voor de harddenkende Rotterdammer

In de laatste week van 2017 blikken we terug- of vooruit in een korte serie eindejaarsinterviews. Mark Hoogstad vertrok dit jaar bij het AD als politiek verslaggever. Volgend jaar verschijnt zijn boek over Rotterdam.
Mark Hoogstad (1970) was jarenlang de belangrijkste politiek verslaggever in Rotterdam. Eerst voor NRC Handelsblad, tot hij in 2012 de overstap maakte naar het AD Rotterdams Dagblad. In juni maakte hij bekend daar na 4,5 jaar te vertrekken. Sindsdien schrijft hij als freelancer onder meer voor het dagblad Trouw. 20 februari verschijnt zijn boek: ‘Rotterdam, stad van twee snelheden’. Op een drukke zaterdagmiddag vertelt hij op het terras van Café Sunset over zijn bewogen jaar, het boek en de toekomst van Rotterdam.

000014
Beeld door: beeld: Sarojini Lewis

Het was nogal een heftig jaar stel ik me voor. Toch heb je de tijd gevonden om een boek te schrijven?

“Het boek kwam op een prettig moment na mijn breuk met het AD. Het was lekker om wat om handen te hebben en had voor mij zeker een therapeutische werking, omdat ik alles een plaats kon geven. Ik ben wel nerveus hoe het boek zal gaan vallen. Rotterdam laat zich er graag op voorstaan dat het een wereldstad is. Dat is onzin, het is gewoon een provinciaals dorp met veel onderlinge haat en nijd. Jij gaat mij straks vragen: waarom ben je weggegaan bij het AD? Daar kan ik een heel referaat over houden, maar ik ga niet natrappen. Ik heb een onwaarschijnlijk talent voor rancune, maar dat moet ik niet etaleren. Ik ben nu 47 en dat heb ik eindelijk geleerd. Dit jaar heb ik twee monsters weten te beteugelen: het roken en het AD. Beide hadden mij in hun greep, waardoor ik mezelf een gevangene voelde; daar werd ik gek van. Dit is het niet, dacht ik. Hier word ik doodongelukkig van. Dus heb ik het roer omgegooid. Soms moet je harde beslissingen durven nemen. Mijn vertrek was bovendien ook in het belang van de krant.”

Dat klinkt alsof het jóuw jaar was.

“Ja. Maar van mijn vertrek bij het AD heb ik letterlijk nachten wakker gelegen. Toch heb ik er nog geen seconde spijt van gehad. Ik heb daar drie hele mooie jaren gehad. Daarna is het verval begonnen en speelden we gaandeweg niet meer dezelfde wedstrijd. Daar ben ik zelf bij geweest, dus ben ik daar mede debet aan. Het is gelopen zoals het is gelopen. Of, zoals mijn oud-chef placht te zeggen: het is wat het is. Op dit moment freelance ik voor Trouw en ben ik in gesprek met meer opdrachtgevers om echt een goede boterham te kunnen verdienen. Maar ik sluit niet uit dat dit boek een definitief afscheid is van Rotterdam. Tien jaar is wel mooi geweest. Ik ben toe aan iets anders, op een gegeven moment ben ik onderdeel geworden van de kaasstolp die de lokale politiek heet. Ik heb ook twaalf jaar over sport geschreven voor NRC Handelsblad voordat ik overstapte naar de binnenlandredactie. Als je niet scherp meer bent is het tijd om wat anders te gaan doen.”

Wat was de aanleiding om dit boek te schrijven?

“Het oorspronkelijke idee was om een biografie van Dries Mosch te schrijven. Maar van tevoren heb ik bij de uitgever bedongen dat, als ik na een x aantal gesprekken concludeerde dat het verhaal niet goed genoeg was, het niet door zou gaan.”

Waarom Dries Mosch?

“Dries Mosch is voor mij de laatste Fortuynist en van de huidige fractie de enige die Fortuyn persoonlijk heeft gekend. Hij was zijn bodyguard toen het hier in 2002 spannend werd en is nu bezig met zijn vierde en laatste termijn als raadslid. De levensgeschiedenis van Dries is eigenlijk een metafoor van het naoorlogse Rotterdam. Ouders die getraumatiseerd zijn door de oorlog, een leven van armoede en aanpakken. Hij is een man die aan de zelfkant van het leven heeft gestaan. Dries is een boef. Wel een leuke boef, een man met het hart op de juiste plaats. Laat dat gezegd zijn. Hij heeft een inbreker in zijn poot geschoten en dus een strafblad. Het is iemand die consequent de rafelranden heeft opgezocht, maar ondertussen wel op zijn veertigste financieel onafhankelijk was. Van glazenwasser tot snackbareigenaar, van keteljongen op de grote vaart tot rijschoolhouder, hij heeft het allemaal gedaan.”

Het klinkt toch alsof je daar wel een boek over vol zou kunnen schrijven?

“Het is ook verreweg het grootste hoofdstuk en het hart van het boek met dik 18.000 woorden. Maar afgelopen zomer besloot ik dat het boek over meer moest gaan dan het turbulente leven van Mosch. Ik ben een perfectionist en niet snel tevreden, dus de lat voor mezelf ligt hoog. Ook voor mijn omgeving trouwens. Ik dacht: dit is leuk, maar het is niet goed genoeg. Het overstijgende element zat er onvoldoende in.”

Was hij teleurgesteld?

“Nee. Hij vatte het heel prettig op. We spraken elke zaterdagochtend af in zijn huis in Overschie of op zijn boot in IJsselmonde. Standaard stond een pak stroopwafels op tafel. In totaal hebben we twaalf keer tweeëneenhalf uur met elkaar gepraat. Alle gesprekken die ik met hem heb gevoerd hadden voor hem een therapeutisch karakter. Hij vertelde over de haat-liefde verhouding met zijn vader en een leven vol pijn en verdriet. Dries heeft vijf kinderen van wie hij er twee niet kent. Kortom, er kwamen veel aangrijpende, persoonlijke zaken aan het licht en meer dan eens stonden de tranen in zijn ogen. Het is een ongepolijste man, maar dat is deze stad ook. Dries is een beetje Rotterdam voor mij: een volkse jongen die voor de duvel niet bang is en altijd de strijd aangaat. Ik heb altijd een zwak voor hem gehad, vooral omdat hij me aan mijn vader doet denken. Die komt van Zuid, had ook ouders die een tik door de oorlog hadden gehad. Ik ben trouwens blij dat ik een halve Rotterdammer ben. Waar geboren Rotterdammers veel last van hebben, is dat ze niet kunnen relativeren over hun eigen stad.”

Waar gaat het boek wél over?

“Het is een politiek-culturele staalkaart van waar de stad nu staat en waar die heengaat. En dat aan de vooravond van de verkiezingen, die zeer bijzonder lijken te worden, nu Denk en PVV mee doen. Je merkt nu al dat voor de landelijke media Rotterdam the place to be is de komende maanden. We gaan het boek niet voor niets een maand voor de verkiezingen uitbrengen, want ja: ik hoop wel wat reuring te veroorzaken.”

Kun je vast een tipje van de sluier oplichten?

“Dries vormt het hart van het boek en ik kan alvast zeggen dat er een aantal kritische noten over zijn eigen Leefbaar-fractie inzitten. Maar daarnaast gaat het vooral over de transitie die deze stad de laatste vijftien jaar heeft gemaakt. Zelf ben ik hier in 2001 vanuit Utrecht naartoe verhuisd. Met een korte tussenpose schrijf ik nu tien jaar over Rotterdam. Destijds moest ik echt verantwoorden waarom ik hier ging wonen, de stad had een hele slechte naam. Maar je kon hier voor een bescheiden bedrag veel vierkante meters krijgen dus zijn we in Blijdorp gaan wonen. Het was de vooravond van de Fortuyn-revolte. Als je dat vergelijkt met het Rotterdam van nu is er heel veel veranderd. Dat beschrijf ik in het boek op basis van eigen observaties en tal van gesprekken die ik heb gevoerd.”

Veel politiek?

“Er ligt inderdaad een zware nadruk op wat er politiek gezien de laatste vier jaar is gebeurd. Veel van wat zich achter de schermen heeft afgespeeld heb ik in de krant beschreven, maar in het geval van wethouderscoup van Ronald Schneider ga ik toch een paar etages dieper. Ook beschrijf ik wat rond het vertrek van Mo Anfal is gebeurd en verder zoom ik in op de permanente staat van oorlog binnen de D66-fractie. Daar zien we nu de laatste stuiptrekkingen van met de excommunicatie van Jos Verveen. En waar ik destijds te weinig tijd voor heb gehad  – omdat alle tijd werd opgeslokt door de wethouderscoup – is de plotselinge verschijning van Adriaan Visser en Pex Langenberg. Dat heb ik nu tot op het bot gefileerd. De heer Pechtold had overigens geen behoefte om mee te werken, net zomin als Salima (Belhaj, red.).”

Waren er meer die niet te porren waren?

“Wat mij in hoge mate stoort, is dat Joost Eerdmans niet mee wilde werken. Hij is iemand die nogal koketteert met transparantie en openheid. Bestuurlijke vernieuwing zit nota bene in zijn portefeuille. Elk jaar wordt de Pim Fortuyn-prijs uitgereikt aan kritische schrijvers, maar met mij durft hij niet om de tafel te gaan zitten? Wat ben je dan een klein kind, denk ik dan. Weet je dat zijn vrouw op een borrel een keer aan mijn hoofdredacteur bij het AD/RD heeft gevraagd of hij ‘die Hoogstad niet een keer kon intomen’? Dat zoiets in haar opkomt, zegt eigenlijk alles. Het is pure middelmaat. En dat is dan hier de grootste partij, dat is toch echt armoe? Overigens is hij de enige van Leefbaar, die niet mee wilde werken. Maar macht doet rare dingen met mensen. Ik heb Ronald Schneider van een redelijke, leuke, talentvolle, aanspreekbare fractievoorzitter, zien afbladderen tot een angstige man die zich opsloot met de gordijnen dicht. Ik herkende hem niet meer en ik was niet de enige.”

Wat vind je van de samenwerking van Leefbaar Rotterdam met Forum voor Democratie?

“Ik zou het geen meesterzet van Joost Eerdmans willen noemen, maar het is heel slim. Thierry Baudet heeft de wind in de rug en samen zijn ze het redelijke alternatief op rechts.”

Waar ligt voor Rotterdam in de toekomst de belangrijkste opgave?

“Je bespeurt in de lokale politiek een schrijnend gebrek aan leiderschap. Aboutaleb doet absoluut zijn best, maar ik proef dat hij ook richting zijn einde loopt. Het kan niet anders dan dat de moed hem ook af en toe in de schoenen zinkt. Persoonlijk geniet ik van het politieke steekspel, want ik houd van taal en spitsvondigheden. Maar de stad wordt niets wijzer van al dat voorspelbare gehakketak. Toch ben ik buitengewoon optimistisch over deze stad. Rotterdam stond niet vooraan toen het intellect werd uitgedeeld, maar telt voldoende betrokken knappe koppen om het schip alsnog de juiste richting op te dirigeren. Je merkt wat dat betreft dat de stad sneller gaat dan de raad. Mijn boek heet ‘Rotterdam, stad van twee snelheden’. Die titel wordt perfect verwoord door de foto op de cover, gemaakt door Marwan Magroun, de winnaar van de publieksprijs van de fotowedstrijd De Kracht van Rotterdam. Hij toont een jongen met een rode Dirk-tas die vanaf metrostation Rijnhaven naar de torens op de Wilhelminakade staart. Een steenworp afstand, maar toch zo ver weg. Ik ben het volledig eens met Rotterdamse rekenmeester Paul Hofstra, die stelt dat de volledige opbrengst van de verkoop van de Eneco-aandelen in een klap naar Zuid zou moeten, als je daar iets wilt veranderen. Daar moeten de belangrijkste meters worden gemaakt. Je ziet dat op Zuid altijd is bezuinigd. Waarom loopt de metro daar bijvoorbeeld niet onder de grond? Dat ziet er toch niet uit?”

Jouw vertrek bij het AD betekende een kaalslag voor de politieke verslaggeving in Rotterdam. Hoe zie je dat zelf?

“Daar maak ik me grote zorgen om. Het is veel te slaafs. Tegelijkertijd werden mijn stukken slechts op het stadhuis gelezen. De gemiddelde Rotterdammer lijkt zich niet voor politiek te interesseren. Ik heb dan ook vaak het gevoel gehad dat het parels voor de zwijnen waren. Mag ik dat zeggen? Ja, dat mag ik zeggen. Maar het klinkt zo arrogant he?”

Dat ben je toch ook een beetje?

“Nee. In de kern niet. Ik heb wel een onwaarschijnlijke hekel aan ongeremde domheid die in deze stad nog maar al te vaak openlijk wordt geëtaleerd. Toen Wilders een paar jaar geleden in Rotterdam was, ging ik eens in discussie met van die oude mannetjes die stonden te schelden op ‘al die zwartjoekels’. Zodra je doorvraagt, blijft er niks over. Dan blijkt het gewoon onvrede met hun eigen – vaak miserabele – leven te zijn. Dat rechtse sentiment zit heel diep in deze stad en dat associeer ik toch met een zekere mate van domheid. Dat mag ik niet te hard zeggen, want dan ben ik arrogant en hoor ik bij de ivoren torens. Maar gun elkaar gewoon de ruimte! Weet je wat de afgelopen jaren het allermooiste moment was? Ik fietste in Noord over een gladde brug en ik kletterde op mijn bek, midden op straat. Ik had echt pijn en drie Turkse vrouwen met hoofddoeken schoten mij liefdevol te hulp. Zo aandoenlijk, zo warm! En ik verzin het niet, maar een AD-collega reed langs op haar fiets, zag mij liggen en reed doodleuk door! Die vrouwen hebben mij letterlijk op de been geholpen en weer op de fiets gezet. Toen dacht ik: het komt goed met deze stad. Ik geloof erin. Maar we moeten nog wel een hoop zand verplaatsen. De verdere versplintering van de politiek zal daar niet bij helpen.”

Tot slot, we worden collega’s hoor ik?

“Ja! Samen met Willem Sonneveld ga ik politieke vlogs maken voor Vers Beton in aanloop naar de gemeenteraadsverkiezingen van 21 maart. Dat is de bedoeling in elk geval. Beiden waren we een beetje klaar met de lokale politiek. De hoop is nu dat we de goesting hervinden met deze digitale pingpongwedstrijd.”

stadvantweesnelheden

‘Rotterdam stad van twee snelheden’ verschijnt in februari 2018 bij Trichis. 

Vers Beton heeft jouw support nodig!

Voordat je verder leest: Vers Beton kan alleen blijven bestaan dankzij support van onze lezers. Maak jij ook onafhankelijke journalistiek in Rotterdam mogelijk?

Nee, ik lees eerst het stuk verder
Tara

Tara Lewis

Tara Lewis (1986) werkt als freelancer voor diverse media. Ze koestert haar innerlijke tokkie en kan soms een beetje cynisch zijn. Ze vindt dat het discussieplatform bedoeld is voor lezers, en voelt zich daarom niet altijd geroepen te reageren. Ze studeerde Geschiedenis aan de EUR en Communicatie aan de HES.

Profiel-pagina
Afbeelding 3

Sarojini Lewis

Sarojini Lewis (1984) is gefascineerd door geschiedenissen, zowel die van het landschap, de stad en de omgeving als die van zijn gebruiker, de aanwezige. Wat bindt hen, welke blik is er, waarop gericht, waardoor bepaald? Altijd lijkt zij in haar werk objecten en situaties te ontdekken die ergens van getuigen.

Profiel-pagina
Lees 30 reacties