voor de harddenkende Rotterdammer

Dit artikel hoort bij de serie van Vers Beton over de vergroening van de Rotterdamse haven. Ik liet eerder zien dat dit industriegebied van grote invloed is op de Nederlandse CO2-uitstoot. Ook bracht ik in kaart welke plannen er bestaan om de haven te verduurzamen. Ik ontdekte dat betrokkenen totaal verschillende talen spreken. Daarom interviewde ik drie direct betrokkenen. In dit interview: Erik Klooster, belangenbehartiger voor de Rotterdamse raffinaderijen.

Ze vormen een cruciaal onderdeel van het Rotterdamse industriecomplex én zijn van grote invloed op de CO2-uitstoot in de haven: de olieraffinaderijen. In deze fabrieken wordt ruwe olie omgezet naar enerzijds eindproducten (zoals benzine en kerosine) en anderzijds halffabrikaten (zoals grondstoffen waar chemiebedrijven kunststof van maken). Cruciale bedrijven dus, maar hun werk gebeurt niet zonder slag of stoot. Deze installaties zijn zeer energie-intensief. In de top-10 van Nederlands grootste CO2-uitstoters prijken dan ook drie raffinaderijen.

Raffinagehoofdstad

Doordat er heel veel ruwe olie binnenkomt in de Rotterdamse haven én er veel distributiemogelijkheden zijn (zowel naar de nabijgelegen fabrieken als via weg, spoor, pijp en water naar bijvoorbeeld Duitsland), vormt Rotterdam de raffinagehoofdstad van Nederland. Rotterdam heeft maar liefst vier (van de in totaal vijf) van deze buitenaards ogende fabrieken vol glimmende buizen, reactoren en pijpen. Ze zijn van BP, ExxonMobil, Gunvor Petroleum en Shell, plus nog een kleintje van Koch. De vijfde grote is Zeeland Refinery in Vlissingen. Vooral ‘s nachts zien ze er indrukwekkend uit, met hun duizenden lampjes en – als het even niet meezit en er stoffen verbrand moeten worden – vurige fakkels. De link met Mordor, ‘het Land van het Kwaad’ in Tolkiens In de ban van de Ring, is dan niet moeilijk gelegd.

Erik_klooster_08
Beeld door: beeld: Frank Hanswijk

Maar wie denkt dat deze enorme installaties anachronismen in een vergroenend landschap zijn: de raffinaderijen worden regelmatig voor vele honderden miljoenen tot meerdere miljarden euro’s gemoderniseerd en uitgebreid. De verwachting is namelijk dat de vraag naar hun fossiele producten de komende tientallen aanhoudt en de komende jaren zelfs stijgt. Het Havenbedrijf Rotterdam noemt dit viertal niet zonder trots “het hart van het petrochemische cluster in het havengebied”.

Grijs

Maar ja. Ze stoten óók CO2 uit. Véél CO2. Waarom zijn zij nog niet radicaal aan het verduurzamen geslagen? Dat weet Erik Klooster van de Vereniging Nederlandse Petroleum Industrie (VNPI). Als directeur van deze branchevereniging komt hij onder meer op voor de belangen van de grote olieraffinaderijen. En het moet gezegd worden: dat doet hij op een verrassend benaderbare manier. Nee, hij meldt niks dat je niet verwacht, maar hij is wel een van de weinigen die keer op keer, onvermoeibaar, zonder irritaties of frustraties, probeert uit te leggen waarom de zware industrie zich (schijnbaar) defensief opstelt, inclusief begrip voor de bijbehorende mitsen en maren vanuit de overheid en de maatschappij. Daarom dit interview met hem, om beter te begrijpen hoe de industrie naar de wereld kijkt, zonder te verzanden in ronkende pr-taal en doorverwijzingen naar woordvoerders en mission statements van buitenlandse hoofdkantoren.

Erik_klooster_06
Beeld door: beeld: Frank Hanswijk

Dat we elkaar spreken, komt omdat Klooster mijn vraag naar de benodigde stappen voor de verduurzaming niet per e-mail kon beantwoorden. “De situatie is dusdanig complex dat je er met simpele antwoorden geen recht aan doet. Ik snap dat het zwart-wit moet zijn voor de journalistiek, maar het is grijs.” De reden voor die complexiteit, stelt Klooster, komt voort uit het gebrek aan zekerheid over de toekomst. “Alle scenario’s voor 2050, of die nu van Shell, Statoil, BP of het IEA zijn, veronderstellen een mate van zekerheid die er gewoonweg niet is. Datzelfde geldt voor klimaatmodellen.” Het enige dat al die modellen en scenario’s doen, zegt hij, zijn paden schetsen om keuzes inzichtelijk te maken. Klooster, lachend: “Bij BP zeggen ze altijd over modellen: het enige dat je er zeker over weet, is dat ze niet uitkomen.”

Iets te kiezen

Klooster benadrukt niettemin dat het wel degelijk duidelijk is wat er moet gebeuren. “Er moet meer duurzame energie komen, we moeten kolen uitfaseren, en we moeten minder fossiele brandstoffen gebruiken. Daar is geen discussie over.” Hij denkt dat kolen het snelst eruit gaan, daarna olie, en als laatste gas. De grote vervanger voor dit al moet elektriciteit zijn, liefst duurzaam opgewekt via zon en wind. Bedrijven en onderzoeksinstellingen doen daarom al jaren onderzoek naar elektrificatie: elektrische varianten op bestaande petrochemische processen. Je kunt daarbij denken aan elektriciteit als bron van energie (in plaats van aardgas) of als grondstof (bijvoorbeeld door via duurzaam opgewekte elektriciteit waterstof te maken).

Een ander handelingsperspectief is bij bestaande fabrieken CO2 afvangen en opslaan, de zogeheten Carbon Capture & Storage (CCS). Zo kun je alsnog fossiele grondstoffen blijven gebruiken als bron voor energie en bouwstenen, want er komt bij de productie en verwerking geen broeikasgas vrij in de atmosfeer. Vooral bij de productie van waterstof, een cruciale grondstof voor raffinaderijen, blijkt CCS goedkoper te zijn dan verwacht. Er valt dus wel zeker iets te kiezen.

En dat moet ook wel, benadrukt Klooster. De eerste mijlpaal, halvering van de CO2-uitstoot ten opzichte van het niveau in 1990, bevindt zich in 2030. “Dat is niet morgen, maar wel hartstikke snel.” Klooster rekent daarbij in turnarounds: het grote onderhoud aan raffinaderijen dat eens in de vijf tot zeven jaar plaatsvindt. Turnarounds zijn dé momenten bij uitstek om niet alleen de fabriek te onderhouden, maar ook te moderniseren, bijvoorbeeld met CO2-arme technieken, zoals de overstap op biobased grondstoffen, installatie van CO2-afvang, en inbouw van energiezuinige reactoren. En tussen nu en die mijlpaal zitten nog gemiddeld twee turnarounds. “In 2023 moeten we dus echt helderheid hebben over welke route we willen bewandelen, want bij turnarounds worden ook de grote investeringsbeslissingen genomen.”

Investeringspot

Goed. Keuzes maken dus. Zijn we er dan? Nee, nog lang niet. Klooster rekent namelijk voor dat CO2-positieve keuzes (zoals CCS en elektrificatie) veel geld kosten. “CCS is bijvoorbeeld één van de meest logische opties voor Nederland. Zeg dat dit honderd euro per ton CO2 kost. Stoot je jaarlijks enkele megatonnen uit, dan kost je dat als bedrijf al snel honderden miljoenen euro per jaar. Dat is voor een individuele fabriek niet te dragen.” Bovendien kunnen veel bedrijfslocaties die keuze niet maken, omdat zij onderdeel zijn van een wereldwijde organisatie. “En die werken heel overzichtelijk. Stel dat ze een investeringspot hebben van honderd miljoen euro. Dat verdelen ze wereldwijd over projecten, en die investeringen gaan in de regel naar de meest winstgevende daarvan.” En hoewel Klooster het niet zal zeggen, snapt de goede verstaander dat verbeteringen van het milieu door minder CO2-uitstoot níet (direct) winstgevend zijn, en dus niet (direct) interessant voor het hoofdkantoor.

Erik_klooster_03
Beeld door: beeld: Frank Hanswijk

Oftewel: wat we als maatschappij willen dat het bedrijfsleven doet, dat is voor datzelfde bedrijfsleven niet rendabel, en daardoor niet haalbaar.

Maar goed, kun je denken: eigen schuld, dikke bult. Die bedrijven kiezen er zelf voor om CO2 uit te stoten, dan moeten ze toch zelf voor de bijbehorende kosten opdraaien? “Bedrijven willen er iets aan doen”, bezweert Klooster. “Maar betalen ze al die kosten zelf, dan worden ze veel minder winstgevend, en lopen ze het risico te worden gesloten door het hoofdkantoor. Maar de vraag naar hun producten blijft, dus de productie wordt dan elders in de wereld opgevangen.” Als dat gebeurt, dan is dat vaak geen goed nieuws voor het milieu. Fabrieken in Nederland stoten gemiddeld genomen relatief weinig CO2 uit, vanwege de strenge milieu-eisen en moderne installaties. Wordt hun werk overgenomen door fabrieken elders (met oudere technologieën en minder strenge wetgeving), dan neemt de CO2-uitstoot juist toe.

Subsidieinfuus

En dus zitten we in een impasse, onderkent Klooster, die binnen de huidige marktomstandigheden (waarin een lage prijs de voorkeur heeft boven een milieuvriendelijke productie) niet opgelost kan worden. Bovendien is het klimaatakkoord van Parijs bottom-up van aard, waardoor elke regio zelf mag bepalen hoe zij de te behalen doelen wil realiseren. Europa heeft daarbij de meest ambitieuze doelen, Nederland steekt daar nog bovenuit. Bedrijven hebben daarom prikkels nodig om maatregelen als CCS te nemen en zuiniger te werken. “We moeten hier dus wel met subsidies werken, anders lukt het niet.”

Dat betekent niet, benadrukt Klooster, dat raffinaderijen structureel van een subsidieinfuus afhankelijk worden. “We moeten een systeem verzinnen waarin de subsidie aflopend is. Veel van deze nieuwe technieken worden nog nergens toegepast, dus daar is nog veel kostenreductie mogelijk. Daardoor wordt de subsidiebehoefte steeds minder groot. Dat zie je ook bij windmolens, die zijn in de afgelopen jaren veel goedkoper geworden.”

Uitzichtloos is de situatie dus zeker niet, maar we moeten volgens Klooster wél uit de huidige groef komen waarin we roepen dat de industrie alle kosten moet betalen. “Anders lossen we het probleem niet op. Daar ben ik dus best cynisch over.”

Vers Beton heeft jouw support nodig!

Voordat je verder leest: Vers Beton kan alleen blijven bestaan dankzij support van onze lezers. Maak jij ook onafhankelijke journalistiek in Rotterdam mogelijk?

Nee, ik lees eerst het stuk verder
Inge

Inge Janse

Inge Janse (1981) is geboren en getogen in Nieuw-Lekkerland, studeerde Nederlands & taalwetenschap en woont in Delfshaven. Hij werkt als freelance journalist, redacteur en presentator.

Profiel-pagina
frank hanswijk

Frank Hanswijk

Frank Hanswijk (Rotterdam, 1971) is een Rotterdamse fotograaf. Hij ontwikkelde zich breed met werk in journalistiek, reclame, theater en architectuur. De laatste jaren concentreert zijn werk zich steeds meer op architectuur en landschap. Hij benadert de architectuur niet als object maar als plek waarin de mens, al dan niet op de foto aanwezig, een cruciale rol speelt.

Profiel-pagina
Nog geen reacties