweeverdieners met kinderen: het kinderopvangcentrum is om de hoek, twee straten verder is een koffietentje waar je met je laptop kan gaan zitten werken en in het weekend zit je zo in de bioscoop of theater. Een stad waarin de seksen gescheiden worden, kortom, past niet bij een postindustriële economie waarin zich een genderrevolutie heeft voltrokken.

En toch zie ik niet meteen reden voor feest. De stad wordt in bepaalde opzichten misschien minder seksistisch: kindvriendelijker bijvoorbeeld. En dat vind ik uitstekend, want wat mij betreft moet de stad van iedereen zijn, en dus ook ruimte bieden voor speeltuinen en fietspaden. Maar als de gemeente vrouwelijkheid gebruikt in beleid of pleit voor kindvriendelijkheid gebeurt er iets heel problematisch: dan gaat het namelijk vrijwel altijd impliciet over middenklassevriendelijkheid. Die bakfietsen zijn behalve symbolen van tweeverdieners en gelijkere verhoudingen tussen de seksen namelijk ook symbolen van de nieuwe middenklasse die de huizenprijzen zo stevig opstuwt. Een ‘rondborstiger’ Rotterdam lijkt vooralsnog erg te gaan over stedelingen die het zich kunnen veroorloven de stad vooral te consumeren (dit alles heb ik hier uitgebreid uitgewerkt). Want investeringen in ‘kindvriendelijkheid’ en ‘aantrekkelijkheid’ gaan nogal eens over investeringen in wat middenklassers aantrekkelijk vinden en zich kunnen veroorloven: theaterfestivals en huizen met een tuin.

Het cappucinorepertoire is niet voor iedereen toegankelijk. Het stadsbestuur vertelt graag dat niemand de stad uit hoeft en dat de publieke voorzieningen voor iedereen zijn. Maar als het bestuur zegt dat er ‘ruimte’ gemaakt moet worden voor ‘draagkrachtige gezinnen’ betekent dat dat iemand anders plaats moet maken. Publieke gelden zijn immers eindig. Vrouwvriendelijkheid gaat dan ten koste van arbeidersklassegezinnen, want hun woningen worden aan de markt onttrokken en hun publieke ruimte ingericht op de behoeften van de middenklasse. In Rotterdam is het daarom soms nuttiger om te spreken over genderficatie dan over gentrificatie.

In Rotterdam is het soms nuttiger om te spreken over genderficatie dan over gentrificatie

Een feministische agenda

Rotterdam wil zich dus voor laten staan op haar nieuwe vrouw- en kindvriendelijkheid, maar doet dat door juist grote groepen vrouwen en kinderen uit te sluiten. Daarom is een meer feministische agenda voor de stad hard nodig. Wat mij betreft bestaat die in ieder geval uit de volgende twee punten:

1.

Armoede en economische onzekerheid zijn vrouwenissues (zie bijvoorbeeld deze feitenkaart). Vrouwen, in het bijzonder oudere vrouwen en alleenstaande moeders, hebben het meeste moeite de eindjes aan elkaar te knopen. Daar komt nog bij dat de economie in rap tempo onzekerder wordt en werkenden kwetsbaarder. Collectieve vangnetten zijn steeds minder stevig en vaste banen voor het leven blijven voor veel mensen een fantasie. Juist vrouwen zijn op die onzekere arbeidsmarkt kwetsbaar: omdat zij vaker zorg dragen voor naasten en dus niet altijd de risico’s kunnen nemen die horen bij een ‘volg je passie’ arbeidsmarkt, omdat zij minder snel vragen om promoties en een hoger salaris en omdat zij over de hele linie minder goede posities innemen en daardoor eerder weer aan de kant staan.

Hoezeer we ook spreken over een pink collar economie van zorg en horeca en over financiële onafhankelijkheid van vrouwen sinds de oorlog, honger, geldzorgen en precaire contracten zijn disproportioneel het probleem van vrouwen. Een echte vrouwvriendelijke stad hamert daarom niet voortdurend op ‘eigen verantwoordelijkheid’, maar maakt het vrouwen beter mogelijk die verantwoordelijkheid te nemen. Dan moet het gaan over beter, minder bestraffend bijstandsbeleid en woonzekerheid. Toegegeven: niet zo sexy als ‘tieten’ of een yogales, maar voor veel Rotterdamse vrouwen een stuk belangrijker.

Honger, geldzorgen en precaire contracten zijn disproportioneel het probleem van vrouwen

2.

De ‘participatiesamenleving’ leunt te zwaar op vrouwen. Mantelzorgers, schoolvrijwilligers en buurtwerkers zijn onevenredig vaak vrouwen. In veel van de huidige herzieningen van de verzorgingsstaat wordt veel verwacht van burgers en hun eigen kracht. Die eigen kracht is in de praktijk heel vaak de energie, de tijd en de liefde van vrouwen. Dat wordt in de internationale literatuur (dit is immers niet een probleem dat specifiek in Rotterdam speelt) wel de forever available these genoemd: vrouwen lijken wel altijd beschikbaar, altijd een hulpbron om aan te boren. Als vrouwen tegelijkertijd worden opgeroepen op financieel onafhankelijk te zijn, volgt daarom een derde dienst: naast het betaalde werk en het onbetaalde werk voor partner en kinderen (dat, zoals we weten, verre van gelijkwaardig wordt verdeeld in de meeste gezinnen) is er een derde dienst voor de gemeenschap, de buurt of de school. Als de overheid taken afstoot naar de wijk of de gemeenschap, overbelast ze in de praktijk vrouwen.

Ik wil geen sterke schouder zijn

Ik wil niet meer als hoogopgeleide vrouw met een gezin worden gezien als ‘sterke schouder’ die de ‘stijgende lijn’ van de stad door gaat zetten als dat betekent dat lager opgeleide vrouwen die een gezin draaiende weten te houden naast een baan met nachtdiensten en vrijwilligerswerk op school voor ‘zwakke schouder’ doorgaan. In de huidige – vage – definitie van ‘sterke’ en ‘zwakke’ schouders in Rotterdam gaat het teveel over klasse: alsof het bouwen van duurdere woningen vanzelf ‘sterkere’ schouders aantrekt.

De modernistische stad van na de oorlog was seksistisch in de zin dat de seksen gescheiden werden en daarmee vrouwen ruimtelijk scheidde van de ruimten van macht: politiek, economie. Een stad die zich richt op een ruimtelijke mix wordt in die zin wellicht minder seksistisch. Dat biedt kansen. Maar mijn ideaal is dat alle vrouwen en meisjes van Rotterdam daar de vruchten van kunnen plukken en niet alleen hoogopgeleide vrouwen die zich geen zorgen hoeven maken in de bijstand terecht te komen en die zich een eigen huis kunnen veroorloven.

Natuurlijk moet de stad voortdurend heruitgevonden worden en natuurlijk is het goed als de naoorlogse stedenbouw aangepast wordt aan deze tijd. Natuurlijk is daarvoor ook een consumptie-economie nodig. Als we geen alternatieven vinden voor de vakbondsbanen van de haven laten we Rotterdammers, man en vrouw, in de steek. Maar dat kan ook zonder publieke gelden in te zetten voor fijne ‘kindvriendelijke’ wijken voor welvarende gezinnen en zonder een straffend bijstandsbeleid in een arbeidsmarkt die velen aan de kant laat staan. Kindvriendelijkheid en vrouwvriendelijkheid is juist van belang voor wie niet vanzelf in de ‘kenniseconomie’ mee kan. Het de middenklasse naar de zin maken ten koste van Rotterdammers die het moeilijk hebben mag geen vrouwvriendelijkheid heten.

Dit essay is gebaseerd op Marguerites recent gepubliceerde boek Gender in the Post-Fordist Urban. The Gender Revolution in Planning and Policy (Palgrave).

Reageer of deel op Social Media

Tags:feminisme, gender, Gentrification, moderniteit en Rotterdam moet tieten krijgen

Sectie: Stedelijke ontwikkeling & architectuur

Op Vers Beton discussiëren we met liefde. We horen daarom graag je mening. Houd daarbij wel onderstaande richtlijnen in gedachten, dan weet je zeker dat je reactie zichtbaar blijft:

  • Draag inhoudelijk bij aan de discussie
  • Blijf on-topic
  • Speel op de bal, niet op de man
  • Wees respectvol: reacties waarin sprake is van schelden, haat, racisme of seksisme worden verwijderd
  • Reacties over huisregels en toelatingsbeleid worden verwijderd
  • We gaan niet in discussie over verwijderde reacties
  • Zie je reacties die niet aan de huisregels voldoen? Ons controlesysteem is niet waterdicht. Laat het ons weten via info@versbeton.nl

Verdiep de discussie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *