Wetenschap en onderwijs9 juli 2018

Erasmus en Rotterdam: een wederzijdse toe-eigening

Erasmus en Rotterdam zijn twee handen op één buik. Van een ziekenhuis tot een koeriersbedrijf, de stad claimt de naam van Neerlands beroemdste humanist. Andersom gebruikte Erasmus Rotterdam om zijn reputatie hoog te houden. Hoogleraar Wiep van Bunge verklaart deze wederzijdse toe-eigening in de volgende longread, eerder gepubliceerd in het wijsgerig faculteitsblad Twijfel.

Desiderius Erasmus werd in Rotterdam geboren en vernoemd naar een heilige. Een achternaam had hij niet. Nou was dat niet zó bijzonder: achternamen raakten in Europa pas in zwang na het jaar 1000, aanvankelijk alleen onder de adel en rijkere kooplui. Zelfs vorsten heetten gewoon Karel of Otto, hun nakomelingen Karolingen of Ottonen. Pas met de opkomst van de feodaliteit en de groei van de handel ontstond de behoefte aan juridische aansprakelijkheid. De meeste vroege achternamen verwezen naar een plaats, een streek, waar je vandaan kwam of die je eigendom was. In de praktijk werden mensen zonder achternaam aangeduid met een patroniem, de voornaam van hun vader: Jan Janszoon. Of met een eigenschap. Dit gold onder andere voor geleerden, zoals de achtste-eeuwse monnik en historicus Bede, uit Engeland, die bekend stond als The Venerable Bede.

Maar Erasmus leefde in de Renaissance, en als auteur had hij een veel grotere behoefte aan een identiteit dan zijn middeleeuwse voorgangers. Dus had hij een achternaam nodig. Hij behoorde tot de eerste generatie geleerden die van de uitvinding van de boekdrukkunst gebruik kon maken en niemand was zo gehaaid in het exploiteren van die uitvinding als hij. Hij was een van de eerste Europeanen die begreep wat die uitvinding hem als individuele auteur kon opleveren: roem op een schaal die tot dat moment alleen voor vorsten en generaals was weggelegd. We weten dat Erasmus, wanneer hij een manuscript af had, weken en soms maanden bij zijn uitgever kwam wonen om het gehele moeizame drukproces van nabij te overzien. Dat deed hij niet eens om er rijk van te worden, tenslotte bestond er in de zestiende eeuw nog geen copyright. De opbrengsten gingen naar de boekdrukker en de boekverkoper. Een auteur kreeg hooguit exemplaren van zijn eigen werk, die hij vervolgens zelf kon verkopen. Tot op hoge leeftijd bleef het sappelen. Wanneer het in 1513 – en dan is Erasmus toch al behoorlijk beroemd – winter wordt, moet hij een paard verkopen omdat hij een nieuwe jas nodig heeft. Pas aan het eind van zijn leven is hij van financiële zorgen bevrijd, ook omdat hij nooit een blijvend dienstverband aan wilde gaan. Dat was de prijs die hij betaalde voor zijn hang naar onafhankelijkheid.

Van zichzelf had Erasmus geen cent; hij was een bastaard en iedereen wist dat. De Katholieke Kerk moest hem dat zelfs officieel ‘vergeven’ en hem ‘dispensatie’ verlenen. Maar toen was hij al 50 en wereldberoemd. De vader van Erasmus was een priester, een zekere Gerrit of Gerardus uit Gouda, die een verhouding had met zijn dienstmeisje. Gerrit was een second offender: Erasmus had een oudere broer (Pieter) van dezelfde vader. Toen de zwangerschap niet langer te verbergen viel, dook zijn moeder (Margaretha Rutgers, dus de dochter van een familie die afstamde van een zekere Rutger), onder bij haar familie in Rotterdam waar de jonge Erasmus werd grootgebracht. Vervolgens gingen hij en zijn oudere broer wel naar school in Gouda en hun vader zorgde ervoor dat beiden een uitstekende opleiding kregen in Deventer. Maar Erasmus blééf een bastaard, en dát was een schandaal.

'Hoerenjong'

The past is a foreign country. In vroegmodern Europa werd je identiteit vrijwel volledig bepaald door je afkomst, en een afkomst buiten het sacrament van het huwelijk vormde een schandvlek. Natuurlijk bestond er ook sociale mobiliteit – dat is wat Erasmus’ loopbaan óók laat zien. Maar een bastaard had een bijzonder probleem. Waarschijnlijk noemde Erasmus zich Roterodamus vooral om van het gedoe rond zijn afkomst af te zijn. Mogelijk eveneens om zijn dankbaarheid tot uitdrukking te brengen voor de familie van zijn moeder. Maar hij kwam uit Rotterdam, dáár kon niemand wat van zeggen: een kleine Hollandse stad waar zo’n 5000 mensen woonden, met middeleeuwse stadsrechten, en hij deed precies wat middeleeuwse geleerden ook al hadden gedaan: Siger van Brabant; Duns Scotus, ‘de Schot’.

Aan het sacrament van het huwelijk werden nog semi-magische krachten toegekend: een huwelijk diende gesloten te worden in een kerk, door een priester en onder het oog van God. Een kind mocht alleen geboren geworden uit zo’n door God goedgekeurd huwelijk. Wat zich aan lichamelijke losbandigheid buiten die kerkelijk gesanctioneerde band voltrok was per definitie zondig en onzuiver. Emmanuel LeRoy Ladurie heeft een mooi boek geschreven over het leven aan het achttiende-eeuwse hof van Versailles: hooggeplaatste en hoogintelligente hovelingen als de hertog van Saint-Simon koesterden nog de krankzinnigste ideeën over het ‘onzuivere’ bloed van hoogadellijke bastaarden, die in de regel alsnog werden erkend, maar daar had een man als Saint-Simon geen boodschap aan. Bastaarden kónden niet deugen, die waren contaminés. Nog in de achttiende eeuw breekt – weer in Frankrijk – een al even curieus debat uit over de positie van met name de oudste Franse adel, die naar eigen zeggen van een ander ‘ras’ waren dan de rest van Frankrijk. De graaf van Boulainvilliers, nota bene een vriend van Voltaire en een bewonderaar van Spinoza, was er heilig van overtuigd af te stammen van Franken, de Germaanse stammen die in de vijfde eeuw Gallië overnamen van de Romeinen, en van Gallië Frank-rijk maakten. Tot in de achttiende eeuw hadden vrijwel alle Europese vorsten professionele ‘genealogen’ in dienst om aan te tonen dat zij afstamden van Aeneas en als het even kon van Noah. Dat wil zeggen: Troje of het Oude Testament. Heel Europa wemelde van de oorsprongsmythen – je afkomst voorzag je van legitimiteit. Leibniz heeft tientallen jaren voor het Huis van Hannover gewerkt met als specifieke opdracht: bewijs dat wij afstammen van de familie d’Este, een vroegmiddeleeuwse, Noord-Italiaanse dynastie waar veel vorstelijke huizen van afstamden (Leibniz vond dat document nog ook).

Tegen deze achtergrond kan het dus niet verbazen dat zelfs de breed bewonderde Erasmus nog aan het eind van zijn leven door een van zijn concurrenten doodleuk werd weggezet als ‘hoerenjong’. Dat kwam uit de pen van Julius Scaliger, óók een groot geleerde die toen nog aan het begin van zijn carrière stond. Scaliger méénde het: wat kon zo’n hoerenzoon en bovendien zo’n half barbaarse Noorderling als Erasmus ‘ons’ nu leren over bijvoorbeeld Cicero? Dat ons stond voor: ons Italianen. Julius Scaliger was weliswaar een Fransman, maar hij was ervan overtuigd de laatste rechtstreekse afstammeling te zijn van de De la Scala’s, middeleeuwse prinsen van Verona. Dus vond hij Erasmus nauwelijks serieus te nemen. De Renaissance was een wezenlijk Italiaans fenomeen, vonden ze in Italië, waar het allemaal begonnen was. Toen in de loop van de zestiende eeuw Noord-Europeanen als Erasmus beter Latijn schreven dan die Italiaanse geleerden, veroorzaakte dat als vanzelf ressentiment. Scaliger dacht dus twee redenen te hebben om Erasmus te kunnen afserveren: hoerenjong én noorderling.

Doodmoe van de roem

Gelukkig neemt de geschiedenis soms zelf wraak: de zoon van Julius Scaliger, die Joseph heette, werd aan het einde van de zestiende eeuw hoogleraar in Leiden. Daar was hij eigenlijk veel te deftig voor, dus hoefde hij geen college te geven en kreeg hij een enorm huis aan het Rapenburg. Een van zijn eerste Leidse publicaties betrof als vanzelf de eminentie van zijn eigen voorgeslacht. Zijn gedrag begon sommigen van zijn collega’s op de zenuwen te werken. In 1607 verscheen dan ook een vernietigende aanval van de hand van één van zijn vijanden, een zekere Scopius, die op onderzoek was uitgegaan. En wat bleek: die Scaligers hadden helemaal niets met de De la Scala’s te maken, maar stamden af van ambachtslui – miniatuurschilders, genaamd Bordoni. Een paar maanden later stierf Scaliger, naar verluidt aan een gebroken hart. Dit zijn natuurlijk allemaal extreme voorbeelden van vroegmodern standsbesef op grond van afkomst, maar ze zeggen wel iets: Erasmus had een probleem in de wereld van de high and mighty waarin hij zich als geleerde bewoog. De naam Roterodamus moest dat camoufleren. Hij mocht dan geen familie hebben – hij kwam wel ergens vandaan.

Tussen haakjes: hoe weten we eigenlijk dat Erasmus zo beroemd was? Bijvoorbeeld door het feit dat Erasmus zich vanaf de jaren twintig van de zestiende eeuw steeds vaker moest verstoppen. Erasmus heeft in zijn leven veel gereisd en dat moest hij op een gegeven moment incognito gaan doen. Hij kon zich nergens vertonen of het stadsbestuur organiseerde officiële ontvangsten en – alsof er een prins op bezoek kwam – halve staatsbanketten. Hij werd overladen met onderscheidingen en daar werd hij doodmoe van.

Beeld: Oana Clitan

Rotterdam heeft zich, andersom, ook Erasmus toegeëigend. Het besluit de Rotterdamse universiteit naar Erasmus te vernoemen stamt uit de jaren zestig van de vorige eeuw en dat besluit is doorgedrukt door de toenmalige burgemeester, Wim Thomassen. Zowel de economen als de medici, die aan de basis van die nieuwe universiteit stonden, vonden dat aanvankelijk helemaal niet zo’n goed idee. Wat hadden zíj met Erasmus te maken? Maar de burgemeester hield voet bij stuk en die vernoeming werd een groot succes. Vooral in Duitsland zou vanaf de jaren tachtig van de vorige eeuw de ene na de andere universiteit ook naar grote geleerden worden vernoemd.

Er is natuurlijk veel meer in Rotterdam: een Erasmiaans Gymnasium, een Erasmusbrug, een Erasmuskroeg, en er is hier: een Erasmusstraat, een Erasmuspad en zelfs een Erasmussingel. Dat begon allemaal al vlak na Erasmus’ dood, toen het Rotterdamse stadsbestuur in 1549 besloot een houten standbeeld voor Erasmus op te richten – let wel: dat was het eerste niet-religieuze standbeeld in Nederland. Maar dat beeld was van hout en dus ging het kapot, maar onmiddellijk werd het vervangen, tot drie keer toe, totdat in 1622 het huidige standbeeld werd geïnstalleerd. Op kosten van de stad, gemaakt door Hendrick de Keyzer, de beroemdste beeldhouwer en architect van zijn tijd.

"Rotterdammers hadden aan dogmatische scherpslijperij een broertje dood"

Het idee voor dat beeld kwam van Hugo de Groot, op dat moment pensionaris van Rotterdam. Maar de calvinistische predikanten verzetten zich hevig. Erasmus was katholiek gebleven en vooral populair onder Vrijzinnig Hervormden. Eigenlijk is het een klein wonder dat het beeld er toch kwam, want 1622 was vlak na de Synode van Dordrecht (1619), toen de orthodoxe vleugel van de hervormde kerk niets minder dan een coup pleegde en Hugo de Groot werd gearresteerd. Maar dat beeld kwam er toch, want in Rotterdam vormden die strenge calvinisten een minderheid. De oprichting van dat standbeeld was in de eerste plaats een politiek gebaar. Hier, zo wilde dat beeld zeggen, zijn wij liberalen de baas. ‘Arminianen’ werden ze meestal genoemd. Rotterdam was toen al een typische havenstad, gedomineerd door kooplieden en die kooplieden hadden aan dogmatische scherpslijperij een broertje dood. Voor sommigen van die zeventiende-eeuwse Rotterdammers groeide Erasmus uit tot zoiets als een seculiere heilige. Er ontstonden vriendenkringen van ‘Erasmianen’. Dit waren geen vrijdenkers maar diepgelovige protestanten, die alleen aan calvinisten nog een grotere hekel hadden dan aan katholieken die van Erasmus een kampioen van de tolerantie probeerden te maken.

Nu is dit onder Erasmus-specialisten wel een twistpunt. Je hoort veel dat Erasmus een pleitbezorger van tolerantie zou zijn geweest, maar hoe terecht is dat? Hij was als de dood voor de Moren, dat wil zeggen: het Ottomaanse Rijk, en hij heeft nare dingen over joden geschreven. Bovendien ontstond in Europa het probleem van de tolerantie pas ná Erasmus, toen een grote hervormde beweging tegenover de Katholieke Kerk kwam te staan. Eigenlijk konden al die zeventiende-eeuwse protestanten die uit naam van de tolerantie met Erasmus dweepten alleen wijzen op Erasmus’ oproep je niet te verliezen in theologische twisten over bijzaken. Dat was wel echt ‘Erasmiaans’ – concentreer je op de kern, en wees lankmoedig over de details. In het rampjaar 1672 grepen in heel Holland de rechtzinnige calvinisten met behulp van Willem III de macht, en voor een paar jaar moest ook in Rotterdam de liberale elite op haar tellen passen. In 1674 werd het standbeeld van Erasmus tijdelijk van zijn sokkel gelicht. Zogenaamd vanwege groot onderhoud, maar pas in 1677 werd het weer in oude luister hersteld. Dat vormde meteen de aanleiding voor allerlei ‘Erasmiaanse’ feestelijkheden, die natuurlijk ook waren bedoeld om de calvinisten op hun plaats te zetten.

Als troef tegen Trump, Wilders en populisme

Na verloop van tijd namen de spanningen tussen strenge en liberale protestanten af en geleidelijk werd Erasmus vooral een boegbeeld van de stad door het culturele prestige dat hij Rotterdam verleende. Wanneer Rotterdam aan het eind van de negentiende eeuw explodeert is het in cultureel opzicht wel een kale stad. Geen universiteit, een dunne culturele infrastructuur, een stad van doeners, niet van denkers. Dat zat rijke Rotterdammers niet lekker. In 1911 werd de Erasmus Stichting in het leven geroepen, met als doel het culturele en wetenschappelijke leven in de stad te bevorderen. Zij besloot het stadsbestuur te helpen de Erasmus Collectie van de Openbare Bibliotheek fors uit te breiden. Die Openbare Bibliotheek dateert al van 1604 – gehuisvest in de Laurenskerk – maar daar stond vrijwel niets van Erasmus in. Inmiddels bewaart diezelfde Openbare Bibliotheek de grootste Erasmus collectie ter wereld. Op een bepaalde manier was die Erasmus Stichting een heel zestiende- en zeventiende-eeuws initiatief, een typisch voorbeeld van civic pride, van trots zijn op je eigen stad en haar roemrijke verleden. Zestiende- en zeventiende-eeuwers waren in de eerste plaats ‘Rotterdammer’ – ‘Nederlander’ werden ze pas later, aan het eind van de achttiende eeuw. Vóór het eind van de achttiende eeuw identificeerden de meeste Nederlanders zich eerst met hun familie, dan met hun stad, en pas veel later met hun land. En al in de zestiende eeuw kon de kleine havenstad die Rotterdam toen was Erasmus heel goed gebruiken als uithangbord, als logo. Het verleende de stad een enorm prestige zo’n grote zoon te hebben voortgebracht.

Zoals Erasmus zich Rotterdam toeëigende, eigende Rotterdam zich dus Erasmus toe. Maar Erasmus is zo’n krachtig ‘merk’ dat hij inmiddels de stad Rotterdam ook ver ontstegen is. Hij is een Nederlands icoon geworden – denk maar aan de kersttoespraak uit 2016 van Willem-Alexander. Hij moest iets zeggen over Trump, over Wilders, over de veenbrand van het populisme in Europa en de Verenigde Staten. En dus stond hij uitgebreid stil bij zijn bezoek dat najaar aan de Erasmus Collectie van de Rotterdamse Openbare Bibliotheek. Dáár werd hij nog eens herinnerd aan wat ‘redelijkheid’ vermag. Van dát Nederland wilde hij de koning zijn; óók een vorm van toeëigening.

Zo veel lof en zo veel roem, je zou er bokkig van worden. Soms moet ik denken aan de enige man die ik heb gekend die een uitgesproken hekel aan Erasmus had: L.M.de Rijk, Bertus voor intimi. Groot kenner van de antieke en middeleeuwse wijsbegeerte, hoogleraar in Nijmegen, Utrecht, Leiden en Maastricht, lid van de KNAW en jarenlang lid van de Eerste Kamer. Hij kon tijdens colleges het schuim op de lippen krijgen als Erasmus ter sprake kwam. Al die domme grappen van Erasmus over ‘zinloze’ scholastieke disputen (hoeveel engelen passen op de punt van een naald?)! Erasmus, zo sneerde De Rijk, begreep die disputen helemaal niet. Erasmus was nu eenmaal geen logicus. In debat met Willem van Ockham zou hij al na vijf minuten kansloos onderuit zijn gegaan. Maar zoals gezegd was Bertus de Rijk wel de enige geleerde die ik ooit zo over Erasmus tekeer heb horen gaan.

Dit artikel is eerder gepubliceerd in het speciale themanummer ‘Rotterdam’ van wijsgerig faculteitsblad Twijfel (mei 2018).

Lees meer:

Reageer of deel op Social Media

Tags:erasmus, filosofie, geschiedenis, Stadsimago en Wiep van Bunge

Sectie: Wetenschap en onderwijs

kaart: Erasmus Universiteit Rotterdam, Burgemeester Oudlaan, Rotterdam, Nederland
Ontvang de wekelijkse Vers Beton newsletter!

Op Vers Beton discussiëren we met liefde. We horen daarom graag je mening. Houd daarbij wel onderstaande richtlijnen in gedachten, dan weet je zeker dat je reactie zichtbaar blijft:

  • Draag inhoudelijk bij aan de discussie
  • Blijf on-topic
  • Speel op de bal, niet op de man
  • Wees respectvol: reacties waarin sprake is van schelden, haat, racisme of seksisme worden verwijderd
  • Reacties over huisregels en toelatingsbeleid worden verwijderd
  • We gaan niet in discussie over verwijderde reacties
  • Zie je reacties die niet aan de huisregels voldoen? Ons controlesysteem is niet waterdicht. Laat het ons weten via info@versbeton.nl

Verdiep de discussie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *