voor de harddenkende Rotterdammer
VB-Gidejongh-v07
Beeld door: beeld: Jowan de Haan

“Is dit uw huis?”

“Huur, ik huur die woning.”

“Een mooie woning. Net, georganiseerd, op een bepaalde manier. Dat viel ons op. U bent in zekere zin een soort kunstenaar, is het niet?”

Voorzittend rechter Jacco Janssen vraagt of het licht uit kan. Even daarvoor heeft hij uitgelegd dat de recherche na Albert B.’s arrestatie op 4 april 2017 550 foto’s heeft gemaakt van het interieur in de Schiedamse huurwoning. En dat de verzamelde menigte betrokkenen, nabestaanden, belangstellenden en journaille gaat kijken naar drie categorieën: doekenfoto’s, kledingfoto’s en seksueel georiënteerde foto’s. Als het licht uitgaat, verstomt de ruimte. We kijken naar een lampenkap vol blote vrouwen. De plaatjes zijn expliciet pornografisch: met wijd opengesperde benen, genitaliën, anussen. Extatische gezichten, monden in een grote O, blote borsten. Niet alleen de lampenkap is ermee versierd. Ook de muren, deuren, tafels, zelfs het deksel van de platenspeler. Ieder zichtbaar oppervlak is beplakt met porno.

“Waar vindt u deze plaatjes?”, vraagt de rechter.

“Die vind ik bij het vuilnis”, antwoordt Albert B.

“En dat schaamhaar, het lijkt er wel op getekend. Is dat zo?”

“Het lijkt wel zo.”

“Wat heeft u met schaamhaar?”

Albert haalt zijn schouders op. “Ja, wat heb ik met schaamhaar? Zonder geeft een gevoel alsof je met een kind naar bed gaat. De eerste vrouw waarmee ik naar bed ging, dat was alsof ik met een dier sliep. Wild, heel wild. Ik was de enige die met haar kon communiceren.”

“Het valt op dat de borsten, om precies te zijn de tepels, zijn afgedekt.”

“Dat was nog niet af. Ik heb een gemeentewoning. Ik moet daar geen problemen mee krijgen als er iemand binnenkomt.”

Gedateerde seksplaatjes op een lampenkap

Rotterdam1-GJdeJonghweg3

Lees meer

De ripper van Rotterdam

Tussen 1989 en 1999 zijn in Rotterdam vijf prostituees beestachtig afgeslacht door één man

De rechter klikt door naar een beeld van een andere lamp. Een blonde vrouw met lichte huid kust een man met donkere huid en een afro.

“Bent u dit?”

“Nee.”

“Dit zijn allemaal gedateerde seksplaatjes van blanke vrouwen.”

“Qua uiterlijk zijn ze blank, van binnen zijn ze tropisch. Ze weten niks van Nederland.”

De rechter stopt de pornografische parade bij een foto van een drinkglas in de keuken. Daarop is een blote vrouw geplakt, op haar lijf zijn felrode striemen getekend.

Albert: “Ik moet urineren. Kan dat even?”

Als de 60-jarige terug is – hij schuifelt naar binnen, gaat weer zitten, vouwt zijn handen om de microfoon en buigt voorover – hervat de rechter zijn ondervraging.

“U houdt van behaarde vagina’s. De borsten zijn afgedekt. Mevrouw Stijger is aangetroffen met ontkleed onderlichaam, met een heel scherp mes is haar onderbroek weggesneden. Haar borsten waren bedekt. Dat is bij Garcia-Hofland niet anders. Beide vrouwen zijn blank. Valt u op blank?”

“Ja, wat is vallen? Als ik iemand mag…”

“U heeft toch wel een voorkeur?”

“Mijn familie is heel groot, ik wil uitsluiten dat ik per ongeluk met een familielid naar bed ga.”

“Help me! Help me nou!”, hoorde een getuige

Albert B. lijkt tijdens deze inhoudelijke behandeling van de twee moorden waarvoor hij terechtstaat redelijk helder. Tijdens vorige zittingen maakte hij een verwardere indruk en keek hij soms met een verbaasde uitdrukking om zich heen. Hij verheft zijn stem niet, spreekt zacht, monotoon haast. Toch geeft hij vaak geen direct antwoord, ook niet als drie rechters, die het bewijs in de moorden op Berendina Stijger op 9 september 1990 en Francis Garcia-Hofland op 19 juni 1991 met hem doornemen, het woord tot hem richten.

Vooral de voorzitter, rechter Jacco Janssen doet dat vaak, onderwijl een onthutsend gedetailleerd beeld van de twee moorden schetsend. Zo komen we uit getuigenissen te weten dat Berendina Stijger op 8 september 1990, haar laatste avond, gevraagd had of de kamer boven restaurant Beluga in de oude haven te huur was. De rechter vertelt dat een getuige, die rond half zeven in de ochtend zijn hond uitliet op de Willemsbrug, gegil had gehoord. Aan die woorden hecht hij waarde, omdat de man een andere voetganger tegenkwam waartegen hij direct had verteld wat hij zojuist had gehoord. Die getuigenverklaring leest Janssen voor: “Ik hoorde een vrouw schreeuwen. “Help me, help me nou!” Het klonk enigszins huilend. Ik hoorde het geluid van zware stenen die op straat terechtkwamen.”

Op 9 september 1990 wordt Berendina’s lichaam gevonden achter een container onder de Willemsbrug, haar hoofd ingeslagen met een kei, haar keel doorgesneden, verkracht, half ontkleed. Passanten benaderen de vindplek in de vroege ochtend voorzichtig. Ze zien voeten onder kranten en doeken uitsteken. “Na veel vijven en zessen haalt een van die passanten de doeken weg”, verhaalt de rechter. “En dan is direct duidelijk dat de politie moet komen.” Hij laat een foto zien van de vindplaats. Een flinke kei, formaat kinderkopje, zien we bij Berendina’s voet liggen. De bloedspetters tekenen zich duidelijk af tegen het donkergrijs.

De rechter haalt aan wat Albert B. eerder heeft gezegd in de rechtbank. “Over het slachten van een leguaan, weet u nog? U zei: Die sla je met een steen op zijn kop. Dat raak ik maar niet kwijt.”

Albert murmelt onverstoorbaar door

Zo werken de rechters één voor één al het indirecte bewijs af. Rechter Janssen stipt de doeken aan, waarmee Albert B. zijn hele huis versierd heeft, en de geblokte theedoeken, waarmee hij zijn kleding versiert. Het damesondergoed dat bij hem thuis werd aangetroffen, van het type Sloggi dat geen mens meer draagt. Af en toe vraagt hij Albert B. om opheldering. Die reageert, maar vervolgt meestal onverstoorbaar murmelend zijn eigen gedachtegang.

Tot op het onorthodoxe af probeert de rechter meermaals een coherente verklaring uit hem te krijgen. Zo vertelt Janssen dat hij bij elk museumbezoek aan de Kunsthal voortaan denkt aan Albert B., maar vooral aan Francis Garcia-Hofland, het 22-jarige, verslaafde meisje dat op het talud aan de Westzeedijk op 19 juni 1991 haar bloederige einde vond. Tijdens een uitwisseling over de kromme 12 – een mes dat in slachterijen gebruikt wordt om kadavers uit te benen en waarmee beide vrouwen bijkans onthoofd zijn – maakt de rechter de opmerking dat bij hem thuis de pizza altijd geknipt wordt in plaats van gesneden.

Albert B. lijkt er niet van onder de indruk.

Het enige dat hem zorgen baart: of zijn huurwoning niet te zeer overhoop gehaald is. Wat er met zijn spullen is gebeurd. Of alles er nog is.

DNA op en in beide slachtoffers

Zijn sperma bracht Albert voor de rechter. Hij liet het achter op een geblokte theedoek, die vastgeplakt zat aan de blote bil van Berendina. Hij liet celmateriaal achter in haar mond. Hij liet sperma achter in de anus en vagina van Francis Garcia-Hofland. Via DNA van zijn broer wist het coldcaseteam van de politie hem na bijna zes jaar onderzoek zo op te sporen.

De hamvraag stelt de rechter meermaals: hoe komt dat daar? Albert B.’s antwoord: “Dat weet ik niet.” Hij zegt de vrouwen niet te kennen. Hij zegt zich niet te herinneren of hij wel of niet seks met ze gehad heeft.

Hoewel, dat is niet wat hij precies antwoordt. Dit is wat hij zegt: “Er lopen zoveel mensen rond. Zodra je niet weet wat de reden is waarom mensen wat doen, kun je niet zeggen: die is gestoord. Iemand die bedolven is onder stenen zal ook urine drinken om te overleven tot ’ie gevonden is. Mensen kwamen bij mij thuis op visite. Ik heb thee voor ze gezet. Die zijn uit zichzelf genezen, ik heb geen dokter gebeld. Dat zeggen ze dan rond. Ik wil het voor u uitzoeken, maar dan moeten we er afspraken over maken.”

De rechters zijn niet de enigen die moeite hadden met het doorgronden van Albert B. Ook de psychiater van het Pieter Baan Centrum krijgt maar moeilijk een beeld van hem, blijkt later. Het is onmogelijk vast te stellen in welke gemoedstoestand Albert verkeerde toen hij een jonge vent van begin 30 was. Zo oud was hij toen Berendina en Francis stierven. Nu is deze man schizofreen en heeft hij psychotische stoornissen, luidt het oordeel. Zelfs al komt hij uit de cel, dan moet hij gedwongen behandeld worden.

Deze vrouwen zijn als vuil behandeld

Als het aan het Openbaar Ministerie ligt, komt Albert B. niet snel op vrije voeten. Twintig jaar cel, luidt de eis. “Verdachte heeft de vrouwen als vuil behandeld. De dood en verkrachting waren respectloos, bruut en wreed. Hij heeft de nabestaanden ruim 25 jaar in onzekerheid gelaten. Hopelijk kunnen ze het nu afsluiten.”

Albert B.’s aandacht is dan al een tijd aan het verslappen, zeker tijdens het requisitoir van de officier van justitie. Als daarna zijn advocaat Jan Boksem het woord neemt en zijn belangrijkste argumenten uiteenzet (een DNA-spoor is nog geen daderspoor) lijkt hij zelfs in slaap te vallen. Als de rechter tot besluit vraagt of hij het laatste woord wil, is zijn woordenstroom opgedroogd: “Nee, nee.”

Morgen, op 18 oktober, doet de rechtbank vroeg in de middag uitspraak. Volg Margot Smolenaars op Twitter of lees morgen verder op Vers Beton

De ripper van Rotterdam
Margot Smolenaars

Margot Smolenaars

Chef onderzoeksredactie

Margot Smolenaars (1976) voelt zich al veertien jaar Rotterdammer, maar dan wel eentje met een zachte g. Studeerde journalistiek in Tilburg, begon als archetypische krantenjournalist (d’r héén!), evolueerde tot chef redactie in de bladen en is nu onderzoeksjournalist bij Vers Beton.
margot@versbeton.nl

Profiel-pagina
foto_jowan

Jowan de Haan

Illustrator

Jowan woont in Rotterdam, studeerde in 2013 af aan de WDKA als grafisch ontwerper en werkt sindsdien als illustrerende ontwerper en ontwerpende illustrator. De invloed van zijn liefde voor zeefdruk is groot. Naast keihard werken doet hij niets liever dan, vanuit zijn zeefdrukatelier, vrij werk de wereld in slingeren.

Profiel-pagina
Nog geen reacties