voor de harddenkende Rotterdammer

‘Lieve papa, mama, Christel, Manuel en Frank. Hier een briefje van Jeanette. Hoe gaat het met jullie? Met mij gaat het niet zo goed. Mama, ik moet weg uit Rotterdam, want het is een veel te harde stad. Lieve papa en mama, schrik niet, maar ik weeg nog maar 48 kilo. Mama, wat moet ik doen? Ik weet het niet meer. Ik loop bijna iedere dag met gedachten om een eind aan mijn leven te maken. Ik weet dat ik jullie er veel verdriet mee doe. Maar mama, ik weet geen uitweg meer.’

Het is juni 1999 als Jeanette Sip dit briefje schrijft. Ze spuit op dat moment al elf jaar heroïne en zwerft net zolang op straat, van stad naar stad. Afwisselend tippelt ze in Rotterdam, Utrecht en Groningen de kosten voor haar verslaving bij elkaar. Jeanette Sip is een verslaafde prostituee, al doet het haar tekort om haar consequent zo te noemen. Ze is namelijk ook een zus en een dochter, die trouw terugkeerde naar Nijmegen als er een verjaardag te vieren viel. Ze heeft bescheiden dromen, wil kapster worden, tot haar ambities geknakt raken als ze op 16-jarige leeftijd een vriendje krijgt dat heroïne dealt.

Op 13 juni 1999 eindigt Jeanettes leven. In de vroege ochtend vindt een toevallige voorbijganger haar lichaam in de Vierhavenstraat, langs het spoor. Het is een gruwelijk gezicht. De dader heeft haar met een slagersmes zo vaak en met zoveel kracht in haar borst en nek gestoken, dat ze bijna onthoofd is. Een dag later komt Jeanettes vader naar Rotterdam om zijn dochter te identificeren. Ze ligt in het mortuarium, onder een dekzeil, lekkend van het ijs. Wat hij daar ziet, van wat zijn dochter is aangedaan, daar krijgt hij zo’n tik dat hij er nog steeds niet over kan praten.

Anneke Gerrits, Jeanettes moeder, herinnert zich 14 juni 1999 scherp. ‘Ik was op mijn werk, toen mijn man, nu mijn ex, me belde. Hij had de politie aan de deur staan: of ze mochten binnenkomen, want onze dochter was dood gevonden. Ik sprong op de fiets naar huis en dacht: dit kan niet, het is niet waar. Thuis vertelden de agenten ons dat Jeanette vermoord was. Mijn man ging mee naar het mortuarium. Alleen, want ik kon dat niet aan. Jarenlang hadden we geknokt om Jeanette van haar verslaving af te krijgen, om haar weg te krijgen uit dat milieu. Vanuit de gedachte dat het een kwestie van tijd was voordat haar iets zou overkomen. Die angst werd die dag werkelijkheid.’

Als Jeanettes persoonlijke eigendommen uiteindelijk worden opgestuurd, treft Gerrits naast haar dochters aansteker, heroïnepijp, buskaartje en een kwartje de geschreven noodkreet aan. Het besef dat Jeanette dat een paar dagen voor haar dood geschreven heeft, raakt haar nog altijd diep. ‘Ik heb uiteindelijk niks voor haar kunnen doen, terwijl ik alles geprobeerd heb. Haar laatste uren was ze alleen.’

Rijdende gedoogtrein

Jeanettes dood is, hoe cru dat ook klinkt, bijzonder. Ze is de laatste in een serie moorden op prostituees vanaf 1989, waarvan de politie vermoedt dat er één en dezelfde man voor verantwoordelijk is. Als dat waar is, dan betekent dat in de straten van Rotterdam jarenlang, tot nu toe ongestraft, een seriemoordenaar heeft rondgelopen. Die zijn uiterst zeldzaam in Nederland. Je zou denken dat dat gegeven voor grote ophef en maatschappelijke verontwaardiging zorgt, maar nee: dit is in Rotterdam geen breed gedeelde kennis. Nooit geweest ook. Hoe kan dat?

Rotterdam1-GJdeJonghweg1
G.J. de Jonghweg, 1992/1993 Beeld door: beeld: Martijn Heil

Om dat te snappen, moet je weten hoe Rotterdam er in de late jaren tachtig en vroege jaren negentig aan toe was. John de Cloe was in die tijd coördinator prostitutiebeleid en beleidsmedewerker bureau Politiezaken en Openbare Inrichtingen van de gemeentelijke afdeling Algemene Bestuurszaken. Hij herinnert zich nog goed hoe prostituees en aanverwanten vanuit Katendrecht de Maas overstaken, en zich ongecontroleerd verspreidden richting het Oude Westen en Middelland. ‘Tot politiecommissaris Jaap de Leeuw in 1984 bij de G.J. de Jonghweg een streep trok op de kaart, met nog een andere aan de overkant, en tegen de prostituees zei: “Hiertussen mag je lopen. Als ik je daarbuiten zie, pak ik je op.”’ Dat was de geboorte van de gedoogzone. Een noodgreep, zegt De Cloe, om een groeiend probleem onder de duim te houden: ‘We moesten de tippelactiviteiten en alles wat daaromheen hoorde zien te concentreren op een plek buiten de wijk. En bovendien: het zou maar tijdelijk zijn. Maar een jaar en een evaluatie verder, verlengde de periode met nog een jaar. En daarna met nog een jaar, en nog een jaar.’

In die situatie verschijnt Johan Henderson in 1986 ten tonele. Deze voormalig opbouwwerker, een PvdA’er, wordt als projectwethouder belast met het prostitutieprobleem. Een unicum in Nederland, want in alle andere steden waar heroïnehoeren op een gedoogzone actief zijn, zoals Groningen, Heerlen, Amsterdam en Utrecht, vallen de zones onder het rechtstreekse gezag van de burgemeester. In Rotterdam kiest men een andere weg. ‘Omdat Peper er zijn vingers niet aan wilde branden’, antwoordt Henderson kernachtig op de vraag waarom. ‘Het was mijn belangrijkste taak om die rijdende gedoogtrein in een richting te sturen waarin de rust wederkeerde.’

En daarom gaat Henderson eerst maar eens kijken op de zone. ‘Ik ben er vaak geweest’, zegt hij. ‘Want ik wilde zelf zien of de feiten die tot mij kwamen, klopten met mijn eigen waarneming. En daarnaast hadden we naar die meiden toe ook een verantwoordelijkheid.’

Grootste pooier van Rotterdam

Wat Henderson ziet bij zijn bezoek aan de Rotterdamse tippelzone, is een wildwest. Het overgrote deel van de werkende meiden op de zone is zwaar verslaafd aan heroïne. Zij scharrelen onder abominabele omstandigheden, omgeven door een aura van criminele activiteiten, hun dagelijkse dosis drugs bij elkaar. Koste wat kost. Deze vorm van prostitutie, redeneert Henderson, is niet te bestrijden. ‘Dus om het te controleren, gingen we het faciliteren’, vat hij samen. ‘Het is er, dus kun je het maar beter in goede banen leiden. Zo konden we ook voor de zwaksten zorgen, want die zijn toch al altijd de klos. Nou, niet bij ons.’

Vanuit die gedachte zet Henderson een tolerant drugsbeleid op poten. Verslavingszorg is opdat moment een industrie van betekenis in Rotterdam, met een jaarlijkse begroting van zestien miljoen gulden. Henderson vindt een verwant in Rinus van Klaveren, de man die Stichting De Buldog heeft opgericht, en die net zo onorthodox was is de wethouder. De Buldog runde Keetje Tippel op de zone, een bouwkeet annex toevluchtsoord voor prostituees. Ze krijgen er condooms, schone spuiten, soep en koffie en kunnen een arts bezoeken.

Rotterdam2-KeetjeTippel2
Keetje Tippel, 1992/1993 Beeld door: beeld: Martijn Heil

Van Klaveren en Henderson zetten vanuit De Buldog Piet ‘Popeye’ Kamper op de zone neer. Hij moet op de G.J. de Jonghweg zelf een oogje in het zeil houden, voor de meiden. ‘We hadden iemand nodig aan de goeie kant, maar die wel af en toe een scheve schaats kon rijden’, zegt Henderson. ‘En ja, dat was ongebruikelijk, maar dat ging niet anders, want we moesten er tegenaan.’

Kamper is een harde jongen, afkomstig van Zuid, een havenarbeider én sportinstructeur, die er al eerder in geslaagd is Feyenoord-hooligans te beteugelen. Goedschiks of kwaadschiks. Hoewel hij officieel bij De Buldog in dienst is gekomen als maatschappelijk werker, noemt hij zichzelf heel anders, namelijk: ‘De grootste pooier van Rotterdam.’ Kamper krijgt carte blanche op de zone. ‘Dat hield in dat ik niet gearresteerd kon worden. Ik was het enige aanspreekpunt voor de meiden op de zone, en tegelijkertijd het mikpunt voor hun pooiers.’

Kamper schetst een inktzwart beeld van zijn jaren op de zone en noemt het een poel van ellende. ‘Meiden met gaten in de konen door de crack. Meiden die alles doen voor een shot. Het was mensonterend.’ Hij legt uit hoe hoerenlopers te werk gingen. ‘Er liep een meisje rond met een geamputeerd been, dat was ze kwijt geraakt door de dope. Zij was heel populair bij hoerenlopers, wat natuurlijk ook allemaal perverse idioten zijn. Op een nacht zie ik haar staan. Het was ijskoud, min vijftien, en er stopt een Mercedes voor haar met vier mannen erin. Ze zegt wat het kost, de mannen rijden weg. Ze blijven tot een uur of twee, drie rondjes rijden. Dat meisje gaat, leunend tegen een lantaarnpaal, steeds verder onderuit. Als ze bijna omvalt, stopt die Mercedes weer voor haar. “Vijf gulden”, hoor ik. Dat meisje stapt in en is de hele verdere nacht misbruikt, zegt ze later tegen mij. Voor vijf gulden. De volgende keer dat ik die Mercedes zag, heb ik die mannen eruit getrokken.’

Rotterdam2-KeetjeTippel3
Keetje Tippel, 1992/1993 Beeld door: beeld: Martijn Heil

Uitbeenmes

In deze dagelijkse cyclus van spuiten, jatten en hoereren verdwijnt in november Mientje van Balkom. Ook deze 31-jarige vrouw, met een lieve, wat schuchtere oogopslag en lang blond haar, is een zware gebruiker. Ze tippelt om aan genoeg geld te komen voor heroïne. Op de avond van 1 november 1989 kijkt Mientje bij vrienden de voetbalwedstrijd PSV-Steau Boekarest. Daarna vertrekt ze naar de zone. Om kwart over vijf ’s nachts is ze daar nog gezien. De volgende ochtend om 8.30 uur slaat een toevallige voorbijganger alarm: in de plantenbakken op het dak van metrostation Coolhaven ligt een dode vrouw. Het is Mientje, met bloot onderlijf, maar gedeeltelijk toegedekt met karton. In de kranten spreekt de politie van ‘een groot aantal messteken in de halsstreek’ en vindt naast het lijk een knalgeel kartelmes: het moordwapen, naar men aanneemt. Haar rugzak is verdwenen, net als haar onderkleding. De moord op Mientje zorgt voor enige ophef, hoewel er niet meer dan driekolommer en een paar kleine berichten in de lokale kranten verschijnen. Na een paar dagen is het weer business as usual op de tippelzone.

Tien maanden later verdwijnt Dini Stijger, een zwerver van 45 jaar. In de vroege middag van 9 september 1990 wordt haar eveneens deels ontklede, deels met kranten en karton toegedekte lijk gevonden in een nis onder de Willemsbrug, een plek waar ze vaker slaapt. Op haar vindt de politie sperma, en omdat Dini geen heroïnehoer is, is dat een belangrijk spoor. Vlakbij vindt de politie een kromme 12, een vil- en uitbeenmes dat in slachterijen wordt gebruikt.

Acht maanden later: weer een lijk. Francis Garcia Hofland, 22 jaar, ernstig verslaafd, soms tippelend om aan geld te komen, meestal rondhangend op Perron Nul, waar ze jan en alleman berooft. Ze sterft op 19 juni 1991. Haar lijk wordt badend in haar eigen bloed aangetroffen langs de Westzeedijk. De dader heeft haar bijna onthoofd, met zoveel kracht heeft hij op haar ingestoken. Haar onderlijf is ontbloot, haar groengrijze leren broek is weg. Andere naam, andere vindplek, zelfde modus operandi.

Rotterdam2-KeetjeTippel1
Keetje Tippel, 1992/1993 Beeld door: beeld: Martijn Heil

Lustmoordenaar

Op dat punt komt Machiel Oeloff in beeld, als leider van een Recherche Assistentie Groep. Dat het in de zaken Van Balkom, Stijger en Hofland weleens om één dader kan gaan, is al snel na aanvang van zijn onderzoek een belangrijke onderzoekslijn aan het worden. Toch moet hoofdinspecteur Oeloff knokken voor meer recherchetijd. ‘Geld was niet voorhanden en de druk op de recherche was enorm. Als we niet binnen twee weken zicht op een dader hadden, moest je wel met een heel goed verhaal komen om door te kunnen zoeken.’ De twintig rechercheurs die belast zijn met de moord op Hofland concentreren zich op de plaats delict, de sporen die daar gevonden zijn, wie het slachtoffer is, in welke kringen zij zich bewoog en wie kan helpen een tijdlijn vast te stellen. ‘Dit waren geen zaken waarbij het toevallig een keer uit de hand is gelopen, dat was duidelijk. Er zat iets anders achter, dat zag je ook aan de agressie waarmee de dader ze neergestoken heeft. Dat opgeteld bij het seksuele karakter van de moorden, deed ons besluiten om deze drie zaken gezamenlijk te presenteren bij Opsporing Verzocht. Daarbij lieten we ook de term “lustmoordenaar” vallen.’

Maar ook die uitzending veroorzaakt geen noemenswaardige ophef. Dat beamen omwonenden Hans Flier en Wilma Degeling, die eind jaren tachtig een monumentaal herenhuis kopen aan de Heemraadssingel, en sindsdien nauwgezet een knipselmap met alle publiciteit rondom de wijk en de G.J. de Jonghweg bijhouden. ‘Die moorden waren in de wijk geen onderwerp van gesprek, ze waren voor de bewoners een ver-van-ons-bedshow’, zegt Flier. ‘En contact met die verslaafde meisjes was er niet. Dus ook niet hierover.’

Belegerd

De omwonenden van de G.J. de Jonghweg hebben wel andere dingen aan hun hoofd, met als voornaamste zorg de almaar toenemende overlast en agressie. Zo staat er rond de tijd van de moord op Francis Garcia Hofland bij Flier en Degeling standaard een riek naast de voordeur. ‘Om junks in de voortuin, die hun injectienaald als wapen hanteerden, op afstand te houden. We hadden ook een emmer water op ons balkon staan, zodat we een paar dat hun transactie in onze voortuin afhandelde, konden stoppen. Als we dat zouden toestaan, was het einde zoek.’

Hun twee kinderen, toen kleuters, leren ze in een rechte lijn door de voortuin naar de voordeur te lopen, om de vieze naalden, gebruikte condooms en uitwerpselen te ontwijken. Degeling krijgt regelmatig de vraag hoe duur ze is, zelfs als ze haar kinderen voor- en achterop de fiets heeft zitten. Een buurvrouw sluit haar auto niet af, om te voorkomen dat het voertuig iedere nacht opengebroken wordt.

De overlast neemt hand over hand toe, tot het hun wereld domineert: brutale junks op de stoep, gewapend met een mes of een pistool, overvallen op straat, de angst om een ziekte op te lopen door vuile spuiten. ‘We kochten ons huis weliswaar in de wetenschap dat de G.J. de Jonghweg vlakbij was’, zegt Flier. ‘Maar in het begin viel het wel mee’, valt Degeling hem bij. ‘Ja, het was een turbulentere buurt dan Hillegersberg, maar de Nieuwe Binnenweg was een leuke winkelstraat, en er woonde een leuke mix van mensen.’ Flier: ‘Tot halverwege de jaren negentig zagen we de buurt enorm verloederen, tot we het gevoel kregen belegerd te zijn in ons eigen huis. Een bezetting, zo voelde het echt. Het was geen moment stil op straat, ook overdag niet.’  

Het beleid van Henderson, dat de oud-wethouder zelf bestempelt als humaan, zien de twee wijkbewoners in een heel ander licht: ‘De gemeente benaderde de tippelzone als een gezondheidszorgprobleem, terwijl wij een openbare-ordeprobleem hadden’, zegt Flier. ‘Onder het mom van hulpverlening heeft de gemeente een vorm van slavernij gefaciliteerd. Die zogenaamd goede bedoelingen trokken een spoor van ellende.’ De simpele oplossing: de boel verkopen en vertrekken. ‘O nee’, zegt Degeling ferm, ‘dat nooit. Dat zou toegeven zijn, en dat was voor ons onacceptabel. En bovendien, buurtbewoners konden hun huis aan de straatstenen niet kwijt. We waren vooral heel boos dat het zover had kunnen komen. Hoeveel last wij ook hebben gehad hiermee, voor die meisjes vond ik het nog het ergst.’

Rotterdam1-GJdeJonghweg2
G.J. de Jonghweg, 1992/1993 Beeld door: beeld: Martijn Heil

Onbetrouwbare getuigen

In dat klimaat probeert de Recherche Assistentie Groep van Machiel Oeloff de onderzoekstrechter te vernauwen. Dat valt niet mee. ‘Wat ons niet hielp, is de schimmigheid van die scene’, zegt hij. ‘Getuigenverklaringen zijn moeilijk te krijgen, of blijken onbetrouwbaar. Als je verslaafden spreekt die niet eens weten welke dag het is en geen enkel besef van tijd hebben, is het moeilijk hun beweringen te checken.’

Toch kwam er één verdachte voorbij, waarbij een heleboel leek te kloppen. ‘Alle signalen die we over hem binnen kregen, klopten, maar dat is op zichzelf geen bewijs. Uiteindelijk wisten we hem niet eens in Rotterdam te plaatsen, laat staan op de plaatsen delict.’ Na zes weken onderzoek gooit het RAG de handdoek in de ring, noodgedwongen. Andere zaken wachten, en alle lijnen lopen dood. ‘Het was op. Al hadden we nog wel een technische analyse willen doen, door de drie zaken op detailniveau met elkaar te vergelijken. Maar dat was qua capaciteit niet voor elkaar te krijgen. Dus ja, je kunt zeggen dat ons onderzoek mislukt is.’  

En dat steekt, ook na 25 jaar. ‘Ik werk nu dertig jaar bij de politie. Er zijn maar twee zaken die ik in mijn tijd graag afgerond zou willen zien. Daar is dit onderzoek er een van. Er is me veel aan gelegen deze dader te vinden.’

Muur van onbetrouwbaarheid

De kansen om de dader te pakken zijn sinds 2012 aanzienlijk toegenomen. Sinds vier jaar buigt het coldcaseteam van de Rotterdamse politie zich over vijf vermoorde vrouwen. Door hun toedoen valt nu ook de moord op prostituee Beppie Michiels in april 1989 binnen de serie.  

Ook zij werken in trechtervorm, maar pakken het onderzoek veel grootser aan, zegt René Bergwerff, leider van het coldcaseteam. ‘We begonnen met alle 85 openstaande prostitutiemoorden in heel Nederland. Want dat zullen niet 85 verschillende daders zijn, dat kan ik me niet voorstellen.’ Toch zijn de Rotterdamse moorden tot nu toe de enige die met elkaar in verband zijn gebracht: alle andere vertonen niet dezelfde kenmerken, kunnen ze nu met zekerheid zeggen.

Het zoeken naar betrouwbare getuigen is, zeker met de factor tijd er overheen, bijzonder lastig. Net als hoofdinspecteur Oeloff destijds stuit het coldcaseteam op een muur van onbetrouwbaarheid. ‘Niemand is vrij van belangen in deze wereld. Daar komt bij dat velen dood of ziek zijn. Op bijna niets kun je vertrouwen. En laten we wel wezen, en ik zeg dit met alle respect: het gaat om prostituees. Als we sperma op een dergelijk slachtoffer vinden, ja, zeg het maar. Is het van een klant, van welke dan, heeft ze er die nacht meerdere gehad? Alles moeten we dubbel kritisch bekijken.’

Rotterdam1-GJdeJonghweg4
G.J. de Jonghweg, 1992/1993 Beeld door: beeld: Martijn Heil

De forensische sporen, die destijds veilig gesteld zijn door het Nederlands Forensisch Instituut, zijn door de DNA-databank gehaald, als het coldcaseteam dat nodig achtte. Tot nu toe zonder resultaat, maar dat kan nog veranderen. Destijds zijn lang niet alle sporen bij het NFI terecht gekomen. ‘Een deel is teruggegeven aan de nabestaanden, een deel belandde in politiearchieven, een deel is vernietigd en een deel is gewoon kwijt’, somt Bergwerff op. ‘En als het bij de politie bewaard is, is het de vraag wat het bewijs nog waard is, als het tussen ander materiaal opgeslagen heeft gelegen, of wij niet weten wie het wanneer in handen heeft gehad.’

Alleen kansrijke sporen komen in aanmerking voor analyse door het NFI. Ook dat betekent eerst een hoop speurwerk. Dat verloopt bij een serie moorden iets anders dan een op zichzelf staand misdrijf. Andere sporen dan de voor de hand liggende, kunnen van belang zijn. Zo werd vlakbij de plaats delict van Jeanette Sip een bebloed shirt gevonden. Toeval of niet? En welke relatie had dat met andere bebloede kleding, gevonden op andere moordlocaties? ‘Nou, geen’, zegt Bergwerff nuchter. ‘Uit forensisch onderzoek bleek dat het shirt niets met het misdrijf te maken had.’

Hoe lang nog?

Vijf vrouwen, losgezongen van een toch al grillige realiteit, met niemand om zich heen die op ze lette. Het lijkt erop alsof deze man niet alleen de scene goed kende, maar ook goed heeft rondgekeken naar welk type prostituee de makkelijkste prooi zou vormen. ‘Dat was ook een van onze vragen’, reageert Bergwerff. ‘Was het een vooropgezet plan om ze te vermoorden? Of zag hij de gelegenheid als die zich voordeed? Het heeft er alle schijn van dat het dat eerste is, en dat hij inderdaad zo berekenend te werk ging.’ Daarbij: hij loopt nog vrij rond. ‘Het is hem tot nu toe gelukt om uit handen van politie en justitie te blijven.’ De million dollar question is: hoe lang nog? Bergwerff zwijgt even en zegt dan: ‘Dit dossier behoort tot de dagelijkse werklast van zes rechercheurs. We zijn zo intensief bezig, omdat we er vertrouwen in hebben dat we de dader gaan vinden. Als ik zou denken dat ik aan een dood paard trek, zou ik er niet al die mankracht en zoveel geld in stoppen.’

Voor Anneke Gerrits, moeder van Jeanette Sip, is dat een troost. ‘Niemand had toen aandacht voor Jeanette. Telkens als ik weer een update over de moord op Nicky Verstappen of Marianne Vaatstra voorbij zag komen, dacht ik: en mijn dochter dan? Wie zoekt voor haar naar gerechtigheid?’

Zus Christel Sip heeft de hoop eigenlijk al verloren: ‘Hoop, ja. De eerste paar jaar hadden we dat nog. Maar hoe langer het duurt, hoe minder we horen van dat onderzoek, hoe meer we beseffen: het is niet realistisch dat het gaat lukken. Al zou het ultiem zijn als ze de dader vinden en straffen. Maar verwachten doen we niks meer.’

Ook bijna zeventien jaar na haar dood komt Jeanette nog dagelijks ter sprake in het gezin. ‘Ik probeer alleen aan de vrolijke dingen te denken’, zegt Anneke. ‘Maar dat lukt niet altijd. Want met het idee dat ik misschien haar moordenaar ken, dat ik misschien zijn hand geschud heb en dat hij vrij rondloopt, kan ik maar heel moeilijk leven.’  

Naschrift: Dit artikel is geschreven in april 2016 en werd in mei 2016 in verkorte versie in NRC Handelsblad gepubliceerd.

De vijf slachtoffers

Beppie Michiels, 35 jaar, vermoord op 15 april 1989, gevonden op het bouwterrein aan de Lieve Verschuierstraat, gedeeltelijk begraven in het zand.

Mientje van Balkom, 31 jaar, vermoord op 2 november 1989, vermoord in het parkje bovenop metrostation Coolhaven en later versleept naar de groenbakken, waar ze gedeeltelijk ontkleed werd gevonden.

Beredina (Dini) Stijger, 45 jaar, vermoord op 9 september 1990, gevonden in een nis onder de Willemsbrug, aan de kant van de Boompjes. Dat was toen een bouwterrein, haar lijk werd aan het zicht onttrokken door een bouwcontainer en een geopende paraplu. Haar voeten en hoofd waren gedeeltelijk afgedekt met kranten. Dini was als enige slachtoffer geen verslaafde prostituee, maar een zwerver met ernstige psychische problemen.

Francis Garcia Hofland, 22 jaar, vermoord op 19 juni 1991 (acht dagen voor haar 22ste verjaardag), gevonden op het talud van de Westzeedijk, aan de kant van het toenmalige Dijkzigt-ziekenhuis. De politie had de indruk dat ze zich verweerd heeft, heel eventjes heeft kunnen ontsnappen en het talud is opgerend, waar de dader haar alsnog de keel heeft doorgesneden.

Jeanette Sip, 26 jaar, vermoord op 13 juni 1999, gevonden achter een pand aan de Vierhavenstraat, langs het spoor. Nu vind je daar de Big Shops met dakpark en de studio van Daan Roosegaarde. Jeanette was volledig gekleed, waardoor het vermoeden is ontstaan dat de dader gestoord werd. Hoewel Jeanette acht jaar na Francis werd vermoord, zijn de overeenkomsten sterk genoeg om haar ook tot de serie te rekenen. Coldcaseteamleider René Bergwerff: ‘Al die jaren ertussen betekent dat de dader niet in staat was om te moorden, of niet in Nederland was.’

VB-Gidejongh-v07

Lees meer

Zijn sperma bracht de murmelende moordverdachte voor de rechter

Zijn sperma bracht moordverdachte Albert voor de rechter. Lees hoe de rechtszaak verliep

Fatale fantasie

In de vroege jaren negentig krijgt criminoloog Frank van Gemert een verzoek van de Centrale Recherche Informatiedienst: of hij de dossiers van twintig moordzaken op prostituees tussen 1982 en 1992 wil analyseren. Misschien dat hij parallellen vindt tussen de zaken en zo zijn licht kan laten schijnen op een daderprofiel. In de tijd dat Van Gemert zich buigt over prostitutiemoorden, zijn seriemoordenaars nog een onbekend fenomeen. Pas vanaf 1991, als de film Silence of the Lambs uitkomt, worden seriemoordenaars een onderdeel van onze populaire cultuur. Alleen daarom al is Van Gemerts rapport interessant: hij beschrijft een daderprofiel dat nu gemeengoed is, maar toen onbekend bij het Nederlandse publiek. Van Gemert is er nooit over bevraagd door de pers (tot nu) en tot op de dag van vandaag is Fatale Fantasie de enige openbare analyse van ‘vaderlandse’ prostitutiemoorden.  

Over het type lustmoordenaar, waar het in deze cold cases om gaat, schrijft Van Gemert: ‘De lustmoordenaar martelt en doodt zijn slachtoffer om lustgevoelens op te roepen, die hij op seksuele wijze uit. Seksuele spanning is met doden verbonden. De moorden die hij begaat, kenmerken zich door excessief gebruik van geweld. Bij een brute aanval wordt het slachtoffer gedood en daarna wordt het lichaam verder gemutileerd. Vooral lichaamsdelen, die voor de dader een seksuele betekenis hebben, bewerkt hij postmortaal.’ De criminoloog schrijft dat lustmoordenaars niet in staat zijn tot een normale seksuele relatie met een vrouw, en dat de kiem daarvoor al in hun vroege jeugd wordt gelegd. ‘De prostituees die ’s nachts alleen op straat loopt en hem seksueel uitdaagt, kan makkelijk slachtoffer worden.’ De man is daar ook op uit, want: ‘Deze daders creëren bewust een situatie waarin het slachtoffer wordt gedood. Deze aandrang hadden ze met zekerheid al voor zij de moord begingen.’

Over de foto’s
Fotograaf Martijn Heil volgde in drie steden met een heel eigen prostitutiebeleid jarenlang sekswerkers op hun werkplekken. In Rotterdam fotografeerde hij daarom vanaf de jaren negentig op de G.J. de Jonghweg en op de Keileweg. Vorig jaar bracht hij het boek ‘De Rosse Rafelrand’ uit, waarin hij de werkomstandigheden van prostituees in een veranderende tijd vast heeft gelegd.

De ripper van Rotterdam
Margot Smolenaars

Margot Smolenaars

Chef onderzoeksredactie

Margot Smolenaars (1976) voelt zich al veertien jaar Rotterdammer, maar dan wel eentje met een zachte g. Studeerde journalistiek in Tilburg, begon als archetypische krantenjournalist (d’r héén!), evolueerde tot chef redactie in de bladen en is nu onderzoeksjournalist bij Vers Beton.
margot@versbeton.nl

Profiel-pagina
Nog geen reacties