Voor de harddenkende Rotterdammer
tessa-biemans_toeristisch-rotterdam
Beeld door: beeld: Tessa Biemans

Het Museum Boijmans Van Beuningen is dringend toe aan enige vernieuwing – met het meermaals onderlopen van de opslagruimtes in de afgelopen jaren mag dat wel duidelijk zijn. Maar dat deze problemen worden aangegrepen om een bijzonder ambitieus plan neer te zetten, roept vragen op. Ondanks protesten uit diverse hoeken werd enkele jaren terug besloten tot de bouw van het Depot in het Museumpark, en is het bouwproces nu ruim halverwege. Ook met de suggestie – die steeds sneller realiteit lijkt te worden – dat de meest recente aanbouw van Robbrecht en Daem uit 2003 zal moeten verdwijnen, lijkt het museum verontrustend rigoureus. Zijn andere mogelijkheden überhaupt nog overwogen?

robbrechtendaem_lvd_1

Lees meer

Architecten reageren op dreigende sloop van hun jongste Boijmans-vleugel

De uitbreiding van nog geen 20 jaar geleden moet mogelijk ook wijken voor de vernieuwing.

In januari begon er (informeel) discussie te ontstaan tussen architecten in Vlaanderen en Nederland. Daarin wordt de vraag gesteld hoe er dient omgegaan te worden met de architect van een te transformeren gebouw. In het recente artikel van Teun van den Ende wordt duidelijk dat Robbrecht en Daem overvallen zijn door de voorgestelde sloop van hun bouwdeel uit 2003.

In hun antwoorden komt ook een bredere vraag aan bod: naar de rol en betekenis van architectuur in de stad. Ook is de geschiedenis van de stad zelf van belang als onderdeel van de toekomst, en de gelaagdheid van een bouwwerk als Boijmans. Dit kent naast het oorspronkelijke gebouw uit 1935, ook nog uitbreidingen uit 1972 (Bodon), 1994 (Henket) en 2003 (Robbrecht en Daem).

De meervoudigheid van architectuur en de stad is niet alleen een gegeven, het is een belangrijk element om te koesteren. Zeker in een tijd die steeds meer bepaald lijkt te worden door vereenvoudigde beelden in de architectuur en verkorte uitspraken door gemeentebesturen. Mede daarom rijst in het geval van Boijmans ook de vraag naar het proces. Niet alleen in relatie tot de architect, maar juist in verhouding tot de inwoners van Rotterdam en andere betrokkenen.

De brochure van de gemeente en het museum bevat een toelichting op de bouwdelen. Hierin wordt onomwonden gesteld dat het paviljoen van Henket uit 1992 werd omgevormd tot horeca omdat het ongeschikt was voor tentoonstellingen. Toch werd de keuze gemaakt om alternatieve invullingen te vinden in plaats van sloop. Het gedeelte van het Robbrecht en Daem deel was niet alleen bedoeld voor kantoorruimte, maar juist ook om kleinere, meer intieme tentoonstellingszalen te maken naast de grotere zalen in het Bodon deel, en daarbij een bibliotheek. Het kan goed zijn dat deze insteek niet past bij de wereldambities van gemeente en museumbestuur, maar het is vreemd hoe selectief de argumenten zijn voor sloop, herstel of behoud.

Economische meerwaarde

Het verwondert ook, hoe de brochure omgaat met de berichtgeving over de plannen. Veel wordt gestaafd met getallen en met verwijzingen naar toeristenstromen en de binnenstad als ‘city lounge’. Maar welk bericht geven wij de inwoners van Rotterdam – vooral een jongere generatie die nog in hun stad zal groeien – als een koerswijziging in de leiding van een culturele instelling reden is tot sloop van een gebouw? Dat architectuur een mode-artikel is. Een tijdelijke affiche voor het huidige bestuur.

Ook in de gemeenteraad was geen eensgezindheid, mede omdat er nog veel vragen zijn over de financiering van dit scenario. Volgens de wethouder levert dit ambitieuze scenario wel de hoogste economische meerwaarde voor Rotterdam. Aan de hand waarvan wordt dit bepaald? Toename van toeristenstromen of AirBnB boekingen?

Wat ik pijnlijk vind in het huidige proces – en waarom het mij niet verbaast dat er steeds meer vragen gesteld worden – is dat nuance en reflectie het onderspit delven in de communicatie vanuit het museum. In plaats van een aantal overwegingen naast elkaar te zetten, worden snelle slogans gebruikt waarin geen tijd of ruimte rest om verschillende perspectieven te bekijken.

Om een voorbeeld te geven: de manier waarop in de brochure gesproken wordt over een ‘disfunctionele’ ruimte, doet bij mij onprettige herinneringen oprijzen aan een lokale politicus die zijn steun voor het Depot betuigde door af te geven op ‘die kattenbak vol grind’. Hij doelde op het Museumpark. De geluiden van de lokale bewonersvereniging waren beduidend anders. Er werd liefdevol gesproken en geschreven over het belang van het park als ruimte voor omwonenden, als plek om op onverwachte manieren in te vullen, en vooral: als open voor alle mogelijkheden.

Een plek om te pauzeren

Dit soort plekken in de stad zijn niet te vereenvoudigen tot een enkel verhaal. Het werk van Van der Steur is meer dan alleen transparantie, of toegankelijkheid vanuit de Witte de Withstraat – dat is waarmee nu gesuggereerd wordt dat de uitbouw van Robbrecht en Daem in de weg zit. Het Boijmans is meer dan een optelsom van Van der Steur en Bodon. Ik ken het als een plek om te pauzeren. Om naar binnen te stappen voor wat rust van de stad. Om in de binnenplaats even een voetbal te schieten, omdat de zon schijnt en mijn dochter er zin in heeft.

Mag dat stukje Boijmans er niet meer zijn omdat de toeristen dat stuk niet herkennen? En de bibliotheek, zo prachtig ontvouwend als je vanaf het ErasmusMC komt… moet die verdwijnen omdat hij op TripAdvisor geen goed beeld oplevert?

Wat mij het meeste steekt in dit hele verhaal is dus niet alleen de ongelukkige manier waarop met de betrokken partijen wordt gecommuniceerd. Maar meer nog mis ik in mijn gemeente de wens om in rust en zorgvuldigheid te formuleren wat voor een stad Rotterdam wil zijn. Proberen we Amsterdam na te jagen met grootscheepse verbouwingen, om deel te zijn van een mondiaal stedelijk netwerk? Of zoeken we eerder naar een eigen karakter?

Voor de onlangs uitgereikte Rotterdamse Architectuurprijs had de jury oog voor historische gebouwen, voor de woonkwaliteit, en ook voor architectuur die verrast of juist schuurt. Is dat niet ook deel van deze stad?

De politiek mag er nu misschien geen ruimte aan geven, maar de architectuur kan dat wel. Laten we vooral kijken naar die verschillende verhalen, en een voorbeeld nemen aan de voltooide verbouwing van het Rotterdamse stadhuis. Dat laat zien dat afgeschreven gebouwen soms alleen een herinrichting nodig hebben, om zowel oorspronkelijke als nieuwe kwaliteiten naar boven te halen.

Ook jonge architectuur verdient een respectvolle behandeling. Het toekomstig Boijmans is juist een kans om te laten zien dat, in een stad waar de architectuur van de wederopbouw domineert, verschillende historische lagen hun plek hebben. En dat met enige welwillendheid en dialoog, ook verschillende perspectieven naast elkaar mogen blijven bestaan.

MG_0429

Lara Schrijver

Lara Schrijver is hoogleraar architectuurtheorie aan de Universiteit Antwerpen en zit sinds 2016 in de redactie van het Jaarboek Architectuur in Nederland. Vanuit haar eerste (anti-kraak) woning in Rotterdam keek ze uit op de bouw van de Erasmusbrug. Sindsdien is ze zich blijven verwonderen over hoe snel een stad kan transformeren.

Profiel-pagina
AvatartTessaBiemans

Tessa Biemans

Illustrator

Ik ben Tessa, 28 jaar, uit Rotterdam. In 2011 ben ik afgestudeerd aan de Willem de Kooning academie, richting autonoom beeldende kunst. Buiten schilderen en tekenen maak ik ook films en doe ik interventie-achtige projectjes. Ik hou van geheimen en verrassingen. Het dagelijks leven zit er vol mee. Het is zo lekker mysterieus en onvoorspelbaar.

Profiel-pagina
Nog geen reacties