Voor de harddenkende Rotterdammer
DAKEN_ART3_DEF
Beeld door: beeld: Matzwart

Eerst maar even beginnen met het doorprikken van een mythe. In architectuurkringen gaat het hardnekkig gerucht dat De Karel Doorman is ontstaan omdat de constructeur een schetsje van de architect verkeerd had begrepen. Hoe mooi dat verhaal ook is: zo is het niet gegaan.

Hoe het wel ging? Ibelings van Tilburg Architecten kreeg de vraag om een nieuw gebouw te ontwerpen op de plek van het Ter Meulen pand. Het bestaande pand zou worden gesloopt. Maar een belangrijk wederopbouwpand uit de Rotterdamse binnenstad zomaar slopen? Een gebouw van naam en faam dat indertijd vanuit heel de regio, heel Nederland zelfs, bezoekers trok? Dat voelt niet goed. Temeer omdat Marc Ibelings zelf bij de ontwerper van het gebouw heeft gewerkt. Ter Meulen is weliswaar geen monument, maar wel een Rotterdams icoon, ook buiten de stad.

Sloop? Behoud!

Ibelings en zijn compagnon Aat van Tilburg stellen voor het gebouw te behouden en er een volume bovenop te zetten. Dit nieuwe volume moet bovendien niet zomaar door het gebouw heen ‘geprikt’ worden, zoals bijvoorbeeld bij het Beursgebouw was gedaan; het moet op de bestaande kolommen van het Ter Meulen pand staan om het zoveel mogelijk te sparen en zijn oorspronkelijke waarde terug te brengen.

Hoe doe je dat? Enter: John Kraus en Maurice Hermens van Royal HaskoningDHV. De jonge constructeur Hermens is niet bang voor een uitdaging. Hij komt al snel tot de conclusie dat de bestaande kolommen best vier verdiepingen extra kunnen dragen. Omdat bij de bouw in 1948-1951 een nieuw type prefab betonnen funderingspaal gebruikt is met een kruisvormige onderkant, zat er nog best veel reserve in.

Geen 4 maar 16 verdiepingen?!

Maar… architect en opdrachtgever wilden meer: niet vier, maar zestien verdiepingen. Hermens puzzelde door. Acht verdiepingen was al lastig, zestien op zijn minst een enorme uitdaging. Het karakter van het gebouw, en met name het open interieur, moest bewaard blijven. Extra verdiepingen betekent niet alleen extra gewicht op de bestaande constructie, er moest ook rekening gehouden worden met de windbelasting.

En daar ging het mis in de berekeningen: bij meer dan vier verdiepingen kon de bestaande constructie die zijwaartse belasting niet opvangen. Na lang rekenen en tekenen vond Hermens de oplossing voor de windbelasting in de ‘kernen’ van de nieuwbouw: de betonnen schachten met lift en trappenhuis, die op twee plekken wel recht door het oude gebouw heen staken. Het bestaande gebouw kon – door tegen die betonnen schachten te leunen – op een andere manier de krachten kwijt en daardoor veel meer gewicht dragen.

Collega bouwkundigen waren op zijn zachtst gezegd sceptisch; ze vonden het een te groot risico en raadden het project af. “Dit was een manier van bouwen waar niemand ervaring mee had,” zegt Ibelings,“want ontwikkelaars willen juist risico’s elimineren.”

Optimistische bravoure

Maar de opdrachtgevers die Hermens en Ibelings de kans gaven om dit wel te doen, waren geen doorsnee ontwikkelaars. De heren Willemsen en Minderman, de eerste ontwikkelaars van Ter Meulen, hadden een soort “optimistisch bravoure”, aldus Ibelings. Ze vertrouwden er volledig op dat de architect en constructeur eruit zouden komen. Mede-ontwikkelaar Bouwfonds haakte gedurende het proces wel af: te riskant.

De constructie bleek mogelijk, in theorie. Nu begon de volgende puzzel: hoe te bouwen? Om het voor elkaar te krijgen, moest er vijf á zes keer lichter worden gebouwd dan gebruikelijk. Het bureau van Hermens had als constructeur ook meegewerkt aan de bioscoop op het Schouwburgplein, ook een lichtgewicht gebouw vanwege het beperkte draagvermogen van het plein en de parkeergarage daaronder.

De sleutel tot het lichte bouwen lag in het gebruik van traditionele materialen: een staalconstructie met houten vloeren; gipswanden; en een houten binnengevel met glazen buitengevel. Het enige beton in de nieuwbouw waren de genoemde liftkernen en de vloer onder de daktuin.

In de loop van het proces kwamen er steeds nieuwe vragen. Zo bleken er bijvoorbeeld geen normen te bestaan voor trillingen in de woningbouw: wat is een ‘acceptabele’ trilling als er bij je buren een feestje is? Verschillende modellen en ‘mock-ups’ zorgden voor het ontwikkelen van richtlijnen die er voorheen niet waren. Het pionierswerk heeft dan ook geleid tot de ontwikkeling van ‘lichtgewicht bouwen’ – een samenwerking tussen TNO, Peutz en Royal HaskoningDHV en richtinggevend voor toekomstige ontwikkelingen.

De trillingsproblematiek was snel opgelost, maar toch lag de bouw van de Karel Doorman drie jaar stil. Niet vanwege een constructiefout – een andere hardnekkige mythe – maar vanwege de nasleep van de bouwfraude. De ellende sleurde de oorspronkelijke ontwikkelaars mee en ineens was er geen opdrachtgever meer. Pas nadat dit gat was opgevuld door DW Nieuwbouw kon het project herstarten.

Duurzame potentie

Het Karel Doorman-project was niet alleen technisch innovatief, maar ook duurzaam te noemen. In het bestaande Ter Meulen pand was 15.000 ton beton verwerkt. Het voorkomen van sloop bespaarde zo een grote hoeveelheid bouwafval. De lichtgewicht constructie van de woontorens geeft een dusdanige flexibiliteit aan het gebouw dat woningen nog steeds makkelijk kunnen worden gesplitst of samengevoegd en er dus in de toekomst nog ‘gespeeld’ kan worden met volumes en veranderende woonvragen. 

Voor Ter Meulen zijn de toentertijd zeer moderne prefabbeton palen gebruikt als fundering – palen die veel meer belasting aankonden dan waar het gebouw om vroeg. Dit was een groot voordeel voor de verdere ontwikkeling. Bovendien was dit toentertijd een veel gebruikte funderingsmethode in Rotterdam. Dus: potentie voor meer van dit soort ingrepen.

'Meer dan architectuur'

Uiteindelijk staat er een fier glazen woongebouw met 114 appartementen en een gezamenlijke daktuin op het in oude luister herstelde Ter Meulen pand. De oudbouw doet dienst als sokkel voor een licht, transparant volume dat terugwijkt ten opzichte van het ondergelegen pand en er zodoende boven lijkt te zweven. Het oude en het nieuwe gebouw passen ondanks hun verschillende uiterlijk wonderwel bij elkaar. Zo is het horizontale karakter van het oude Ter Meulen pand hersteld, dat zo kenmerkend is voor de architectuur aan de Lijnbaan. Het toegevoegde volume doet hieraan geen afbreuk, maar slaagt er zelfs in dit beeld te versterken.

In 2013 ontving het gebouw van het publiek de Nederlandse Bouwprijs en won het de publieksprijs van de Bond Nederlandse Architecten (BNA) Gebouw van het Jaar. De jury waardeerde de onmiskenbare Rotterdamse kwaliteit en lef en noemde het een ‘stoere en gedurfde ingreep (…) Dit project gaat over veel meer dan over architectuur. Dit is inpassing, een geslaagde ingreep in de stad. De architect heeft het ooit baanbrekende Lijnbaancomplex van Broek en Bakema een kans op een tweede leven gegeven. Daarmee geeft dit project een krachtig statement af over het behoud van naoorlogse stedenbouw.’ aldus het juryrapport. De prijs huldigt dan ook niet alleen de architect maar ook de constructeur en de bouwer, Van Wijnen. 

Al met al een super succesvol project, dat alom geprezen wordt als model om de stad te verdichten met behoud – en herstel – van het bestaande. Waarom zien we dit niet vaker? Vaak wordt de – vertrouwde – weg van de minste weerstand gekozen. Daarom initieerde Marc Ibelings in 2016 samen met de BNA en de gemeente Rotterdam de ontwerpstudie Licht Verdicht. De studie zocht naar grensverleggende ideeën voor lichtgewicht gebouwen bovenop bestaande gebouwen, in naoorlogse binnensteden. De uitkomsten zijn gebundeld in de publicatie ‘Licht Verdicht – Grensverleggende ideeën voor optoppen in de binnenstad van Rotterdam’. De resultaten laten zien dat verdichting mogelijk is met behoud van de bestaande naoorlogse gebouwen en vormen een pleidooi om niet die weg van de minste weerstand te kiezen, maar voort te bouwen op wat er al is.

Goed voorbeeld doet goed volgen?

‘Licht Verdicht’ heeft bewezen dat als er één stad in Nederland is die potentie heeft om door te bouwen op het bestaande, het Rotterdam is. In de binnenstad staan ontzettend veel kloeke panden uit de wederopbouwperiode, gebouwd met in het werk gestort beton. Constructief en economisch is aangetoond dat hier veel mogelijkheden zijn. Maar bouwen op bestaand werk heeft nog steeds het label ‘ingewikkeld’. Oorspronkelijk waren voor het Binnenwegplein, vlakbij Ter Meulen, meer plannen voor verdichting op de daken. Zo waren er torens gepland op het Jungerhans gebouw en het Bristol gebouw. Deze zijn er allemaal, door verschillende oorzaken, niet gekomen.

Waarom is het bij De Karel Doorman wel gelukt? Het succes van deze ontwikkeling is lastig in één oorzaak te vatten. Het waren de optimistische ontwikkelaars; het overtuigende verhaal voor behoud van het Ter Meulen pand door de architect; het feit dat de kosten voor sloop-nieuwbouw ten opzichte van behoud-opbouw niet veel van elkaar afweken; en het feit dat het parkeren binnen het bestaande gebouw kon worden opgelost. Vooral de laatste reden moet niet onderschat worden bij verschillende andere studies naar verdichting op daken, liep het op voldoende parkeerplekken stuk.

Marc Ibelings: “Wat betreft de kosten maakt het per saldo waarschijnlijk weinig uit of je sloopt en een nieuw gebouw neerzet, of dat je een lichtgewicht gebouw construeert op een bestaand gebouw. Het is niet per se goedkoper of duurder om op een dergelijke manier te bouwen. Het vergt vooral energie en commitment in andere stadia van het proces: bouwers moeten voor dergelijke ingewikkelde bouw hun organisatie veranderen. Er moet meer op kantoor gebeuren, in de werkvoorbereiding en de engineering, en minder op de bouw zelf. Dat vergt wat van de bouwwereld, en in een huidige markt waarbij de bouwers overvraagd zijn en vaak de dienst uitmaken, lijkt een dergelijke verandering ver weg.”

Hermens heeft zich sinds De Karel Doorman gespecialiseerd in lichtgewicht bouwen. Hij rekent regelmatig – gevraagd en ongevraagd – dergelijke ideeën door, maar het blijft vaak bij een rekenexercitie. “Bouwen op bestaand speelt wel maar blijft vaak in de rekenfase hangen. Daadwerkelijke realisatie lijkt nog steeds ver weg. De incubatietijd van een dergelijk project, net als alle vernieuwende projecten, is nu eenmaal wat langer dan een standaard ontwikkeling. Een studie als ‘Licht Verdicht’, heeft wel bij betrokken partijen de ogen geopend voor dergelijke ontwikkeling. Het onderwerp zoemt meer rond.”

rotterdamse-DAKEN-piramide

Lees meer

Het dak op! De kansen voor dakgebruik in Rotterdam

Deel 2 in een korte serie: inspirerende voorbeelden van dakontwikkeling voor Rotterdam

Ook onder architecten is de discussie over doorbouwen op het bestaande, nog niet beslecht. Ten tijde van het ontwerpproces van De Karel Doorman, zei een lid van de Rotterdamse welstandscommissie tegen Ibelings: ‘Ga je nou een galerijflat pletteren op dat mooie wederopbouwicoon?’ Inmiddels kan hij daar hartelijk om lachen.

Over deze serie

Nederland staat aan de vooravond van een aantal grote transities die de ruimte om ons heen gaan veranderen. Om de groeiende druk op de stad op te vangen en haar voorzieningen efficiënter te gebruiken zal moeten worden bijgebouwd. Maar waar? Met ruim 2000 voetbalvelden aan plat dak heeft Rotterdam hier een unieke kans voor verdichting én ander gebruik. De grote verbouwing van Nederland kan in Rotterdam dus zomaar leiden tot Rotterdam Bovenstad! In deze serie zoeken Yvonne Rijpers en Joep Klabbers uit hoe de vorming van Rotterdam Bovenstad tot stand kan komen en wat dat voor stadsbewoners betekent.

Rotterdam Bovenstad is mede mogelijk gemaakt met een subsidie van het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie. Bekijk hier de hele serie!

Vers Beton heeft jouw support nodig!

Voordat je verder leest: Vers Beton kan alleen blijven bestaan dankzij support van onze lezers. Maak jij ook onafhankelijke journalistiek in Rotterdam mogelijk?

Nee, ik lees eerst het stuk verder

Marieke-Odekerken-portret-Joep-Klabbers

Joep Klabbers

Joep Klabbers (1969) is architect en tevens initiator en oprichter van het succesvolle festival Rotterdamse Dakendagen, waarvan hij tot eind 2017 inhoudelijk directeur was. Met zijn bureau zoarchitecten werkt hij aan de opgaven van de bestaande stad. Plinten en daken hebben daarbij in het bijzonder zijn aandacht. Ook nog frontman van WLDRF.

Profiel-pagina
Yvonne Rijpers

Yvonne Rijpers

Yvonne Rijpers (1980), Eindhovense Rotterdamse, sociologe en metropolitaan onderzoekster. Vindt Rotterdam-West veruit het best. Is werkzaam in en schrijft over stedelijke ontwikkeling. Probeert daarnaast ook nog te promoveren op iets met beleid, Berlijn en creatieve steden en werkt als coördinator voor Vereniging Deltametropool.

Profiel-pagina
MATZWART_LOGO

Matzwart

Illustrator

Matzwart studeerde in 2012 af aan de Willem de Kooning Academie en werkt nu als allround ontwerper met een voorliefde voor illustratie. Hij werkt overal waar hij aan WiFi kan komen.

Profiel-pagina
Nog geen reacties

Reageren is voorbehouden aan Vers Beton-supporters. Meld je hier aan als supporter of log in.