voor de harddenkende Rotterdammer

Het valt best mee met de hoeveelheid eikels in Rotterdam. De ‘wereldstad’ waar wij allemaal zo verknocht aan zijn is immers gefundeerd op vette zeeklei. Een ondergrond die niet bijster geschikt is voor eikenbomen. De eik – omdat er meerdere soorten in omloop zijn moet ik eigenlijk ‘de eiken’ zeggen, maar ach – is een boom van de zandgronden. Daar vervult hij een sleutelrol in het leven van honderden soorten organismen. Van kevers en schimmels tot spechten en vleermuizen; de Europese eikenbossen barsten uit hun voegen van het leven.

De eik is bovendien een prachtige boom. Daarom is het ook niet vreemd dat gemeente Rotterdam toch een aantal eiken in de stad heeft aangeplant. Op die plaatsen waar dat kon. Het zijn er een kleine zesduizend. Soms gewoon verscholen in een plantsoen, maar er zijn ook echte straten met eiken. Wie aan de zuidzijde van de Maastunnel met die veel te lange roltrap omhoog komt uit de voetgangerstunnel, wordt begroet door een rij eiken.

vlaamsegaaiversbetonklein
Beeld door: beeld: Esther Lankhaar

Dit najaar lieten de bomen bij de tunnel hun eikels weer overvloedig op het gras en het naastgelegen fietspad vallen. Dat is niet onopgemerkt gebleven. Ook Rotterdam kent zo zijn eikenliefhebbers. Een groep kauwen heeft zich ruim een maand langs het fietspad opgehouden om van de rijke oogst te profiteren. Fanatiek hameren ze de noten met hun snavel kapot. De handigste kauwen lieten het moeilijke werk graag aan een ander over. Waarom hoofdpijn kweken als de Rotterdamse fietser een nootje voor je kraakt? Op het fietspad pikken zij de brokken van plat gefietste eikels en verdedigen hun stekje fel tegen soortgenoten en eksters.

Hoewel kauwen wel van een eikeltje op z’n tijd houden, moeten ook de agressiefste kauwen hun meerdere erkennen in Vlaamse gaaien (ik moet hierbij aantekenen dat de officiële naam van de vogel tegenwoordig gewoon gaai is. Wie ooit bedacht heeft de toevoeging ‘Vlaamse’ te laten vallen weet ik niet, maar het is beslist iemand met een gebrekkig taalgevoel). De gaai is één van de meest flamboyante verschijningen in de avifauna van Nederland.

Met zijn haltersnor, opgestoken kuif en opzichtig helderblauwe schouderpatch is de gaai het toonbeeld van een hipster. Zijn manier van voortbewegen geeft die term een diepere laag. Niet alleen omdat een gaai hipt – dat zou flauw zijn, maar vooral vanwege de prachtig afgeronde motoriek van de vogel. Een gaai in actie gade slaan is als naar een balletuitvoering kijken. Behendig laveren de gaaien tussen het zwarte vogelvolk door. Waar de kauwen opgaan in hun gehamer, hamsteren de gaaien snel een mondvol noten om direct te vertrekken. Binnen een kwartier zijn ze weer terug om de volgende vracht te verzamelen.

De gaai is een echte bosvogel. De soort heeft zich ontwikkeld in de Europese eikenbossen en overleefde menig koude winter door flinke eikelvoorraden aan te leggen. Rotterdamse gaaien doen dat niet anders. Ik heb eens de moeite genomen een gaai met een snavel vol eikels in het Museumpark te volgen. Het dier vloog in een rechte lijn naar een perkje, waar iedere eikel met zorg in de zachte grond werd gestoken en werd toegestopt. Soms dekte de gaai de geheime verstopplek af met een gevallen boomblaadje. Hij keek een halve seconde naar zijn verborgen schat en vloog direct door naar de volgende locatie.

Gedurende de maand oktober verstopt iedere gaai 6000 tot 10.000 eikels.  In de daarop volgende maanden kan hij die allemaal weer feilloos terugvinden. Tot diep in april bewegen gaaien zich zonder te vergissen naar een gazonnetje om een eikeltje uit het gras te toveren. Zo’n sterk staaltje geheugentraining kom je toch weinig tegen. Ik weet al niet eens meer waar ik vanochtend mijn fiets in de stalling heb gelaten.

Al heeft Rotterdam dan weinig eikenbomen, toch zien we tegenwoordig redelijk wat gaaien in Rotterdam. Ook slimme bosvogels passen zich aan. Geregeld zie ik er één met een volle snavel de Coolsingel oversteken, of langs de Kuip vliegen. Misschien is het een symptoom van de verhipstering, waar ook Rotterdam aan lijkt te lijden. De gaaientoename is ook de tuinvogelliefhebbers niet ontgaan. Met pindasnoeren en vetbollen creëren zij hun eigen vogelparadijsje om door het raam van vliegend wild te genieten.

Hoe kleurrijker de gasten zijn, hoe beter. Koolmezen, pimpelmezen, grote bonte spechten en roodborstjes zijn immers prachtige beestjes. Een Vlaamse gaai misstaat niet in dat gezelschap. Toch is menig tuinvogelaar na de eerste opwinding snel genezen van een gaai in de tuin: de ellendige gulzigaards voeren direct alle pinda’s en vetbollen af. Wat overblijft is een leeggeplunderde tuin zonder vogelzang. Ik zag net weer een gaai door de straat vliegen, en verrek! Er stak geen eikel uit zijn snavel, maar een pinda.

Vers Beton heeft jouw support nodig!

Voordat je verder leest: Vers Beton kan alleen blijven bestaan dankzij support van onze lezers. Maak jij ook onafhankelijke journalistiek in Rotterdam mogelijk?

Nee, ik lees eerst het stuk verder

Andre

André de Baerdemaeker

André de Baerdemaeker (1979) kwam als schoffie van Zuid in aanraking met de zieke en gewonde vogels van Vogelklas Karel Schot. Misschien werd hij daarom wel biologieleraar. Later ruilde hij zijn krijtje in voor een verrekijker: hij werd ecoloog bij Bureau Stadsnatuur en onderzoekt Rotterdamse levensvormen. Bij voorkeur wanneer de zon schijnt.

Profiel-pagina
Screenshot-20170723-161008

Esther Lankhaar

Esther Lankhaar heeft een achtergrond in de jeugdhulpverlening en het maatschappelijk werk en werkt nu als illustrator.

Profiel-pagina
Lees één reactie