voor de harddenkende Rotterdammer

Naar aanleiding van het bekendmaken van de plannen voor een woontoren op het postkantoor aan de Coolsingel veroordeelt Bart Bekooy de architectuur, de architect en monumentencommissie van een knieval voor de markt. Hij heeft gelijk, met dit plan worden de criteria voor lelijke hoogbouw scherper gesteld.

Toch is de architectuur niet de kwestie waar het in mijn ogen over gaat. Het gaat verder terug, naar het moment waarop ‘wij’, de samenleving vertegenwoordigd door onze overheden, publiek bezit aan de markt zijn gaan verpatsen. Daarmee hebben we het postkantoor en een reeks van andere beeldbepalende en centraal gesitueerde gebouwen in de leeuwenkuil van speculatie en winstmaximalisatie gegooid.

Met de vermarkting van het postkantoor is een enorme kans naar de vaantjes. Was het in publieke handen gebleven, dan had de grote centrale hal kunnen worden getransformeerd tot een combinatie van pop- en jazzpodium, debatcentrum en burgerlijke feestzaal, terwijl de kantoren aan de achterzijde en op de verdiepingen als verdienmodel plaats hadden kunnen bieden aan vele kleinere culturele en maatschappelijke instellingen. Cultuur en ontmoeting in het hart van de stad in plaats van weggestopt en verdeeld in de resthoekjes en -gaatjes, waar het nooit lang kan blijven, want de markt vraagt immers om ontwikkeling.

Postkantoor kleur
Beeld door: beeld: Rémon Mulder

De zegeningen van de markt

Je kunt het de ontwikkelaars die deze gebouwen kopen niet eens verwijten dat ze winst nastreven, daarvoor zijn ze immers opgericht, en daar maken ze geen geheim van. Dat ze daardoor nogal liefdeloos aan het verbouwen en uitbreiden slaan als ze zo’n buitenkansje eenmaal hebben verworven, staat misschien niet in de mission statement van het bedrijf, maar het is wel de onontkoombare praktijk als er om te beginnen een ‘marktconforme prijs’ moet worden betaald. Die prijs wordt immers bepaald door uit te gaan van een ontwikkeling met hoog rendement, ongeacht of de functie die bij dit rendement past gewenst of zelfs maar realistisch is; dat is immers ondernemersrisico. Niet zelden is er bovendien sprake van speculatie en prijsopdrijving door meerdere malen doorverkopen van het vastgoed. Dan blijft er vaak niets anders over dan hoog inzetten (letterlijk) en daar is de oorspronkelijke architectuur en de oorspronkelijke maatschappelijke functie vrijwel altijd de dupe van.

Het geloof van de politiek in de zegeningen van de markt is hardnekkig, niet alleen bij rechtse partijen. De crisis heeft dat geloof nauwelijks doen wankelen. Nu het weer wat beter gaat, en het geld weer zachtjes tegen de plinten aan gaat klotsen, klinkt opnieuw alom het getrompetter van ‘unieke kansen’ en mega-investeringen, begeleid door de paukenslagen van sloopkogels en heipalen. Tegen het geweld van het kapitaal is het kwetsbare, maatschappelijke en culturele kruid, de humus van onze samenleving, helaas niet opgewassen.

Kakken zonder douwen

Die uitverkoop van publiek vastgoed ging gelijk op met de opkomst van het neoliberalisme en de privatisering van nutsinstellingen en hun gebouwen. In Nederland deden we in één klap al ‘onze’ (want publiek bezit, en ooit opgebouwd uit de spaarcenten van 100 jaar oude coöperaties) sociale woningen van de hand en privatiseerden we onze woningcorporaties. Niet helemaal natuurlijk, want in polderland Nederland gebeurt nooit iets helemaal. De corporaties blijven nu in een limbo tussen publiek en privaat hangen.

Ook Rotterdam verkocht zijn woningen, scholen, politiebureaus, douanekantoren en buurthuizen (want die taken zijn immers naar de participerende burger doorgeschoven); ook deze lijst is schier eindeloos. Het is een, op z’n Rotterdams gezegd, beleid van ‘kakken zonder douwen’; lekker gemakkelijk en gespeend van enige visie op een complete, inclusieve stad.

De Rijksoverheid begon aan een uitgebreid programma van verkoop van Rijksvastgoed: gevangenissen, gerechtsgebouwen, kazernes, monumentale kantoren, postkantoren, watertorens, schoolgebouwen; de lijst is eindeloos. Nu worden er soms wel eisen gesteld aan maatschappelijke en/of culturele invulling, maar dat is, zo weet elke ontwikkelaar, meestal een wassen neus. Gewoon even de tijd uitzitten en ‘aantonen’ dat de maatschappelijke of culturele functie bij nader inzien toch niet financieel haalbaar is, en hoppa: weer een buitenkansje binnengehaald. Het Postkantoor aan de Coolsingel is daarvan een pijnlijk voorbeeld.

School wordt woning

Vele vooroorlogse scholen, veelal mooie en ruim bemeten bakstenen gebouwen, gingen in Rotterdam in de verkoop. Vaak als kluswoningen. Deze ooit sympathieke manier van stadsvernieuwing door zelfwerkzaamheid, is al lang verwaterd tot een excuus om maatschappelijk vastgoed voor de (bijna) hoogste prijs te verkopen. En vanaf dat moment spelen die leuke kluswoningen net zo goed hun rol in het grote speculatiespel dat de prijs voor het wonen voor ons allemaal opjaagt.

Dat is op zichzelf al kwalijk, maar het gaat vrijwel altijd gepaard met een bestemmingsplanwijziging: de maatschappelijke bestemming (want een school) verandert in een woonbestemming, veelal met uitsluiting van overige functies. De vier schoolgebouwen, elk met circa 12 lokalen, op het binnenterrein van het bouwblok tussen de Schonebergerwerg en de Osseweistraat werden de afgelopen jaren bijvoorbeeld ‘verkluswoningd’. Kunstenaars die er hun atelier hadden moesten wijken, zoals dat altijd gaat met cultuurmakers die van hot naar her door de stad worden gejaagd.

Hoe moet het dan wél?

Natuurlijk kan het anders. Maar dat vereist politieke wil en vooral politieke moed om tegen de privatiseringsstroom in de maatschappelijke of culturele functie ook voor de toekomst te waarborgen. De verkopende overheid zou daarbij de volgende regels kunnen hanteren.

  1. Denk goed na of het echt noodzakelijk is om het vastgoed van de hand te doen. Valt er echt niet samen te werken met maatschappelijke en culturele instellingen in de stad?
  2. Denk dan nog een keer na en overweeg het vastgoed desnoods een tijdje te verhuren om er over 5 a 10 jaar nog eens naar te kijken.
  3. Als het dan echt nuttig en noodzakelijk is om te verkopen, doe dat dan onder strikte voorwaarden. Onderzoek welke functies het in de vrije markt niet redden (en dat is vrijwel alles van maatschappelijke of culturele waarde) en aan welke van deze functies de wijk behoefte heeft.
  4. Stel vervolgens inhoudelijk harde verkoopvoorwaarden ten aanzien van de functie van het gebouw, maar wees mild ten aanzien van de gevraagde verkoopprijs. Met andere woorden: laat vooral bieden op de kwaliteit van het plan, niet op de prijs. Hanteer het credo: Het beste bod is niet per se het hoogste bod.
  5. Stel spijkerharde en langlopende anti-speculatievoorwaarden en eventueel het eerste recht van terugkoop als de beloofde plannen niet haalbaar blijken, of als de functie in de loop van de tijd niet meer haalbaar is.
  6. Overweeg om de stichtingskosten laag te houden door als gemeentelijk grondeigenaar de prijs en de erfpachtcanon laag te houden in ruil voor medezeggenschap, ofwel direct door gemeente zelf, ofwel door wijkvertegenwoordigers. Dat model is in het buitenland gebruikelijk maar hier helaas (nog) niet.

Nieuw college, nieuwe kansen

Het nieuwe college kan de uitverkoop van het maatschappelijk vastgoed stopzetten door vanaf nu de bovenstaande regels te hanteren. Maar in de tekst van het coalitieakkoord ‘Nieuwe Energie voor Rotterdam’ valt te lezen: “De versnelde afbouw van de gemeentelijke vastgoedportefeuille, zetten we voort. De maatschappelijke waarde en kwaliteit houden we daarbij goed in het oog.” Daaruit blijkt dat de eerste twee van bovenstaande aanbevelingen nog niet op het netvlies van de coalitiepartijen staan. Maar tenminste wordt de maatschappelijke waarde ‘in het oog’ gehouden. Een boterzachte belofte natuurlijk, maar wel een waar telkens op gewezen kan worden.

Daar is nu alle aanleiding toe, want de Eerste Gemeentelijke Hogere Burger School (HBS) aan de ’s Gravendijkwal komt in de verkoop. Een prachtpand op een mooie plek. Verschillende politieke partijen (PvdA, D66, CU/SGP, PvdD) dringen aan op een culturele invulling. Culturele instellingen willen graag haalbare plannen bedenken. Maar het is nog lang geen gelopen koers. Het wachten is op de verkoopvoorwaarden.

Als de coalitie haar voornemens om de maatschappelijke waarde te honoreren serieus neemt, dan heb ik nog wel een verkoopvoorwaarde tip. Geloof ‘de markt’ niet op haar blauwe ogen, maar lees voorafgaand aan de verkoop vooral de regels 3 tot en met 6. Geef daarbij voorrang aan non-profit exploitatie en stop de winst in onderhoud van het gebouw. Ga desnoods bij collega’s in Zurich op bezoek om te leren hoe dergelijke voorwaarden (Baurecht) de kwaliteit van de woningbouw en het stadsleven enorm kunnen verbeteren.

De gemiste cultuurkans van het postkantoor kan worden goedgemaakt met een Coöperatieve-Cultuur-HBS, waar verschillende cultuursectoren en cultuurmakers als een onderling samenwerkende eenheid nieuw leven blazen in een prachtig, maar ingeslapen gebouw. Dat kan, dat is zelfs helemaal niet zo moeilijk, als ‘wij’, de gemeenschap dat echt willen.

Piet Vollaard

Piet Vollaard

Piet Vollaard is medeoprichter van Stichting De Natuurlijke Stad, met als doelstelling de versterking van de ecologie en biodiversiteit van de stad. Met het project 7Seasons werkt een groep van ontwerpers, biologen en ecologen aan de stapsgewijze verbetering van de stadsnatuur in de Provenierswijk en de Agniesebuurt. Voorstellen voor ecologische vergroening van de Hofbogen maken onderdeel uit van dit project.

Profiel-pagina
Avatar-remon-mulder

Rémon Mulder

Rémon Mulder (1994) is een dromer en een tekenaar. Hij houdt zich als stedenbouwkundige graag bezig met de stad. Hij gebruikt zijn tekeningen tijdens het ontwerpen om de verbeelding van de toeschouwer aan te wakkeren, en een toekomstige wereld te onthullen.

Profiel-pagina
Lees 19 reacties