Voor de harddenkende Rotterdammer

Oma had gelijk. Het spoor was inderdaad nog warm.

            Ik bladerde door het schetsboek. Op elke pagina stond wel een aanwijzing. Zo was er een schets van de Hofpleinfontein waar een geharnaste figuur uit het water kroop en een tekening van de Erasmusbrug waar de ridder te paard met uitgestoken lans overheen galoppeerde. Hij was overal. En onder alle tekeningen stonden dezelfde krullende letters als op het schutblad: Maarten.

            ‘Deze heb je vorige week gevonden?’ vroeg oma Broere die over mijn schouder meekeek.

            ‘Klopt!’ riep Ab. ‘Met een doosje kleurpotloden. Ik dacht eerst nog dat ie van een van de vrijwilligers was, maar er werkt hier geen Maarten.’

            Er stonden geen mensen op Maartens tekeningen. Het was alsof de ridder alleen verscheen als er verder niemand in de buurt was. Maar op de laatste pagina was een stripfiguurtje getekend met een grote bos krullen. Hij lag in een hangmat die tussen twee hoge bomen was geknoopt. Dat moest Maarten zelf zijn. Door de takken van de rechterboom was een bekende toren te zien. Ik stootte oma aan. ‘De Euromast,’ fluisterde ik. ‘We moeten naar het park, oma.’

            Ab leunde naar voren op zijn stoel. ‘Wat zeg je nou? Zoek je een hark?’

            ‘We gaan ervandoor, Ab!’ Oma sloeg het schetsboek dicht. ‘Mogen we deze van je lenen?’

VersBeton-De-ridder-van-Rotterdam-3360-1880

Lees meer

De Ridder van Rotterdam #2: De schat van Schoonderloo

Tweede deel van het feuilleton van Daphne Huisden: de karakters gaan op onderzoek uit.

Vijf minuten later zat ik achterop de scooter met het schetsboek veilig in mijn rugtas en mijn armen stevig om oma’s middel. Ab zwaaide ons uit toen we knetterend de Schoonderloostraat uitreden. Het begon al te schemeren toen we langs het Lloydkwartier scheurden en tegen de tijd dat ze de scooter aan de voet van de Euromast parkeerde was de zon bijna helemaal verdwenen. Ik was nog nooit in het donker in het park geweest.

            ‘Moeten we nog niet naar huis?’ vroeg ik een beetje zenuwachtig.

            ‘Morgen is het zaterdag, Senna. Je hoeft niet vroeg op.’

            ‘Maar,’ begon ik aarzelend, ‘volgens de vader van Patrick kun je beter niet in het park komen na zonsondergang. En die werkt bij de politie, dus die-’

            ‘Dus die zou moeten weten dat het park de hele dag geopend is. Voor iedereen.’

            ‘Maar hoe moeten we Maarten vinden in het donker?’

            Oma Broere wipte het zadel van de scooter omhoog en met een triomfantelijk gezicht toverde ze een zaklamp tevoorschijn.

Bij het licht van de zaklamp dwaalden we over verharde paden en baanden we ons een weg dwars door de struiken. Ik liep in oma’s voetstappen en probeerde niet te luisteren naar het geritsel in de bosjes en de takken die onheilspellend kraakten. Toen we plotseling iemand hoorden hoesten, greep ik snel haar hand vast. Oma stond stil. Door de takken van een beukenboom doemde de Euromast op. ‘Hij moet hier ergens zijn,’ mompelde ze.

            Op dat moment dwarrelden er een paar blaadjes naar beneden. Oma richtte de zaklamp omhoog en daar, boven onze hoofden, gespannen tussen twee dikke beuken, hing een hangmat. Er lag iemand in. Iemand met een flinke bos krullen en grote ogen die nieuwsgierig op ons neerkeken. Ik ging op mijn tenen staan en hield het schetsboek omhoog. ‘Bent u Maarten?’

            Zijn ogen werden nog groter. Hij deed me denken aan een kat uit een verhaal dat mijn vader me had voorgelezen. Een kat die in een grijns kon veranderen. Soepel klom hij naar beneden en griste het boek uit mijn handen. ‘Wat een geluk! Ik dacht dat hij voorgoed verloren was! Hoe kom je hieraan? En wat is je naam?’

            ‘Gevonden in de Schoonderloostraat. Ik ben Senna en dit is mijn oma en wij zijn op zoek naar het spook van de ridder van Rotterdam.’

            ‘De ridder hè? Heeft hij jullie op mijn pad gebracht? De ridder ziet alleen mensen die over het hoofd worden gezien. Onzichtbare mensen.’ Hij grijnsde zo breed dat er scheurtjes in zijn lippen verschenen. Er zaten donkere plekjes op zijn tanden. Maarten was een van die mensen die mijn moeder uit de weg ging omdat ze ‘altijd iets van je moesten’. Maar oma zei altijd dat mensen die niets van je moesten niet bestonden.

            ‘Waarom slaapt u in het park?’ vroeg ik. ‘Heeft u geen huis?’

‘Ik ben vrij om te gaan waar ik wil,’ zei Maarten, ‘dat is een wezenlijk verschil. Heel de aarde is mijn vaderland. Ik leef van de hand in de tand. Ik heb niets nodig, alleen mijn verstand.’  

            ‘Weet u waar we de ridder kunnen vinden?’

            Maarten nam me onderzoekend op. ‘De ridder komt als hij komt,’ zei hij raadselachtig.

            ‘Kun je misschien iets specifieker zijn?’ zei oma.

            ‘Hij gaat als hij gaat.’

            ‘Maar waar is hij nu?’ vroeg ik ongeduldig. ‘Want ik wil weten waarom mijn moeder doet alsof mijn vader nooit heeft bestaan, en waarom sommige mensen meer pech hebben dan anderen, want het lijkt me toch niet heel eerlijk dat u in een boom moet wonen.’

            ‘Je bent nieuwsgierig jij, en voor je leeftijd misschien iets te wijs,’ zei Maarten. ‘Maar bewaar je geduld: elke zoektocht heeft een prijs.’

            Oma haalde haar portemonnee tevoorschijn. Maar toen ze Maarten een briefje toe wilde steken, schudde hij beledigd zijn hoofd. Hij klemde zijn schetsboek stevig vast en zei: ‘Ik heb al heel lang geen bezoek meer gehad, dus jullie komst is voor mij beloning zat. Nou, luister goed, de ridder gaat weleens op bedevaart naar het zuiden. Naar een plek waar de klokken op zondag nog luiden, een plek die door een stoute hertog werd gedoopt, maar door nuchtere tongen zijn uitspraak ontloopt. Misschien vind je daar waar je naar zocht. Ik wens jullie veel geluk op jullie tocht.’ Hij maakte aanstalten om de boom weer in te klimmen, maar voor hij dat kon doen duwde oma alsnog het briefje in zijn jaszak. ‘Voor nieuwe potloden. Van lucht kun je niet tekenen.’

            We keken Maarten na tot hij weer in zijn hangmat gekropen was. Toen gingen we terug naar de scooter. Er viel een druppel op mijn hoofd en ik sjokte enigszins teleurgesteld achter oma aan.        

            ‘Een bedevaart naar het zuiden? Nu weten we nog niks.’

            ‘O nee?’ zei oma. ‘Volgens mij weet ik precies waar we naartoe moeten!’

Vers Beton heeft jouw support nodig!

Voordat je verder leest: Vers Beton kan alleen blijven bestaan dankzij support van onze lezers. Maak jij ook onafhankelijke journalistiek in Rotterdam mogelijk?

Nee, ik lees eerst het stuk verder

Daphne-Huisden

Daphne Huisden

Daphne Huisden (1988) debuteerde eind 2010 bij Uitgeverij Prometheus met de roman Alles is altijd fictie. In 2013 verscheen haar tweede boek Dit blijft tussen ons, genomineerd voor de Halewijnprijs in datzelfde jaar. Daarnaast publiceerde ze verschillende stukken en korte verhalen, o.a. in literair tijdschrift Das MagazinTirade en het Rotterdam-katern van NRC Handelsblad. Momenteel werkt ze aan haar derde roman, Charlatans, die binnenkort verschijnt.

Profiel-pagina
Foto-Ez-Silva

Ez Silva

Illustrator

Met haar achtergrond als industrieel vormgever en productontwerper, maakte Ez Silva (Cabo Verde, 1985) een switch naar allround vormgever, illustrator en kunstenaar. Haar werk kan omschreven worden als vrouwelijk, dromerig en mysterieus (de innerlijke gevoelswereld van de hedendaagse vrouw). Omdat in het hedendaagse leven al zoveel digitaal gebeurt, kiest Ez er juist voor om op papier te tekenen. 

Profiel-pagina
Nog geen reacties

Reageren is voorbehouden aan Vers Beton-supporters. Meld je hier aan als supporter of log in.