Voor de harddenkende Rotterdammer
robbrechtendaem_lvd_6
Beeld door: beeld: Loes van Duijvendijk

Hoewel de asbestsanering inmiddels is gestart, zijn de verbouwplannen nog allerminst uitgedokterd. Op 20 december 2018 besloot de raad €223,5 miljoen uit de gemeentekas vrij te maken voor asbestsanering en een flinke verbouwing van het Museum Boijmans van Beuningen. Vanaf eind mei sluit het museum helemaal en in 2020 begint de verbouwing. De museumdirectie en gebouweigenaar (de gemeente Rotterdam) zijn intussen in volle gang met hun onderzoek naar het aanpassen van het gebouw. Zij menen dat de entree van het museum aan de binnenplaats ‘moeilijk vindbaar en zo gesloten is dat het doet denken aan een gevangenis’. Daarom moet de laatste uitbreiding plaatsmaken voor nieuwbouw die tegelijkertijd ‘eerherstel voor Van der Steur en Bodon’ zou moeten bewerkstelligen.

Want het markante bakstenen gebouw uit 1937 van architect Adrianus van der Steur is nadien drie keer uitgebreid. De eerste toevoeging was een nieuwe museumzaal in 1972, naar ontwerp van Alexander Bodon. Twintig jaar later voegde Hubert-Jan Henket daar twee losstaande glazen paviljoens aan toe. Één doet nog dienst als restaurant en het andere sneuvelde een aantal jaar later alweer. In 1996 was het de beurt aan het bureau Robbrecht en Daem, dat door de Raadscommissie Kunstzaken unaniem werd verkozen om nieuwe tentoonstellingzalen, kantoren en een bibliotheek te ontwerpen.

robbrechtendaem_lvd_10
Beeld door: beeld: Loes van Duijvendijk

Maar nog geen twintig jaar na oplevering ontvingen het Vlaamse architectenbureau plots een e-mail van het Boijmans, voordat berichten over de mogelijke sloop in de media verschenen. In een recente voorstudie van het Rotterdamse ontwerpbureau ZUS werd namelijk duidelijk dat het Robbrecht en Daem-deel niet in de toekomstplannen van het museum voorkomt. Sindsdien zijn diverse architecten in Nederland en Vlaanderen met elkaar in discussie over de voors en tegens. Teun van den Ende ging in Gent langs bij Paul Robbrecht en zijn zoon Johannes om hen te spreken over hun Boijmans-vleugel, die in 2003 opgeleverd werd.

Tegenvallers in het proces

De opdracht die Robbrecht en Daem in 1996 kregen was om een reeks nieuwe, intieme tentoonstellingszalen te ontwerpen, “bedoeld om kleinere onderdelen van de hedendaagse kunstcollectie beter tot hun recht te laten komen”, vertelt Paul Robbrecht. “Bepaalde soorten beelden ‘zwommen’ namelijk in de tentoonstellingszaal op de 1e verdieping, ontworpen door Bodon.”

De toenmalig directeur Chris Dercon zag het museum graag als open archief, dus moesten er educatieve ruimtes en een fatsoenlijke bibliotheek komen. “Om te beantwoorden aan Dercon’s ideeën plaatsten we de bibliotheek aan de straatzijde zodat voor passanten zichtbaar is dat er in een museum meer gebeurt dan kunst exposeren. Hij wilde ook meer ruimte creëren voor videokunst waarvoor we zogenaamde ‘dark rooms’ ontwierpen.”

Dercon was hun bureau tijdens twee kunstmanifestaties in 1986 (Chambres d’Amies & Initiatief ’86) in Gent op het spoor gekomen. Toen Dercon aantrad bij het Boijmans van Beuningen nodigde hij hen en nog twee andere bureaus uit een ontwerp te maken. “Toen wij die opdracht wonnen bleef hij met zijn team zeer betrokken bij het ontwerp”, herinnert Robbrecht zich.

Wat volgde was een complex proces, waarbij Robbrecht en Daem de vragen van museumdirectie op een klein oppervlak moesten inpassen, terwijl het museum open bleef. “Door tegenvallers in de uitvoering zoals een failliete aannemer, bezwaren van bewoners tot aan de rechtszaal toe en technische problemen, was de uitbreiding pas in 2003 klaar. Heel kort daarna vertrok Dercon om directeur te worden van het Haus der Kunste in München. Er is onder zijn leiding maar één tentoonstelling gemaakt in de nieuwe vleugel.”

robbrechtendaem_lvd_1
Beeld door: beeld: Loes van Duijvendijk

Respect voor de bouwgeschiedenis

Paul en Johannes Robbrecht benadrukken dat hun uitbreiding juist als onderdeel van de bouwgeschiedenis van het Boijmans bedacht is. Ze zetten zich af tegen de ‘speltakelarchitectuur’ die toentertijd in de mode was in de museumwereld. Liever verdiepten ze zich voor het ontwerp in de bouwgeschiedenis, zoals het archief dat Van der Steur naliet. “Dat was fantastisch! Zo kwamen we er bijvoorbeeld achter dat hij gedurende een jaar met de burgemeester van Rotterdam gereisd heeft om inspiratie op te doen. Het stadhuis van Stockholm was de aanleiding een forse toren in het ontwerp op te nemen.”

Robbrecht en Daem sloten aan op de bestaande plattegrond door een serie geschakelde tentoonstellingszalen op de verdieping te ontwerpen, “als een eerbetoon aan de manier waarop Van der Steur de museale ruimtes ontwierp: heel ritmisch, als een enfilade van kamers die zich één voor één aan de bezoeker blootgeven.”

Stevige ingrepen

Toch waren er onderdelen van het gebouw die om stevige ingrepen vroegen. Directeur Chris Dercon verklaarde in 1996 in een interview in Cobouw dat ‘bezoekers in het labyrint van gangen en ruimten het spoor bijster raken’. Aan Robbrecht en Daem was daarom ook de opdracht om een nieuwe logica aan te brengen, een opdracht die veel lijkt op de huidige wens van de museumdirectie.

robbrechtendaem_lvd_15
Beeld door: beeld: Loes van Duijvendijk

Wat was de uitgangspositie waar Robbrecht en Daem mee aan de slag gingen? Ten eerste was de entree, verplaatst door Bodon, op dat moment het tegenoverstelde van de statige trap van Van der Steur. Hij was te smal en ongeschikt voor grote groepen bezoekers. “Wij ontwierpen een nieuw entreegebied in de vorm van een beeldentuin op de binnenplaats, waar veel ruimte is. Bij binnenkomst kiezen bezoekers tussen twee routes: ofwel naar de ‘oude’ kunst via de houten trap van Van der Steur – ofwel via de trap die wij vanuit een symmetrisch principe hebben toegevoegd, naar de hedendaagse kunst.”

MBVB_02_schets_potlood
Beeld door: beeld: Paul Robbrecht

Die nieuwe trap leidt door het Robbrecht en Daem-deel naar de Bodon-zaal. “Daarmee ontstond in feite een derde binnenplaats, maar dan overdekt. Die zaal hebben we aan drie zijden omkaderd. Om de gevraagde ruimtes te maken hebben we, binnen de mogelijkheden die ons werden geboden, voor deze oplossing gekozen.”

Kritiek en aanpassingen

Op het ontwerp van Robbrecht en Daem klonk zowel lof als kritiek. In 2004 trad Sjarel Ex aan als nieuwe directeur. Hij staat nu nog altijd aan het roer. Paul Robbrecht herinnert zich dat niet lang na zijn aanstelling de splinternieuwe entreebalie en vestiaire verdwenen om de ontvangstruimte te kunnen wijzigen: “Daar werden we niet over geconsulteerd.”

De redenen die de gemeente en het museum nu aanvoeren voor de (gedeeltelijke) sloop van de Robbrecht en Daem-vleugel worden uitgelegd in een brochure. In het kort: delen van het gebouw zijn niet goed bereikbaar zijn voor mindervaliden, er problemen zijn met het binnenklimaat en er zijn routes door de tentoonstellingszalen die doodlopen. Daarnaast zou de Bodon-zaal na de ‘omkransing’ van Robbrecht en Daem te weinig daglicht krijgen. Hoe het museum en de gemeente tot die conclusies komen wordt slechts spaarzaam toegelicht.

robbrechtendaem_lvd_18
Beeld door: beeld: Loes van Duijvendijk

“De kwaliteit van de Bodon-zaal zit juist in het daglicht dat rijkelijk van boven komt”, licht Paul Robbrecht zijn ontwerpkeuze toe. “Dat is na onze uitbreiding onverminderd het geval, alleen één venster aan de straatzijde is gesneuveld.” Zijn zoon vult aan: “Aan die zijde is er juist een serie tentoonstellingsruimten bij gekomen waar daglicht zijdelings binnen dringt.”

Overvallen door de beelden

Over het contact rondom de mogelijke sloop is Paul Robbrecht enigszins aangedaan: “Directeur Sjarel Ex is, na de e-mail, met iemand van de gemeente langsgekomen. Zonder al te veel woorden legde hij een iPad neer en startte een filmpje met beelden die ZUS had gemaakt als voorstudie. Daarin was de vleugel die wij ontworpen hebben, verdwenen. Dat lichtte Ex niet toe, we moesten het maar met de beelden doen. Je kunt wel zeggen dat we werden overvallen, ja.”

Zijn zoon reikt de museumdirectie de hand: “We zouden heel graag in dialoog treden met het Boijmans van Beuningen in het komende proces. We zijn ervan overtuigd dat het goed mogelijk is om verder te bouwen aan het museum vanuit de houding dat het bestaande er niet voor hoeft wijken. Ons oeuvre getuigt daarvan. We hebben in andere projecten intens in dialoog getreden met het werk van oude ‘meesters’ als Ludwig Mies van der Rohe, Victor Horta en Henry Van De Velde. We ontwerpen altijd met respect voor wat er al is, en het lukt eigenlijk ook altijd om eruit te komen.”

De nieuwste uitbreiding van het Boijmans in de vorm het Depot (ontwerp: MVRDV) ziet Paul Robbrecht als bevestiging: “Deze uitbreiding toont aan dat je niet eerst iets af hoeft te breken om de betekenis van het museum voor de stad te vergroten.”

Confrontatie

Toch ligt de steen inmiddels lang en breed in de spreekwoordelijke vijver. Er klinkt stevige taal, in de door het museum en de gemeente gepubliceerde brochure: onder ‘monumentale kwaliteit’ staat dat ‘de disfunctionele Robbrecht en Daem-uitbreiding (deels) wordt gesloopt en vervangen door een nieuw bouwdeel met gelijk volume. Een deel dat ‘recht doet aan de functionele, logistieke en esthetische eisen die passen bij de wereldcollectie van Museum Boijmans Van Beuningen en de wensen van de hedendaagse bezoeker’.

Zo’n negatieve verwijzing naar hun werk is ‘uiteraard niet fijn’ om te lezen, reageert Paul Robbrecht. “Het leidt tot tendentieuze beeldvorming. Bovendien is het verschil erg groot met het enthousiasme waarmee de museumdirectie in 2003 de nieuwe vleugel opende. Ook de gemeente én de welstandscommissie stonden toen positief tegenover ons ontwerp.”

robbrechtendaem_lvd_4
Beeld door: beeld: Loes van Duijvendijk

En nu kopt de Volkskrant, amper vijftien jaar later, dat sloop van nieuwste vleugel van museum Boijmans van Beuningen onontkoombaar lijkt. Het begint erop te lijken dat de museumdirectie afstevent op een vertrouwensbreuk met het Vlaamse architectenbureau. Dit zou tijdverlies (en extra kosten, zie kader) kunnen opleveren in het proces waar de gemeente nu €223,5 miljoen aan kwijt is. Ter vergelijk: de uitbreiding in 1996 kostte uiteindelijk €17,5 miljoen – zo’n €5 miljoen meer dan gepland – en duurde zeven jaar, dezelfde periode die nu is uitgetrokken voor de verbouwing.

Het definitieve besluit valt in 2020. Het plan dat tijdens de huidige asbestsanering wordt gemaakt, krijgt een go/nogo moment in de gemeenteraad in 2020. Dat omvat ook de eventuele sloop, uitvoering én aanpassingen aan de openbare ruimte.

Ontmoeting met Bodon

Ingrepen in publieke gebouwen liggen wel vaker gevoelig bij de desbetreffende architect en in de vakwereld (zie kader over ‘Auteursrecht’ onderaan). Paul Robbrecht herinnert zich nog hoe het in 1996 ging: “Toen wij aan onze opdracht begonnen was er geen sprake van sloop van eerdere bouwdelen. Wel was voor ons geregeld dat we met de zoon van de (inmiddels overleden) architect Bodon konden spreken. Ik vond het erg goed dat we die ontmoeting hadden.”

Hoe anders is nu de situatie. Johannes Robbrecht maakt zich zorgen over de beeldvorming die nu rondom hun vleugel ontstaat: “Ik ben in november naar het debat over het Boijmans-advies van de Rotterdamse Raad voor Cultuur gegaan. Daar verschenen van de vleugel van Bodon mooie foto’s van vlak na de oplevering, terwijl van onze vleugel een schraal beeld van Google Streetview was gekozen. Dat laten we ons liever niet nog eens overkomen.”

Vader en zoon Robbrecht blijven benadrukken dat het Boijmans zich onderscheidt door de gelaagde bouwgeschiedenis en knikken bij de metafoor die de Rotterdamse architect David Baars in bovengenoemd debat gebruikte. Hij vergeleek het gebouw met een zin met een aantal komma’s, die niet herschreven wordt of een eindpunt kent, maar steeds verder aan gelaagdheid wint. Het is de vraag of de vijfde architect die straks met het gebouw aan de slag mag, de ruimte krijgt voor een dergelijke interpretatie.

* Zowel het Museum Boijmans van Beuningen als de Gemeente Rotterdam lieten desgevraagd weten dat zij het te vroeg in het proces vinden om een inhoudelijke reactie te geven.

Auteursrecht

Robbrecht en Daem geeft vooralsnog aan nog niet te overwegen een beroep op hun auteursrecht te doen. Stel dat het Boijmans de sloopplannen doorzet zonder medewerking van Robbrecht en Daem, dan zou een discussie over auteursrecht kunnen ontstaan. Het wetboek maakt in zo’n geval onderscheid tussen totale en gedeeltelijke sloop: “Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van totale vernietiging is het uitgangspunt niet of het casco blijft staan, maar of kenmerkende elementen van het oude ontwerp zichtbaar blijven in het nieuwe ontwerp.”

Een recent voorbeeld waar beroep op auteursrecht meerkosten en vertraging opleverde, is het Museum Naturalis in Leiden. Het museum is in de jaren negentig door architect Fons Verheijen uitgebreid. Twintig jaar later volgde een nieuw uitbreidingsplan van Neutelings Riedijk Architecten. Verheijen oordeelde dat zijn uitbreiding door het nieuwe ontwerp verminkt zou raken en spande een bodemprocedure aan. Hij haalde zijn gelijk waarna het museum €1,5 miljoen aan compensatie overmaakte op een rekening van een door Verheijen opgerichte stichting (het ging hem niet om het geld maar om het principe). Ook betuigde Naturalis spijt tegenover de architect voor ‘de wijze waarop zij deze kwestie heeft behandeld’.

Is de Robbrecht en Daem-vleugel een sta-in-de-weg voor het schrijven van een nieuw hoofdstuk in de markante bouwgeschiedenis van het Boijmans, of niet? Laat je mening hieronder achter.

Voordat je verder leest...

Vers Beton heeft jouw support nodig! Wij kunnen alleen blijven bestaan dankzij support van lezers. Maak jij onafhankelijke journalistiek in Rotterdam mogelijk?

Nee, ik lees eerst het stuk verder

Teun van den Ende

Teun van den Ende

Teun van den Ende laat zich niet graag leiden door hypes, maar gaat juist op zoek naar de lange lijnen in de ontwikkeling van Rotterdam – en ook andere steden trouwens. Teun combineert populaire cultuur met historisch onderzoek naar de stad.

Profiel-pagina
Lees 4 reacties
  1. Profielbeeld van Ferrie Weeda
    Ferrie Weeda

    Goed stuk, Teun! Het interview maakt duidelijk dat Robbrecht en Daem terecht ontdaan is over de voorgestelde sloop.
    Los van het bezwaar van kapitaalvernietiging, vind óók ik dat de sloop afbreuk doet aan de gelaagde bouwgeschiedenis én intrinsieke waarde van deze uitbreiding. De ‘Robbrecht/Daem-schil’ voldoet uitstekend aan de eisen van een intieme & verrassende kunstbeleving, zoals de opdracht destijds ook was – inderdaad aansluitend bij de kwaliteiten van de oudbouw van Van der Steur. Dit blijkt bijvoorbeeld (nu nog tot dit weekend) bij de WO2-tentoonstelling.
    De tentoonstellingszaal aan de straatzijde, waarvoor de opdracht oorspronkelijk was op voorbijgangers gerichte projecten te presenteren, heeft nooit de kans gekregen die functie te vervullen.
    Ten slotte: Wat betreft routing (‘we kunnen de ingang niet vinden’, ‘het museum is een labyrint’) zijn er intelligentere oplossingen te bedenken dan sloop van de laatste uitbreiding.

  2. Profielbeeld van Inge Janse
    Inge Janse

    Ik weet niets van architectuur, maar ik weet wél dat ik die vleugel altijd spuuglelijk vond (en vind). Voor mij detoneert ie enorm bij de rest. En hij is vaag. Supervaag. Wat is dat ding? Ik ben er ook nog nooit geweest, behalve ergens bovenin, na een enorm doolhof doorkruist te hebben. Alle principiële discussies ten spijt, zal ik er geen traan om laten. Doei.

    PS “Door tegenvallers in de uitvoering zoals een failliete aannemer, bezwaren van bewoners tot aan de rechtszaal toe en technische problemen, was de uitbreiding pas in 2003 klaar.”

    Sommige dingen veranderen nooit he? ;)

  3. Profielbeeld van Ton Sonneveldt
    Ton Sonneveldt

    De huidige entree van Boymans is een zooitje. De zgn. binnentuin waar je langs moet is een stenige omgeving, waar ik zelden iets aansprekends heb gezien. Als je dan links de echte ingang van het museum ingaat kom je in een onoverzichtelijke en slecht verlichte ruimte, waar het zooitje van de omhoog getrokken kledingstukken de eerste blikvanger zijn. Als je dan een kaartje hebt gekocht – bij een kassa zonder een duidelijke wachtrij – moet je zoeken waar de ingang van de tentoonstelling is. Nergens behoorlijke verlichting, nergens heldere looplijnen en uiteindelijk moet je een onduidelijk in de ruimte hangende trap op als je naar de actuele hoofdtentoonstelling wilt. Hoe je vanuit die betonnen rommelige “ontvangst” hal naar de vaste collectie moet komen is iedere keer weer een raadsel.
    Ik kom geregeld in binnen en buitenland in musea en Boymans is een van de meest onoverzichtelijke musea die ik ken, met een lelijke en rommelige, slecht verlichte entree. Als dat deel sneuvelt en het nieuwe Boymans een licht en overzichtelijk museum wordt met heldere looplijnen, een logische plaats voor de kassa’s en een behoorlijke garderobe dan zal ik dat alleen maar toejuichen.
    Ik ben dan ook geen architect, maar “slechts” een gebruiker. En als gebruiker heb ik niet zo veel met die bozige en teleurgestelde reacties van architecten die hun ontworpen vorm blijkbaar belangrijker vinden dan de functionaliteit ervan. En dan blijkbaar ook nog en schadevergoeding kunnen eisen als dat wordt gecorrigeerd. Iets meer aandacht voor de bezoeker zou ze sieren.

  4. Profielbeeld van willem hest, van
    willem hest, van

    akkoord, ook ik was geen grote fan van de uitbreiding, en ik vind ook de huidige entree niet geweldig. ook dat plein, bedoeld als een beeldenplein, zo heeft het ook even dienstgedaan, vind ik meestal onaantrekkelijk.
    dat neemt niet weg dat het onnodige kapitaalvernietiging zou zijn om (gedeeltelijk) te slopen. want de zalen zijn op zich voldoende bruikbaar. ook is aantrekkelijk dat wat er ín het gebouw gebeurt op straat zichtbaar is.
    een sterk argument is ook dat de geschiedenis zichtbaar moet blijven. het museum is al een geheel van heel verschillende delen en bouwstijlen. dat heeft ook zeker zijn charme. ga er dan creatief mee om.
    en als laatste dient er natuurlijk te worden overlegd met de belgische architecten.

Reageren is voorbehouden aan Vers Beton-supporters. Meld je hier aan als supporter of log in.