voor de harddenkende Rotterdammer

Hoe werkt macht in onze stad? In een speciale editie van Oude Koeien beschrijven Jacques Börger en Anne Jongstra hoe macht en machtige personen in Rotterdam in het verleden opereerden om grote projecten tot stand te brengen. Deze aflevering beschrijft hoe andersdenkenden in Rotterdam hun invloed in de stad trachtten te vergroten door de bouw van de schouwburg.

NL-RtSA_4080_RI-1148
Prent van de schouwburg aan de Coolsingel omstreeks de opening in 1774. De maker is onbekend.

In 1774 verrees aan de Coolsingel, halverwege de Binnenwegpoort en de Delftse Poort, een heuse schouwburg. Historisch gezien een belangrijk moment. Het markeert de geboorte van de moderne theatercultuur in Rotterdam: het ritme van de voorstellingen wordt niet langer bepaald door de feestkalender. Ze worden bovendien niet meer gespeeld door rondtrekkende artiesten, maar door een vast gezelschap.
De komst van de schouwburg is echter ook in ander opzicht interessant: de totstandkoming vertelt iets over de aspiraties van een groep die economisch zeer succesvol was, maar in politiek opzicht weinig in de melk te brokkelen had.

Licht naïef

De bedoeling was dat het gebouw voor het winterseizoen klaar zou zijn, maar dat bleek geen haalbare kaart. Uiteindelijk werd de nieuwe schouwburg op 27 december 1774 geopend met een besloten voorstelling voor de geldschieters en de notabelen van de stad. De volgende dag ging het theater open voor het gewone publiek.
Het kapitaal voor het nieuwe gebouw was bij elkaar gebracht via een inzamelingsactie. Dertig welgestelde Rotterdammers hadden elk duizend gulden ingelegd. Over de motieven van de investeerders is het een beetje speculeren. Sommige theaterhistorici opperen dat het uit liefde voor de kunst was, gecombineerd met de verwachting dat in de toneelbusiness geld te halen viel. Dat zou wel lichtelijk naïef zijn geweest. Met een bevolking van enkele tienduizenden zielen, onder wie veel armen, vormde Rotterdam maar een kleine markt voor zulk vermaak. Eerdere pogingen om in Rotterdam een permanente schouwburg in het leven te roepen, waren dan ook faliekant mislukt.
Ook de protestantse kerk bemoeilijkte lange tijd het uitbaten van een theater. Ieder jaar als het kermisseizoen naderde, riep de kerkenraad het stadsbestuur op ervoor te zorgen dat de burgers van Rotterdam verschoond bleven van ‘allerleij ijdelheden ende ligtvaerdigheden en godloosigheden’. In de praktijk betekende dat dat vooral komedianten, goochelaars en koorddansers de toegang tot de stad moest worden ontzegd, want dat waren de ergste vuilspuiers in de ogen van de kerkelijke gezagsdragers. Het hing een beetje af van hoe de politieke wind waaide of de vroedschap bereid was gehoor te geven aan zulke verzoeken. Soms werd er inderdaad een gezelschap geweerd, maar het gebeurde ook geregeld dat het stadsbestuur zich doof hield. In de loop van de achttiende eeuw werd dat zelfs de regel.

Prestigeproject

De tanende invloed van de kerk verhoogde ongetwijfeld de bereidheid om te investeren in een schouwburg. Maar wat bewoog de geldschieters? Een passage in een speciale uitgave ter gelegenheid van de opening van de schouwburg verschaft helderheid:
“Ziet aldus, Mijn heer, den Schouwburg gevestigt, en zo nabij de Rotterdamsche Wal gestigt en zoo heerlijk uit de gront gerezen, dat men aan de duurzaamheid dezer nuttige vermaken niet meer twijfelen kan; […] en ziet nu eens wat Rotterdam voor magtige stad is, die naast Amsterdam de vermogendste van heel Holland gehouden mag worden, als kunnende volkoomen maintineeren een zaak, daar de meeste steeden niet eens om denken durven”.
Daar kwam de aap uit de mouw. De oprichting van een schouwburg was dus – hoe herkenbaar – een prestigeproject: een stad die een theater kon stichten en overeind houden, toonde daarmee zijn macht. En die macht straalde af op de bewoners en natuurlijk in het bijzonder op degenen die het kapitaal bij elkaar hadden gebracht.

Baantjes

Het is waarschijnlijk geen toeval dat de meeste investeerders juist in politiek opzicht weinig in te melk te brokkelen hadden. Ze waren weliswaar rijk en succesvol, maar ze maakten geen deel uit van de stedelijke elite die onderling de baantjes verdeelde. En dat kwam door hun religieuze overtuiging. In de zeventiende en achttiende eeuw was een plek in het stadsbestuur namelijk voorbehouden aan lidmaten van de Nederduits Gereformeerde Kerk. Joden, katholieken, doopsgezinden, lutheranen en remonstranten konden geen aanspraak maken op een plek in het stadsbestuur.

De twee drijvende krachten achter de schouwburg, de kooplieden Cornelis van der Pot (1736-1805) en Gelinus van Spaan (1731-1800) behoorden beide tot de Remonstrantse Broederschap. Hetzelfde gold voor een handvol andere geldschieters. Daarnaast waren er enkele katholieken en lutheranen onder de investeerders. Zogenoemde dissenters hadden daarmee een relatief groot aandeel in de totstandkoming van de schouwburg. Met hun financiële bijdrage hoopten zij iets van het maatschappelijk prestige te veroveren dat hen door hun politieke uitsluiting werd onthouden. Tot dan toe was lidmaatschap van een literair of wetenschappelijk genootschap een van de weinige manieren waarmee ze hun voortreffelijkheid konden etaleren. Het besloten karakter van die genootschappen vormde echter een beperking. Door bij te dragen een de totstandkoming van een nieuwe culturele instelling, die in principe voor iedereen toegankelijk was, werd die voortreffelijkheid zichtbaar voor de hele stad.

rotterdam-1626-uitgelicht

Lees meer

Historische besluiten: Johan van Oldenbarnevelt en de opkomst van Rotterdam

Hoe werkt macht in onze stad? In een speciale editie van Oude Koeien beschrijven Jacques…

Chagrijn

Voor de meesten zou dat niet genoeg blijken. Sinds 1750 groeide in de Republiek het chagrijn over de politieke strapatsen van de regentenkaste. Nieuwe theorieën over volkssoevereiniteit en democratie, die via onder meer de genootschappen binnensijpelden, droegen daar flink aan bij. In de jaren tachtig zou het ongenoegen uitmonden in de vorming van de patriottenbeweging die hervorming van het politieke systeem bepleitte. In de Rotterdamse tak van die beweging treffen we meerdere personen aan die in 1774 geld hadden gestoken in de schouwburg. Tijdens de onrustige jaren 1783-1787 – waarin onder anderen de bekende orangiste Kaat Mossel een hoofdrol opeiste – wisten zij in Rotterdam flink wat hervormingen af te dwingen. In het voorjaar van 1787 slaagden zij er zelfs in de macht in de stad naar zich toe te trekken. Lang konden ze daar niet van genieten: in september van datzelfde jaar maakten Pruisische huzaren een einde aan hun bewind in de Maasstad.

Enkele jaren later, in de Bataafs-Franse tijd, zou het Nederlandse staatsbestel overigens alsnog volledig op de schop gaan. Eén van de resultaten daarvan was dat dissenters voortaan ook plaats konden nemen aan bestuurstafel van de stad.

Vers Beton heeft jouw support nodig!

Voordat je verder leest: Vers Beton kan alleen blijven bestaan dankzij support van onze lezers. Maak jij ook onafhankelijke journalistiek in Rotterdam mogelijk?

Nee, ik lees eerst het stuk verder
De bouwende macht
anne2

Anne Jongstra

Anne Jongstra (1964) ziet zaken graag in historisch perspectief. Hij is geboren en getogen in Rotterdam, studeerde in de jaren tachtig geschiedenis in Utrecht en werkt nu voor het Stadsarchief Rotterdam.

Profiel-pagina
Jacques Börger

Jacques Börger

Jacques Börger (1955) is historicus en woont sinds 1998 in Rotterdam. Jacques is verantwoordelijk voor de communicatie en marketing van Museum Rotterdam en schrijft regelmatig stukjes over Rotterdam en haar geschiedenis.

Profiel-pagina
Lees 2 reacties