Voor de harddenkende Rotterdammer

Momenteel wordt er veel teruggeblikt op de invoering van het algemeen kiesrecht en dan valt geregeld de naam van Suze Groeneweg (1875-1940). Deze Rotterdamse onderwijzeres veroverde in 1918 als eerste vrouw een Kamerzetel en dankzij dat wapenfeit is zij nu het uithangbord voor de viering van honderd jaar kiesrecht. Zo werd er enkele maanden geleden een borstbeeld van haar onthuld in het gebouw van de Tweede Kamer, was ze het onderwerp van een tentoonstelling en figureert ze in historische studies en journalistieke beschouwingen.

De raadsfractie van Groenlinks wil in Rotterdam zelfs een gedenkteken aan haar wijden, ter ere van het algemeen kiesrecht. Groeneweg was namelijk ook de eerste vrouw in de Rotterdamse gemeenteraad (1919). Een sympathiek voorstel, maar niet helemaal eerlijk tegenover al die andere Rotterdammers die zich decennialang inzetten voor het algemeen kiesrecht. Juist in de Maasstad bestond namelijk al vroeg een hele sterke kiesrechtbeweging.

NL-RtSA_4006_G-0000-0705
Affiche van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht uit 1918, ontworpen door Theo Molkenboer.

4% van de Rotterdammers mocht stemmen

Sinds de grondwet van 1848 was het kiesrecht gekoppeld aan de hoeveelheid belasting die iemand betaalde. In de praktijk betekende dit dat slechts een klein groepje mannen bij verkiezingen zijn stem mocht uitbrengen. Landelijk ging het om nog geen 11 procent van de mannelijke bevolking, in Rotterdam lag dat percentage nog lager: iets meer dan 4 procent.

De Rotterdamse huisonderwijzer en vrijdenker Goose Wijnand van der Voo (1806-1902) tekende al vroeg protest aan tegen die situatie. In 1850 probeerde hij, ‘in naam der uitgeslotene meerderheid der Burgers’, in de Tweede Kamer te komen. Zonder succes. Naar verluidt kreeg hij slechts één stem.

Een kleine twintig jaar later liet Van der Voo opnieuw van zich horen. In het door hemzelf uitgegeven tijdschriftje De Rotterdamsche Lantaren hekelde hij het bestaande censuskiesrecht. Dat was volgens hem in strijd met het gelijkheidsbeginsel in de grondwet. Als je meent dat iedereen gelijk is voor de wet, moet je ook iedereen stemrecht durven geven, aldus Van der Voo.

Mislukte poging

Van der Voo inspireerde een groep vooruitstrevende Rotterdammers in februari 1869 – in 2019 dus precies 150 jaar geleden – tot de oprichting van de Vereeniging Het Algemeen Stemregt. Deze vereniging stelde zich ten doel met alle wettige middelen de invoering van het algemeen stemrecht te bevorderen, maar ook om het politieke leven een impuls te geven door openbare vergaderingen te beleggen waar allerlei actuele kwesties besproken konden worden.

Achteraf gezien kwam de Vereeniging Algemeen Stemregt te vroeg, want haar boodschap vond niet veel weerklank. Na een mislukte poging om een plek in de Rotterdamse gemeenteraad te veroveren, werd er weinig meer van de vereniging vernomen. Maar het maatschappelijk debat over algemeen kiesrecht was wél geopend.

Kenteekenen van geschiktheid en maatschappelijke welstand

Dat debat zou rond 1880 uitmonden in de vorming van een kiesrechtbeweging. Overal in het land ontstonden in die tijd verenigingen die de grondwet wilden aanpassen. Drijvende kracht achter die ontwikkeling waren de arbeidersorganisaties. Die beschouwden het algemeen stemrecht als een middel om invloed te krijgen op de politiek en zo iets te doen aan de vaak belabberde leefomstandigheden van de werkende stand.

Op Rotterdams initiatief verenigden al die plaatselijke stemrechtorganisaties zich begin 1883 in een landelijke bond. Onder aanvoering van de Rotterdamse sigarenmaker Friedrich Wilhelm Gebing (1848-1923) en de mattenwever Piet Helsdingen (1852-1924) organiseerde de bond bij de opening van het parlementaire jaar in 1884 en 1885 de eerste grote landelijke demonstraties voor algemeen kiesrecht in Den Haag.

‘Er zijn onder de werklieden zeer ontwikkelde menschen, maar de massa is het niet.

Rotterdamse Zondagsblad, 1877

Op korte termijn was het effect van die protesten gering. Dat kwam vooral doordat de overgrote meerderheid van de politici en bestuurders nog erg huiverig was voor algemeen kiesrecht. Voor hen stond democratie synoniem voor chaos en dictatuur. Het gewone volk miste in hun ogen de geestelijke bagage om de juiste volksvertegenwoordigers te kiezen; populisten zouden dus vrij spel hebben. ‘Er zijn onder de werklieden zeer ontwikkelde menschen, maar de massa is het niet. Voer onder zulke omstandigheden het algemeen stemrecht in, en men loopt ernstig gevaar aan een vrij land slavenketenen op te leggen’, waarschuwde het Rotterdamse Zondagsblad in 1877. Tien jaar later was dat nog steeds de dominante opvatting. Bij de grondwetswijziging van 1887 werd de belastingcensus weliswaar geschrapt, maar daarvoor in de plaats kwam de bepaling dat de kiezer moest voldoen aan ‘kenteekenen van geschiktheid en maatschappelijke welstand’. Op grond daarvan konden nog altijd veel groepen van het kiesrecht worden uitgesloten. En dat gebeurde dan ook. Aan het eind van de eeuw mocht slechts zo’n 25 procent van de Rotterdamse mannen bij verkiezingen zijn stem uitbrengen.

Niet voor vrouwen

Hoewel de grondwet zich aanvankelijk niet uitsprak over het geslacht van de kiezer, was vrijwel iedereen het erover eens dat politiek geen vrouwenzaak was. Goose Wijnand van der Voo was een van de weinigen die daar anders over dacht. Wat hem betreft moest het algemeen kiesrecht dus ook voor de vrouwelijke helft van de bevolking gelden. In de Rotterdamsche Lantaren sprak hij zich nadrukkelijk uit voor ‘het REGT DER VROUW, om als BURGERES VAN DEN STAAT deel uit te maken van de KIEZERS!’. Dat was indertijd geen populair standpunt. Wie in de negentiende eeuw sprak over algemeen kiesrecht bedoelde meestal: kiesrecht voor alle mánnen.

Uit onvrede met die situatie richtte een groep feministen in 1894 te Amsterdam de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht (VVVK) op. De Rotterdamse oud-onderwijzeres Marie Rutgers-Hoitsema (1847-1934) werd daarbij tot secretaris gebombardeerd. Zelf zat Rutgers-Hoitsema daar eigenlijk niet op te wachten, maar omdat ze achter de doelstellingen stond en een goede vriendin voorzitter werd, accepteerde ze de functie toch. Het viel haar zwaar. Ze moest om de haverklap voor vergaderingen naar Amsterdam. En als ze daar dan was, werd er naar haar smaak veel te veel ‘geleuterd’. Na een enkele maanden had ze er genoeg van en trok ze zich terug uit het landelijk bestuur.

In de tussentijd had ze wel een Rotterdamse afdeling van de Vereniging voor Vrouwenkiesrecht opgericht, waarvan ze zelf voorzitter werd. De afdeling organiseerde een reeks voordrachten over vrouwenrechten, maar de belangstelling voor die lezingen viel tegen. Rutgers-Hoitsema trok daaruit de conclusie dat het onderwerp nog te gevoelig lag. Er moest eerst gewerkt worden aan bewustwording en verbetering van de maatschappelijke positie van vrouwen, voordat een campagne voor vrouwenkiesrecht succesvol kon zijn. Om dat te bewerkstelligen richtte zij met enkele medestandsters begin 1895 de Vereniging ter Behartiging van de Belangen der Vrouw op. Hoewel de VBBV een bredere doelstelling had, betekende dat niet dat de vereniging het vrouwenkiesrecht vergat. Na een paar jaar ging zij zich zelfs steeds nadrukkelijker met die strijd bemoeien.

Toen in 1899 op initiatief van de Sociaal-Democratische Arbeiders Partij (SDAP) in Rotterdam een Plaatselijk Comité voor Algemeen Kiesrecht werd opgericht, lag het dus voor de hand dat behalve de Rotterdamse VVVK, ook de Vereniging ter Behartiging van de Belangen der Vrouw zich daarbij aansloot.

Diepste ernst

In het Kiesrechtcomité werkten socialisten, feministen en links-liberalen zonder noemenswaardige problemen samen. Het resultaat was dat er bij de landelijke demonstraties steevast grote aantallen Rotterdammers aanwezig waren. ‘Het is nu langzamerhand wel gebleken, dat de eigenlijke kracht onzer tegenwoordige kiesrechtaktie tot heden zit in Zuidholland, met name in Rotterdam’, schreef het socialistische dagblad Het Volk in 1903. ‘Daar zit de beste provinciale en plaatselijke organisatie, daar de diepste ernst voor dezen strijd.’

‘In Zuidholland, met name in Rotterdam, zit de beste provinciale en plaatselijke organisatie, daar de diepste ernst voor dezen strijd.’

Het Volk, 1903

In september 1903 was Rotterdam zelf het toneel van een nationale kiesrechtbetoging. Ondanks de zo nu en dan felle regenbuien verzamelden zich naar schatting 10.000 mensen op het Schuttersveld. Na afloop van de toespraken gingen de betogers in optocht door de stad. Onder hen waren volgens de krantenverslagen opmerkelijk veel vrouwen en meisjes. De 28-jarige Suze Groeneweg was misschien wel een van hen. De jonge onderwijzeres had op dat moment net een baan gekregen in Rotterdam. Bovendien was ze dat jaar lid geworden van de SDAP, de partij die van de invoering van het algemeen kiesrecht een van zijn belangrijkste politieke speerpunten had gemaakt. Veertien jaar later zou Groeneweg voor diezelfde SDAP zitting nemen in de Tweede Kamer. Die overwinning had ze te danken aan haar eigen talenten, aan haar partijgenoten die kiezers warm hadden gemaakt voor haar kandidatuur, maar zeker ook aan het voorwerk van Van der Voo, Gebing, Helsdingen, Rutgers-Hoitsema en al die andere activisten die vijftig jaar op het aambeeld van het algemeen kiesrecht zijn blijven hameren.

Voordat je verder leest...

Wij kunnen alleen bestaan dankzij support van lezers. Help jij ons om onafhankelijke journalistiek in Rotterdam mogelijk te blijven maken? Vanaf 6 euro per maand ben je supporter!

Nee, ik lees eerst het stuk verder

anne2

Anne Jongstra

Anne Jongstra (1964) ziet zaken graag in historisch perspectief. Hij is geboren en getogen in Rotterdam, studeerde in de jaren tachtig geschiedenis in Utrecht en werkt nu voor het Stadsarchief Rotterdam.

Profiel-pagina
Lees 2 reacties
  1. Profielbeeld van Anne Jongstra
    Anne Jongstra

    Bedankt voor de vriendelijke woorden. De oproep om meer aandacht te besteden aan de pioniers van de Rotterdamse arbeidersbeweging ondersteun ik van harte. Gek genoeg zijn het juist hun directe erfgenamen – Hendrik Spiekman, Willem van Ravesteyn, Stien de Ruyter-de Zeeuw en Pieter Jan Bouman – geweest, die deze voortrekkers hun plek in de geschiedenisboeken hebben ontzegd. Hun mantra was dat de arbeidersbeweging voor 1900 geen rol van betekenis speelde in Rotterdam. Tot op de dag van vandaag zegt bijna iedereen het hun na.

  2. Profielbeeld van John Bassant
    John Bassant

    Dank voor dit mooie stuk. En speciaal voor het noemen van Friedrich Wilhelm Gebing als een van de kiesrechtpioniers in Rotterdam. Deze sigarenmaker was bovendien een socialist en vakbondsman die met name in het laatste kwart van de 19e eeuw veel heeft bijgedragen aan de ontwikkeling van het democratisch socialisme middels toespraken en cursussen, niet alleen in Rotterdam, maar in het hele land. Hij woonde van 1870 tot 1889 in Rotterdam. Helaas is deze pionier geheel in de vergetelheid geraakt.
    Bij zijn overlijden in 1923 kon er bij de socialistische kranten Voorwaarts en Het Volk een klein berichtje vanaf. Gelukkig ook een warm (ingezonden) In Memoriam van zijn oude strijdmakker de journalist Louis Schotting. Ook in het blad van de Sigarenmakers verscheen een zuinig berichtje.
    Wat rest is een onvolledige biografische bladzijde in het Biografisch Woordenboek van het Socialisme en de Arbeidersbeweging.
    Zo is het met meer pioniers van het socialisme in Nederland gegaan. Het zou goed zijn als Rotterdam wat meer aandacht besteedde aan de socialisten van het eerste uur in de stad. Dat moet toch te doen zijn.

    John Bassant

Om te reageren moet je ingelogd zijn. Inloggen kan je hier. Als je nog geen account hebt meld je nu aan als supporter of maak hier een gratis reageerdersaccount aan.