voor de harddenkende Rotterdammer

Rotterdammers laten elkaar nooit alleen. Toch moest de politie de zaak van het dode baby’tje ‘Kerel’ sluiten voordat hij opgelost kon worden. Marguerite van den Berg grijpt dit tragische feit aan om aandacht te vragen voor alle mensen die in aan onze stad werken. Pleidooi om ons discours over de ‘echte’ Rotterdammer rigoureus te verrijken.

kerel2versbeton
Beeld door: beeld: Esther Lankhaar

Op 3 augustus 2017 werd in Rotterdam een dood baby’tje gevonden in een plastic zak. In de week voor kerst liet de politie weten dat het onwaarschijnlijk is dat zijn zaak opgelost zal worden. De politie denkt dat de moeder van het kindje werkte op de Aida, het cruiseschip dat maanden vanuit Rotterdam voer en regelmatig aan de kade van de Kop van Zuid lag.
Ik heb daar met mijn zoon, hij is vijf, nog staan kijken: “Mooi hè? Kijk hoe groot!” De kade, de Maas in de zon: ik zag toen alleen het glimmen, de gekke tekening op het schip, mijn zoon die genoot. Ik zag niets van wat zich er ook zou afspelen.
Het toerisme neemt een vlucht in Rotterdam. De stad meet zich, niet voor het eerst, met New York, Parijs, Londen. Het gaat ‘eindelijk’ goed, zo hoor je overal.
Maar dat baby’tje dan?
De plastic zak is, zo verklaarde de politie, van een soort dat speciaal gemaakt is voor de Aida. Niemand van de staf was bereid een verklaring te geven, iedereen bleef zwijgen. Een groot deel van die staf is Filipijns. De moeder van het jongetje waarschijnlijk ook, zijn DNA wees op een Zuid-Aziatische afkomst. De combinatie van die feiten was voor de politie aanleiding het onderzoek te staken. Zo kon de Aida weer uitvaren zonder dat de zaak is opgelost.
Misschien is hij dood geboren. Misschien kon zijn moeder niet voor hem zorgen. Filipijnse vrouwen migreren op grote schaal voor werk. De kinderen blijven dan thuis bij oma of tante. Misschien kon de moeder niet nog een kind thuis laten. Misschien was ze zwanger van iemand anders dan haar eigen man, misschien is ze aan boord verkracht – ook niet denkbeeldig gezien hoeveel seksueel misbruik voorkomt, juist in hiërarchische arbeidsrelaties.
We zullen het niet weten. Wat ik wel weet is dat Kerel, zoals de stadsdichter Derek Otte het kindje noemde, voor mij vragen over Rotterdam in de wereld op scherp zet.
Kerel: het is een naam voor een ‘echte Rotterdammer’. De figuur van de ‘echte Rotterdammer’ wordt nogal eens opgeroepen in mijn stad. De stad moet ‘teruggegeven’ worden aan die ‘echte Rotterdammer’, bijvoorbeeld. Of: de ‘echte problemen’ van de ‘echte Rotterdammer’ moeten eindelijk worden erkend.

Rauwe spierballen

De mannen met die woorden in de mond denken vast niet aan Kerel als ze dat zeggen; of aan zijn moeder. Ze denken wel aan de cliché-Rotterdammer die we in onze stadse mythen zo graag ten tonele voeren: de arbeidersklasse, de witte hardwerkende man. Dat clichébeeld wordt niet alleen door rechtse politici opgeroepen, maar biedt wel een repertoire voor uitsluitende politiek. De mythen zijn onderdeel van een discours dat we terugzien in de marketing van de stad, in de dagelijkse verhalen die we over Rotterdam vertellen, in de marketing van producten, in de toeristenboekjes: Rotterdam is dan een ‘rauwe’ stad, waar het er soms ‘hard’ aan toe gaat en waar ‘gedurfd’ wordt. Dat is een heel mannelijk repertoire (zie hier mijn boek en mijn eerdere stuk voor Vers Beton waar ik dat verder toelicht). Een repertoire dat vaak nog extra wordt aangezet met beelden van stevige witte mannen. Zie bijvoorbeeld deze film ter herdenking van het bombardement op de stad, of dit bericht over de terugkeer van een beeld van ‘de lastdrager’: de vooroorlogse sjouwer in de haven.

Een-beetje-rellen-schrikken-we-niet-van-in-Rotterdam-overview

Lees meer

Tieten, sterke schouders en yoga: het bekt lekker maar maken we de stad er beter mee?

Rotterdam wil vrouwelijker worden, “een stad met tieten”. De mannelijke,…

We zien het ook terug bij de duiders van de stad, bijvoorbeeld als Mark Hoogstad in Dries Mosch’ levensgeschiedenis een ‘metafoor van het naoorlogse Rotterdam’ ziet: “ouders die getraumatiseerd zijn door de oorlog, een leven van armoede en aanpakken.” Dat is op zich misschien waar, maar ook te beperkt. Want het verhaal van het naoorlogse Rotterdam is nu juist een verhaal van grootschalige migratie van buiten.

Ketens van uitbuiting

Het is de hoogste tijd het verhaal van Rotterdam te hervertellen.
Want achter het glimmende Rotterdam van de ‘goede’ lijstjes gaan ketens van uitbuiting schuil. Met uitbuiting bedoel ik hier dat de relatieve rijkdom van Rotterdam mogelijk is geweest door waarde te trekken uit werkende lichamen: werken in de stoom van de spoelkeuken, hotellakens verschonen, silo’s schoonspuiten, passen op de kleinkinderen zodat je dochter op een cruiseschip kan glimlachen naar welvarende witte mensen. Het harde werken voor Rotterdam vindt ook plaats in een huiskamer in Manilla. De grenzen van de stad en haar veelgeprezen arbeid en ‘niet lullen maar poetsen’ houden niet op bij de gemeentegrond. En: Rotterdam is groot geworden door tijd, spierkracht, energie, kennis en kunde te trekken uit vrouwen en migranten, net zo goed als uit witte kerels. Dat is hoe de stad is geworden waar we nu zo ‘groos’ op zijn.
De hardwerkende Rotterdammer is allang niet meer de witte Hollandse spierbundel die wij nog altijd voor ons zien en politiek inzetten. Eigenlijk is dat ook nooit zo eenduidig geweest. Vrouwen pakten de koffie van Van Nelle in en de Suze Groenewegflat werd speciaal gebouwd voor alleenstaande werkende vrouwen. De Rotterdamse schepen die de wereld over gingen werden gebouwd door Kaapverdiaanse handen en de naoorlogse economische groei werd mogelijk gemaakt door jonge mannen uit Spanje, Turkije, Marokko, Suriname.

Al die arbeid zien we niet als we blijven vertellen over hoe de stad de ‘echte Rotterdammer’ toekomt. Die ‘echte Rotterdammer’-retoriek maakt vrouwen, migranten en hun arbeid onzichtbaar. We zien dan niet hoe de moeder van Kerel waarschijnlijk maanden of jaren aan boord van de Aida werkte voor het plezier van toeristen in Europa en Rotterdam. De ‘echte Rotterdammer’ moet een nostalgisch wit Rotterdam produceren dat overzichtelijk voelt, maar nooit heeft bestaan. Behalve een gebrek aan erkenning legitimeert die ‘echte Rotterdammer’ ook verdere uitsluiting: we vangen liever geen vluchtelingen op, want Rotterdam heeft het al zo zwaar, en we sluiten bepaalde wijken af met de Rotterdamwet, want als we dat niet doen ‘ontkennen’ we de ‘echte’ problemen. Welk verhaal we over Rotterdam vertellen vertaalt zich in welke politieke keuzes verdedigbaar zijn. De echte problemen van Kerel en zijn moeder tellen dan niet.

Herschrijven

Trots zijn op de haven, de Coolsingel “de Champs-Élysées van Rotterdam” noemen en met goede lijstjes uit New York of Londen je stad promoten mag. Maar die trots past alleen een stad die haar plek in internationale relaties serieus neemt, erkent welke lichamen haar groot hebben gemaakt en daar solidair mee is.
We kunnen het verhaal van de hardwerkende echte Rotterdammer herschrijven. We kunnen plaats maken voor Kerel’s moeder, zijn grootmoeder, voor de winkelmedewerkers in de Hema, voor zwarte verpleegkundigen die migreerden uit Suriname en de Antillen, voor Poolse schilders, Chinese stokers, huisvrouwen die thuis onbetaald werkten en Marokkaanse fabrieksarbeiders.
Kerel’s geboorte en dood in Rotterdam zijn een teken van diepe verbondenheid van de stad met de wereld. Het glimmen van de Aida is afhankelijk van een staf die zwijgt over een dode pasgeborene. Onze relatieve rijkdom is afhankelijk van ketens van productie en uitbuiting die tot in de hele wereld rijken.
Laten we Kerel’s dood aangrijpen om ons opnieuw te bezinnen op de verhalen die we vertellen over de stad, wiens arbeid we daarin zien en het beleid dat we daarmee goedpraten.
Bij Kerel’s uitvaart las de stadsdichter Otte: “Dus staan we hier kerel, zo samen om je heen; want weet je, Rotterdammers…laten elkaar nooit alleen.”
Was het maar zo mooi.

vogelversbeton
Beeld door: beeld: Esther Lankhaar

Vers Beton heeft jouw support nodig!

Voordat je verder leest: Vers Beton kan alleen blijven bestaan dankzij support van onze lezers. Maak jij ook onafhankelijke journalistiek in Rotterdam mogelijk?

Nee, ik lees eerst het stuk verder
Marguerite van den Berg

Marguerite van den Berg

Marguerite van den Berg is Rotterdammer en universitair docent sociologie aan de Universiteit van Amsterdam. Ze schreef een proefschrift over Rotterdam. Om preciezer te zijn: over de manier waarop Rotterdam een toekomst voor zichzelf verbeeldt en welke rol opvoedcursussen daar in spelen. Ze werkt nu aan een project over onzekere arbeid.

Profiel-pagina
Screenshot-20170723-161008

Esther Lankhaar

Esther Lankhaar heeft een achtergrond in de jeugdhulpverlening en het maatschappelijk werk en werkt nu als illustrator.

Profiel-pagina
Lees 7 reacties