voor de harddenkende Rotterdammer

Dit artikel hoort bij de serie van Vers Beton over de vergroening van de Rotterdamse haven. Ik liet eerder zien dat dit industriegebied van grote invloed is op de Nederlandse CO2-uitstoot. Ook bracht ik in kaart welke plannen er bestaan om de haven te verduurzamen.

Hoe verduurzaam je? De vraag klinkt simpel, maar wordt al snel zeer complex. Want hoe sluit je kolencentrales? Hoe realiseer je CO2-opslag? Hoe laat je raffinaderijen overstappen op groene elektriciteit? Hoe zet je biobased grondstoffen in? Neem die kolencentrales. Je kunt zeggen: gewoon sluiten. Maar wat doe je met de mensen die er werken? Wie betaalt de financiële compensatie voor de eigenaar? Hoe kom je aan de vervangende energie voor de afnemers van de centrale? En hoe voorkom je dat een nóg vuilere bruinkoolcentrale in Duitsland het werk gewoon overneemt? Mensen die de grote keuzes maken voor verduurzaming, zoals bedrijven en politici, worden continu geconfronteerd met dat soort vragen.

RM_Groene-toekomst4
Beeld door: beeld: Rémon Mulder

Rode draden

Ik ben daarom heel erg benieuwd hoe de betrokkenen hier zelf over nadenken. Plannen maken is één, maar concrete stappen zetten is heel wat anders. Ik vroeg bij zo’n dertig belangrijke betrokkenen uit de Rotterdamse haven (zoals energie-intensieve bedrijven en belangenorganisaties) wat volgens hen dé te zetten stappen zijn om een groene haven te realiseren. Mijn stille hoop was dat er uit die antwoorden rode draden zichtbaar werden over wat dé knopen zijn die we moeten doorhakken om écht vooruitgang te boeken richting die groene toekomst.

Maar rode draden waren niet te vinden. Partijen praten namelijk in totaal verschillende talen. Ik bleek beland te zijn in de Haven van Babel. Dat zit als volgt. Ik heb de partijen grofweg dezelfde vraag gesteld:

Wat zijn volgens jou dé keuzes die we de komende tijd moeten maken om de Rotterdamse haven te vergroenen?

De antwoorden die daarop volgden (áls ze al volgden, veel partijen lieten niets van zich horen, vooral individuele bedrijven zwegen in alle talen), waren alleen volslagen onvergelijkbaar. Op zich logisch: het is een brede vraag en het bijbehorende probleem is vanaf veel kanten te benaderen. Maar die enorme variatie in keuzes, perspectieven en oplossingen zorgt er ook voor dat er tussen de partijen een Babylonische spraakverwarring optreedt. Want hoe kan een activistische club die als antwoord geeft dat de op- en overslag van kolen in de haven gestopt moet worden, praten met een belangenvereniging die wil inzetten op de omzetting van duurzame energie naar waterstof?

Grofweg werd duidelijk dat er in de Haven van Babel drie specifieke talen worden gesproken: die van de techniek, de lobbyist en het activisme.

1: Techniek

Techniek is bij uitstek de taal van de industrie zelf. Vaak klinkt die taal wat klinisch, zonder bijvoeglijk naamwoorden: functioneel en efficiënt. Zo bestaan de vijf vergroeningsstappen van Alice Krekt, verantwoordelijk voor de verduurzamingstak van havenbedrijven-belangenvereniging Deltalinqs, allen uit techniek. CO2 afvangen en opslaan, het aanbod van meer zonne- en windenergie vergroten, meer waterstof produceren (liefst inclusief de afvang van de CO2 die daarbij vrijkomt), de chemische industrie laten overstappen op groene elektriciteit en de biobased economie ‘op gang brengen’ (lees: in plaats van grondstoffen en brandstoffen uit fossiele bronnen, gebruik maken van biomassa). Het zijn allemaal technisch gezien prima uitvoerbare en daadwerkelijk kansrijke oplossingen, ware het niet dat – zo leert de ervaring tot nu toe – ze in de praktijk lastig te realiseren zijn.

Soms wil een bedrijf bijvoorbeeld wel, maar liggen politiek en maatschappij dwars. Neem Uniper, eigenaar van één van de twee kolencentrales op de Maasvlakte. Dit bedrijf wil via technische oplossingen zijn kolencentrale namelijk met alle liefde verduurzamen. Zo beschikt de centrale over restwarmte voor andere fabrieken (zodat die deze zelf niet hoeven op te wekken en dus minder CO2 uitstoten), kan hij als achtervang fungeren voor periodes met weinig elektriciteit uit wind en zon (zodat die duurzame bronnen met een geruster hart op grote schaal ingezet kunnen worden), kan hij afval verbranden dat anders naar het buitenland moet voor verwerking, en wil het bedrijf graag biobrandstoffen verbranden in plaats van kolen. Want ja, meldt de woordvoerder onomwonden, ook wij willen van kolen af. “Zo willen wij aantonen dat we de verduurzaming niet afremmen, maar juist faciliteren.” En dat alles kan prima, benadrukt Uniper, mits de politiek dit toestaat. In plaats daarvan merkt Uniper alleen dat het bedrijf in het maatschappelijke verdomhoekje komt, waardoor al deze kansen onbenut blijven.

“Het zou zonde zijn om de potentie voor restwarmte en biomassa niet te gebruiken, maar te verspillen.”

Engie, tweede kolencentrale in de havenTweet dit

Datzelfde geluid is hoorbaar bij Engie, eigenaar van de tweede kolencentrale in de haven. Ook hier meldt de woordvoerder dat het bedrijf graag aan de slag wil met de inzet van biomassa en het nuttige hergebruik van haar restwarmte. En ook hier worden die technische kansen op voorhand onmogelijk gemaakt. Zo ligt biomassa in het publieke debat onder vuur vanwege de schade die de productie ervan kan veroorzaken aan oerwouden en voedsel. Ook bij het hergebruik van industriële restwarmte, zoals voor stadsverwarming, plaatsen maatschappij en politiek veel vraagtekens. Hierdoor zouden we namelijk nóg afhankelijker worden van bijvoorbeeld de raffinaderijen en kolencentrales die deze restwarmte leveren, waardoor we pas later (of misschien wel nooit meer) van die installaties afkomen.

Door die negativiteit bij politiek en het grote publiek, gebeuren beide niet of nauwelijks, terwijl ze ook verantwoord ingezet kunnen worden. “We willen als maatschappij in één keer van nul naar honderd,” omschrijft de woordvoerder de publieke opinie over duurzaamheid, “maar we moeten serieus kijken naar elke relevante stap om CO2 te besparen voor zo lang die werkt. Later kun je die dan altijd nog uitfaseren voor een beter alternatief.” Voor Engie, net als Uniper, geldt dat zijn centrale uiterlijk in 2030 dichtgaat. “Maar het zou zonde zijn om tot die tijd de potentie voor restwarmte en biomassa niet te gebruiken, maar te verspillen.”

2: Lobbyisme

Een taal die door een naburig volk gesproken wordt, noem ik de taal van de ‘lobbyist’. Typerend aan deze taal zijn de vele mitsen en maren, voorbehouden, uitzonderingen, gevoeligheden en andere voorzorgsmaatregelen. Neem de Vereniging van de Nederlandse Chemische Industrie (VNCI). Ja, zij heeft grote plannen voor verduurzaming van de chemie (waaronder het enorme chemische cluster in de Rotterdamse haven), maar in eerste instantie vooral buiten de eigen poort. Zo pleit zij voor de introductie van een wereldwijde prijs voor het uitstoten van CO2, iets dat bij uitstek geregeld moet worden door de politiek. De politiek moet ook andere belangrijke groene stappen zetten, zoals de aanleg van infrastructuur voor het transport van CO2 en waterstof. Verder wil de VNCI graag dat de politiek op een nieuwe manier CO2-reducties berekent. In een notendop: niet meer alleen meten bij de schoorstenen van de chemische industrie hoeveel zij uitstoot, maar ook kijken hoeveel CO2 haar producten (zoals isolatiemateriaal) later juist besparen.

Ook het Havenbedrijf Rotterdam spreekt veelvuldig de politiek aan. Dat kan ook amper anders, want met de gemeente Rotterdam (70%) en de landelijke overheid (30%) als aandeelhouders, zijn politici dé mensen om mee te praten. In de eerste plaats pleit het Havenbedrijf voor financiële steun vanuit de politiek voor verduurzaming van bestaande bedrijven, meldt de woordvoerder. De eerste jaren zijn deze investeringen namelijk vrijwel zonder uitzondering onrendabel. Bovendien zou het goed zijn als zowel de lokale als de landelijke politiek keuzes durft te maken (gaan we wél of níet inzetten op de afvang van CO2?), zodat bedrijven met een gerust hart kunnen investeren in de techniek hiervoor (of deze investering wijselijk achterwege kunnen laten). Als laatste hoopt het Havenbedrijf erop dat de landelijke overheid blijft hameren op het belang van een hogere belasting op de uitstoot van CO2, te beginnen bij het gebied in Noordwest-Europa. Want als het goedkoper wordt om te investeren in CO2-arme technieken dan om CO2 uit te stoten, gaan bedrijven veel sneller aan de slag.

Er ligt dus een grote rol voor de politiek klaar. Enerzijds zou zij de zogenoemde onrendabele top van investeringen in verduurzaming moeten subsidiëren (in elk geval de kosten die op korte termijn niet terugverdiend worden en dus enkel voor verlies zorgen) , net zoals bij windmolens op zee en zonnepanelen gebeurt. Anderzijds moet zij de geesten in de maatschappij rijp maken voor minder populaire keuzes, zoals de inzet van biomassa, nuttig hergebruik van industriële restwarmte en de opslag van CO2.

3: Activisme

Een compleet andere taal vind je terug bij maatschappelijke organisaties, vol eisen, eenduidigheden en uitroeptekens. Niks ambivalentie of vaagheden. ‘Actie!’, hoor je daar, ‘liever gisteren dan vandaag!’ Zo wil Milieudefensie dat bedrijven ‘eindelijk’ de portemonnee trekken. “Wij vinden dat de lasten van de transitie tot nu toe veel te veel bij burgers worden gelegd, terwijl grote bedrijven nog nauwelijks bij hoeven dragen”, schrijft haar woordvoerder. “Terwijl die juist het meeste uitstoten. Daar zit wat ons betreft de grote uitvoeringsvraag.” Bovendien, benadrukt hij, kan maatschappijbrede verduurzaming alleen een succes worden als iedereen meedoet, iets waarin bedrijven nog achterblijven. Met alle gevaren van dien: “Wij denken dat dit op verzet van burgers gaat stuiten, wat de transitie kan vertragen.”

Bij Drift, het onafhankelijke onderzoeksbureau van de Erasmus Universiteit Rotterdam, onderkent onderzoeker Chris Roorda meteen dat de vraag ingewikkeld is, maar dat er een simpel antwoord te geven is. De Rotterdamse havenindustrie verduurzamen, kan door een simpele actie: per 2020 stoppen met de kolenoverslag in de haven. “Kool is de meest klimaatvervuilende energiedrager. Omdat kolen zo goedkoop beschikbaar zijn, blijven ze maar verbrand worden.” Maar stoppen we met de kolenoverslag, is zijn overtuiging, dan sluiten de kolencentrales op de Maasvlakte (en daarmee de grootste CO2-uitstoters in deze regio) vanzelf. Bovendien zorgt stoppen met de op- en overslag van kolen in Rotterdam voor problemen voor de kolencentrales in Duitsland, waardoor ook zij (sneller) de deuren sluiten.

“We verkeren in een noodtoestand en moeten daarnaar handelen. ”

Vatan Hüzeir, Rotterdams Klimaat InitiatiefTweet dit

Mocht dat radicaal in de oren klinken, dan gooit het Rotterdams Klimaat Initiatief (een burgerinitiatief om bedrijven tot verduurzaming te manen, niet te verwarren met het Rotterdam Climate Initiative, dat juist een samenwerking is tussen Havenbedrijf, gemeente en bedrijfsleven) daar nog een schep bovenop, zegt initiatiefnemer Vatan Hüzeir. Hij legt uit dat als we nu niet radicaal veranderen, we hoogstwaarschijnlijk al over zes jaar met een enorme ecologische verandering te maken krijgen. “We verkeren in een noodtoestand en moeten daarnaar handelen.”

En omdat radicaal handelen dus gerechtvaardigd is, liggen de oplossingen volgens Hüzeir voor het oprapen. Zo zouden de twee kolencentrales uiterlijk in 2020 gesloten moeten worden, bijvoorbeeld door de wettelijke rendementseisen voor de opwekking van elektriciteit zodanig te verhogen dat zij daar nooit aan kunnen voldoen, of door een veel hogere prijs te rekenen voor CO2 die vrijkomt bij elektriciteitsproductie. Soortgelijke drastische maatregelen zijn toepasbaar om de op- en overslag van kolen een halt toe te roepen. Verhoog bijvoorbeeld de tarieven voor kolenoverslag of de erfpacht van het terrein drastisch, zodat winst maken tot het verleden behoort. Daarnaast kun je, door transparantie-eisen te stellen aan de kolen (houden de mijnen zich wel aan alle regels?), relatief makkelijk de aanvoer tot een minimum beperken. En ook de export van kolen is prima te begrenzen, bijvoorbeeld door de toekomstige CO2-uitstoot na verbranding ervan te vertalen naar een exportheffing, waardoor de kolen onverkoopbaar worden.

Logo groene toekomst breed

Deel van Dossier

Wat houdt de groene toekomst tegen?

Wat houdt de groene toekomst tegen? Inge Janse onderzoekt de Rotterdamse haven.

In alle gevallen moet de rekening hiervan enkel en alleen bij de vervuiler terechtkomen, benadrukt Hüzeir, dus de energiefabrikanten, op- en overslagbedrijven en afnemers. “Die mogen daar best minder over zeuren, want fossiel wordt op allerlei manieren al flink gesubsidieerd. Het is ook de prijs die ze moeten betalen voor jarenlange obstructie van klimaatactie door lobbywerk en twijfelen aan waarachtigheid rondom bestaan van klimaatverandering.” Het geld dat alle regelingen oplevert, moet idealiter in een investeringspot komen om nieuwe, duurzame technieken te financieren. “Denk aan verduurzaming van staalproductie, optimalisatie van staalhergebruik, en rendementsvergroting van zonnepanelen en windmolens.”

Diaspora

Zoveel betrokkenen, zoveel talen, zoveel verwarring. Hoe komen we ooit uit die impasse? Zetten we in op techniek, politiek of activisme? Of verstrooien alle belanghebbenden zich over hun eigen bubbels, vergelijkbaar met de diaspora van de volken rondom de Toren van Babel, nadat de Oud-Testamentische God hen strafte met de grote spraakverwarring? Om daarachter te komen, spreek ik voor dit dossier met drie direct betrokkenen: de duurzaamheidsstrategist van het Havenbedrijf Rotterdam, de directeur van de belangenvereniging van de Rotterdamse raffinaderijen, en de lector die namens de Hogeschool Rotterdam de verduurzaming van de haven onderzoekt. Daarover lees je in de komende drie stukken.

Vers Beton heeft jouw support nodig!

Voordat je verder leest: Vers Beton kan alleen blijven bestaan dankzij support van onze lezers. Maak jij ook onafhankelijke journalistiek in Rotterdam mogelijk?

Nee, ik lees eerst het stuk verder
Inge

Inge Janse

Inge Janse (1981) is geboren en getogen in Nieuw-Lekkerland, studeerde Nederlands & taalwetenschap en woont in Delfshaven. Hij werkt als freelance journalist, redacteur en presentator.

Profiel-pagina
Avatar-remon-mulder

Rémon Mulder

Rémon Mulder (1994) is een dromer en een tekenaar. Hij houdt zich als stedenbouwkundige graag bezig met de stad. Hij gebruikt zijn tekeningen tijdens het ontwerpen om de verbeelding van de toeschouwer aan te wakkeren, en een toekomstige wereld te onthullen.

Profiel-pagina
Lees 2 reacties