Voor de harddenkende Rotterdammer

“Ik denk dat ik de kinderbescherming bel. Dan gaat mijn zoon naar een pleeggezin, kan ik werken en mijn schuld aflossen.” In haar keurige flat kijkt Sarina haar begeleider Sharon een beetje moedeloos aan. “Ik weet het anders ook niet meer.”
Sharon valt even stil. “Waar komen die gedachten vandaan?”
“Als ik geen kind meer heb, laat de gemeente me met rust en dan is het tenminste klaar.”

“Maar Sarina”, zegt Sharon. “Kijk eens wat je allemaal hebt bereikt. Vorig jaar durfde je niet eens je bewindvoerder te mailen. Nu stap je zelf uitzendbureaus binnen om je in te schrijven voor werk.”
“Alles loopt en dan gebeurt er iets en is alles verpest.”
“Nee, dat is niet zo. Dat denk je alleen maar. Dat weet je toch hè.”

Sarina is even stil en aait dan haar zoontje over zijn krullenbol. “Hij is echt een lieve jongen.” Het jochie kijkt op van zijn Thomas de trein-klok. Een cadeautje van Frontlijn, want: “Sarina staat onder bewind. Ze leeft al drie jaar van hooguit 80 euro per week.” Een paar maanden geleden heeft Sharon een werktraject geregeld voor Sarina. Op die manier kan ze zelf de kost verdienen, wat haar positie een stuk steviger maakt. Maar Sarina heeft stress van de banenjacht, want het gaat niet zo soepel als ze had gewild. De banen die er zijn, kan ze niet combineren met de zorg voor haar zoontje.

Daarbovenop kreeg haar kind de griep. Na een paar nachten slecht slapen, ziet Sarina door de bomen het bos niet meer. Uit wanhoop zegt ze dan dat ze haar kind weg wil doen. Of dat ze zich van kant wil maken. “Gedrag verander je niet in een paar maanden. Dat duurt lang en de kans op terugval is groot. Daarom volgen we deze vrouwen zo lang”, zegt Sharon. “We volgen Sarina nu drie jaar, terwijl we officieel twee jaar na de geboorte van het kind moeten stoppen. Sarina heeft grote stappen gemaakt op veel vlakken, maar ze is er nog niet. Haar nu loslaten, is zonde.”

Van baarmoeder tot peutertijd

Welkom bij het dagelijks werk van de Moeders van Rotterdam. Van baarmoeder tot peutertijd bemoeien zij zich met moeder en kind. Dat doen zij vanuit de overtuiging dat de problemen van moeders onvermijdelijk doorsijpelen in de ontwikkeling van het kind. Voorkomen is beter dan genezen.

In de statistieken is te zien hoe waar die oeroude wijsheid is. In Rotterdam ligt de perinatale sterfte 15 procent hoger dan het gemiddelde in Nederland1. In de achterstandswijken van Rotterdam is dat percentage nog hoger: 21 procent. Vrouwen lopen 16 procent meer kans op vroeggeboorte en in 11 procent van de gevallen blijkt de baby bij geboorte te klein. Jaarlijks komen 3600 van de 8000 nieuwe Rotterdammertjes in achterstandssituaties ter wereld. “Bij de gynaecoloog in de wachtkamer zitten prostituees, verslaafden, mensen met schulden en stress, vrouwen zonder iemand om hen heen”, zegt Moeders van Rotterdam-projectleider Jantine. “In die wachtkamer blijven ze maar opduiken, omdat hun baby niet goed groeit of zich slecht ontwikkelt, terwijl er geen medische noodzaak is. Was daar niets aan te doen?”

Ja, daar was iets aan te doen, vonden de gemeente Rotterdam en het Erasmus Medisch Centrum. Samen begeleiden en monitoren zij binnen het project Moeders van Rotterdam met financiering van Stichting De Verre Bergen2 nu in totaal driehonderd vrouwen. In 2021 loopt de onderzoeksperiode af en moet blijken of de zeshonderd Moeders van Rotterdam-vrouwen en hun kinderen het op de lange termijn beter doen dan de zeshonderd vrouwen in de controlegroep.

Geisje.VersBeton.MoedersvRdam
Oud-deelnemer van project Moeders van Rotterdam. Persoon komt niet in het verhaal voor. Beeld door: beeld: Geisje van der Linden

Onorthodox, vanuit de hulpvrager gedacht en praktisch ingestoken: Moeders van Rotterdam is Bureau Frontlijn in optima forma.3

Frontlijn stamt uit de periode van het eerste Leefbaar Rotterdam-college, dat na 2002 naar een manier zocht om de achterstandswijken in het gareel te krijgen. Veiligheid had daarbij prioriteit. Al gauw ontstond het besef dat het werkelijke probleem in deze gezinnen armoede4 was, en dat degenen die daar het meest en langdurigst onder lijden, de kinderen zijn. Er moest een totaalaanpak komen, bedacht en uitgevoerd door een min of meer onafhankelijke organisatie, die deed wat nodig was zonder zich al te veel aan te trekken van bestaand beleid of betrokken instanties.

In februari 2006 werd tot dat doel Bureau Frontlijn als projectbureau binnen de gemeente gehangen. Het kreeg een eigen budget en had een status aparte5, zodat het dwars door de clusters Veiligheid, Maatschappelijke Ontwikkeling, Stadsontwikkeling en Stadsbeheer kon opereren6.

Achter de voordeur

Frontlijn trok de wijken in, om achter de voordeur bij mensen thuis te kijken wat er zoal speelde: vaak heel veel tegelijk op een bedje van armoede. De kunst was om simpele, concrete oplossingen te bedenken om deze mensen binnenboord te krijgen. “Wil je mensen in staat stellen uit hun achterstand te groeien, dan moet je op een onderbouwde manier tijd investeren in het ontwikkelen van de benodigde praktische vaardigheden”, verwoordt één van vormgevers van deze aanpak dat. Zo werd het bureau aanjager van de gedachte dat iedereen tot op zekere hoogte zelfredzaam kan zijn, iets waarvan veertien jaar later de hele sector is doortrokken.

Naast vernieuwend bleek deze aanpak ook erg arbeidsintensief. Omdat het college van B&W Frontlijn de opdracht had gegeven deze aanpak eerst zelf uit te voeren, ging het projectbureau op grote schaal samenwerken met de hogescholen en universiteiten.

Bewust zette Frontlijn studenten in in de uitvoering. Het was een manier om de teruglopende budgetten in zorg en welzijn op te ondervangen, schrijft adviesbureau Ecorys in oktober 2015 in een evaluatie, en tegelijkertijd de participatiemaatschappij handen en voeten te geven. Daarnaast leerden studenten in de praktijk het vak zelfstandig uit te oefenen. Volgens Frontlijn had dat gebrek aan professionele ervaring ook zekere voordelen. “Studenten zijn niet zo snel een bedreiging, zoals jeugdzorg”, zegt Frontlijn-oprichter Barend Rombout over de gedachte daarachter. “Cliënten vonden onze stagiairs heel laagdrempelig. Ook denken studenten niet snel: dat heb ik allemaal al geprobeerd, het wordt niks. Ze geloven erin, dus ze doen het gewoon.”

Frontlijn-medewerkers vertelden hulpbehoevende gezinnen juist niet wat ze allemaal verkeerd deden. Het uitgangspunt was: naar die gezinnen toegaan om samen uit te zoeken wat werkt. Bij het ene gezin ging een student mee naar afspraken met de gemeentelijke kredietbank, het ziekenhuis of de verloskundige. Bij het andere ging het om opvoedhulp, advies over voeding of achterstallige rekeningen ordenen in een schuldenmap. Praktisch, simpel en met direct resultaat.

Wel was het zaak de begeleiding goed dicht te timmeren. Nooit alleen naar cliënten toe. Altijd een briefing in de ochtend, een debriefing in de middag. Gevolgd door een opdracht voor het volgende huisbezoek, die de student grondig moest voorbereiden en voorbespreken met zijn stagebegeleider. En dan: hup, het werkveld in. Dat is helemaal niet te heftig voor studenten, vindt oprichter Rombout: “Als ze hun diploma hebben, moeten ze het ook zelf doen.”

Geisje.VersBeton.MoedersvRdam.
Deelnemer van project Moeders van Rotterdam. Persoon komt niet in het verhaal voor. Beeld door: beeld: Geisje van der Linden

Studenten werken studenten in

De inzet van studenten kwam voor het eerst in opspraak in januari 2015. Twintig dagen nadat de gemeente verantwoordelijk werd voor jeugdzorg stierf Efe, een baby van tien maanden, aan de gevolgen van kindermishandeling. De NOS meldde op basis van anonieme bronnen dat het gezin begeleid werd door studenten van Bureau Frontlijn. De gemeente Rotterdam heeft dat altijd stellig ontkend7. Na Efe’s dood verscheen een lijvig inspectierapport, waaruit bleek dat alle twaalf instanties, die bij dit gezin betrokken waren, langs elkaar heen hadden gewerkt.

Frontlijn was dus een rader in het geheel, maar wel een die meer dan de andere onder de loep kwam te liggen. In oktober 2015 verscheen een evaluatie op de effectiviteit van de Frontlijn-methode. Toenmalig wethouder Hugo de Jonge had adviesbureau Ecorys daar in 2013 opdracht toe gegeven, toen Frontlijn binnen de gemeente overging naar het cluster Maatschappelijke Ontwikkeling. In het adviesrapport8 wordt met geen woord gerept over de baby van de Wolphaertsbocht. Wel staan voor het eerst de dubbele gevoelens van ‘stakeholders’ over de inzet van zoveel stagiairs zwart-op-wit: “We constateren dat er divers gedacht wordt door de partijen in het veld over de kwaliteit en effectiviteit van de grootschalige inzet van studenten. De grotere beschikbaarheid van capaciteit door de inzet van studenten en de invloed daarvan op de hulpverlening is evident.”

In juli 2017 beoordeelde de Toetscommissie Interventies Jeugd9 de begeleiding van studenten door Bureau Frontlijn als “stevig en toereikend”. Diverse coördinatoren, supervisors en stagebegeleiders plaatsen daar vanuit hun praktijk binnen de hogescholen kritische kanttekeningen10 bij, zij het allemaal anoniem11. Hun lezing: in de praktijk zijn het studenten die studenten inwerken12 en houdt een professional op afstand de boel in de gaten. De afstand tussen professional en student is daardoor simpelweg te groot. “Stagiairs lopen tien maanden stage. In september begint een nieuwe lichting. Die wordt ingewerkt door de ouderejaars die in februari stoppen”, licht een hogeschoolcoördinator toe. “Studenten zien dus nooit een professional aan het werk en kunnen de kunst niet van een ervaren hulpverlener afkijken. In ieder ander werkveld zouden we zo’n werkwijze een ramp vinden.”

Gevaarlijke situaties

Dat kan tot gevaarlijke situaties leiden, weten de coördinatoren. Fysiek, als argeloze studenten zich bijvoorbeeld laten insluiten bij agressieve cliënten, maar ook psychisch, wanneer studenten, overweldigd door de ellende in de gezinnen die ze begeleiden, veel te veel investeren. Vanwege de scheve machtsverhouding durven ze daar niet officieel over te klagen. “Studenten klagen genoeg, maar niet zwart-op-wit”, zegt een coördinator. “Deden ze het maar! Maar ze zijn bang dat ze dan hun stage niet halen. Dat betekent een flinke studievertraging. Niet iedereen kan zich dat veroorloven.”

Eén van de studenten waarmee Vers Beton sprak en die eveneens alleen anoniem13 zijn verhaal wil doen, vertelt hoe hij tijdens zijn derdejaarsstage aan een andere stagiaire werd gekoppeld. Zij meldde zich na twee weken ziek, om niet meer terug te keren. De werkdruk was “gigantisch”. “Mijn begeleider, een jonge vrouw van 25 jaar, moest bij alle intakes zijn. Soms was het zo druk, dat ik ook weleens intakes alleen deed.” Hij hielp cliënten met schulden en moest tijdens huisbezoeken de financiën op orde krijgen. “Lagen er betalingsherinneringen, dan ging ik bellen. Vaak speelden er veel meer problemen. Was een vrouw de avond ervoor geslagen door haar man, dan wilde ze daarover praten. Ik wilde meer hulp bieden, maar omdat ik maar een student ben, had ik veel meer sturing nodig.”

Dat klinkt de hogeschoolcoördinator bekend in de oren. “Studenten zien hun cliënten worstelen met veel complexere problemen, want schulden ontstaan niet zomaar. Studenten hebben niet de knowhow om daarmee aan de slag te gaan. Omdat briefings en evaluaties niet over de student gaan, leren ze ook niet hoe ze die problemen moeten aanpakken. Dat maakt ze onzeker. En als een student iets eng vindt, zegt hij er niets over, want dat kan zijn stage beïnvloeden.” Ook deze student hield zijn mond dicht. “Een half jaar studievertraging kon ik me niet veroorloven, dus ik moest door. Dat deed ik wel met tegenzin.”

Wie niet haar mond dichthield, is Anne. Zij schreef over haar tweedejaarsstage een kritisch verslag, waarin het gebrek aan begeleiding een belangrijk onderwerp was. “Mijn stagebegeleider van Frontlijn was nooit met me mee geweest, maar moest mij toch beoordelen.” Haar begeleider op school, tevens werknemer van Frontlijn, had de tussentijdse versie gelezen en haar geprezen vanwege haar kritische houding. “Maar in het eindgesprek werd ik met de grond gelijk gemaakt”, zegt Anne. “Ik was te negatief, voelde me verheven boven het team en had geen empathisch vermogen. Dat hele gesprek heb ik alleen maar gehuild.” Omdat ze anders haar stage over had moeten doen, scoorde Anne toch een voldoende. Het argument: “We willen je niet nog een jaar langer hebben.” Ook dit herkent de coördinator, want: “Scholen krijgen alleen uitgekeerd als een student afstudeert. Frontlijn biedt jaarlijks tientallen stageplekken. Het is een pervers systeem van wederzijdse afhankelijkheid.”

Geisje.VersBeton.MoedersvRdam
Oud-deelnemer van project Moeders van Rotterdam. Persoon komt niet in het verhaal voor. Beeld door: beeld: Geisje van der Linden

Voor veel stagiairs is hun tijd bij Frontlijn een opstap naar hun eerste betaalde baan. Negentig procent van de huidige professionals14 van Frontlijn is begonnen als student, zo zegt de gemeente: “Gemiddeld honderd stagiaires per jaar hebben het naar ons beeld prima naar hun zin, doen relevante stage-ervaring op en ronden hun stages goed af. Wij kunnen de vraag om stageplekken bij Frontlijn veelal niet aan omdat het aanbod van studenten die bij Frontlijn stage willen lopen groter is dan het aantal plekken. Ieder jaar stromen op vacatures voor professionals Frontlijn oud-stagiaires, die inmiddels zijn afgestudeerd, in.”
De coördinator beaamt dat veel studenten via Frontlijn aan het werk komen. “Menig Frontlijn-professional heeft nooit een andere werkgever gehad.”

Nooit eindverantwoordelijk

Feit blijft dat jaarlijks honderden15 studenten praktijkervaring moeten opdoen. Sinds september 2016 heeft de Hogeschool Rotterdam dat in leerwerkgemeenschappen vormgegeven. Zo koppelt de hogeschool de hulpverlenende opleidingen16 aan de beroepspraktijk. Een leerwerkgemeenschap bestaat uit zes tot twaalf studenten, hun praktijkbegeleiders en de docenten. Per zes studenten is een docent één dagdeel per week aanwezig in de praktijk. Dat is anders dan voorheen, toen student, docent en praktijkbegeleider twee tot drie keer per jaar een gesprek voerden over een maandenlange stageperiode. De Hogeschool benadrukt dat studenten nooit eindverantwoordelijk zijn. De praktijkorganisatie is tijdens de studie verantwoordelijk voor het handelen van de student17.

Frontlijn zelf biedt momenteel een stageplek aan 85 studenten. Die komen van verschillende hbo- en universitaire opleidingen. Intussen heeft Frontlijn geen monopoliepositie18 meer als het gaat om de hoeveelheid stages. “Frontlijn was de voorloper van deze manier van werken: de uitvoering voornamelijk door studenten laten doen”, zegt de coördinator. “Andere instellingen hebben die werkwijze overgenomen19.”

Frontlijns huidige leiding zegt lering uit het verleden getrokken te hebben, door zorgvuldig te kijken in welke situaties studenten een meerwaarde hebben. Dát zij een meerwaarde hebben, staat buiten kijf, vindt het projectbureau. In het geval van Moeders van Rotterdam betekent dat dat studenten pas in een laat stadium in beeld komen: als de hulpverlening al een aardig eind op de rit staat. Dat is dus niet in de eerste fase, waarin professionals van Moeders van Rotterdam de verantwoordelijkheid voor moeder en kind overnemen. In een veld waar zelfredzaamheid hét stopwoord is, pakt Moeders van Rotterdam de eerste zes weken de regie. Daarin verschilt dit project van andere Frontlijnprojecten en van de gangbare aanpak binnen welzijn. “We doen in die periode wat nodig is om een stabiele basis te creëren, ook al kost het ons een hele week”, legt projectleider Jantine uit. Een stabiele basis houdt volgens Moeders van Rotterdam in dat moeder en kroost veilig zijn, niet ieder moment hoeven te verkassen of dakloos dreigen te raken en dat er geld is voor eten en verzorging.

In de tweede fase gaan professionals wekelijks bij moeder en kind op huisbezoek. Ieder bezoek duurt twee uur. Het eerste uur is voor het kind, het tweede voor praktische zaken. Samen met moeder vult de medewerker een babydagboek in. Zo legt Moeders van Rotterdam de ontwikkeling van moeder en kind methodisch vast. Pas als het kind één is en als het goed gaat met moeder, nemen studenten de begeleiding over. Tot het kind twee jaar oud is en de eerste duizend dagen van zijn leven op papier staan. Moeders van Rotterdam20 is door die intensieve begeleiding en dat maatwerk een uniek project, zo valt te lezen in de rapportage van de Toetsingscommissie Interventies Jeugd (TIJ): “De interventie is nu betaalbaar door geld van Stichting De Verre Bergen en de inzet van studenten, maar in hoeverre kan je dit in de toekomst blijven borgen?”

Tot 2021 heeft Moeders van Rotterdam financiering. Hoe het daarna verder gaat, weten de medewerkers niet. Het baart ze zorgen, want na vijf jaar weten ze wel dat er behoefte is21 aan deze manier van hulp én dat deze groep kwetsbare vrouwen veel tijd en aandacht vragen eer ze zelfredzaam zijn. Het voorkomen dat problemen van ouder op kind overgaan, vereist een nog langere adem. Dat blijkt wel uit de casusbespreking, die Sharon heeft aangevraagd na het huisbezoek aan Sarina. Ze is ervan geschrokken, vertelt ze vooraf. “Ik dacht dat ik kon gaan afbouwen. Maar er hoeft maar dít te gebeuren en ze is uit balans.” Tijdens deze casusbespreking voorzien Sharons collega’s haar van advies. Sharon geeft een samenvatting van het bezoek en van Sarina’s voorgeschiedenis. Haar kind naar de kinderbescherming brengen, heeft ze eerder gedaan met haar oudste zoon. Die is nu 22. Van zijn 15de tot zijn 18de zat hij in een serie instellingen. Hij heeft geen vast adres, zit in de schulden, werkt niet, gaat niet naar school en is zelf net vader geworden. Sarina en haar oudste zoon lijken zo een goed voorbeeld te worden van de vicieuze cirkel, waardoor generaties Rotterdammers in de problemen blijven.

Geisje.VersBeton.MoedersvRdam
Deelnemer van project Moeders van Rotterdam. Persoon komt niet in het verhaal voor. Beeld door: beeld: Geisje van der Linden

Tijdens huisbezoek met stagiaire Joëlle blijkt dat niet alle trajecten zoveel tijd vergen. In de metro naar het gezin toe vertelt ze dat deze moeder in korte tijd grote sprongen voorwaarts heeft gemaakt. “Ik kom er alleen nog maar om te bevestigen dat ze het zo goed doet. Ze is nog erg onzeker over haar Nederlands.”

Darya kwam met haar man Afsar uit Afghanistan naar Nederland. Door hun onbekendheid met de taal en de bureaucratie stapelden de schulden zich op. En toen raakte Darya zwanger. “Niemand hadden we hier”, zegt Afsar ernstig. “We hebben geen familie buiten elkaar. Zonder Moeders van Rotterdam was het heel anders afgelopen met mijn gezin. Dan had ik nu misschien niet eens meer een dak boven mijn hoofd gehad. Ik ben ze eeuwig dankbaar.”

Tot twee keer toe benadrukt hij hoeveel Moeders van Rotterdam voor zijn vrouw Darya en hun dochtertje betekend heeft. Joëlle moet er een beetje van blozen. Als Darya’s dochter van tien maanden uit haar middagdut ontwaakt, kruipt ze tegen haar moeder aan en drukt haar hoofd in de holte van Darya’s nek. Vanuit haar moeders schoot kijkt ze naar het bezoek en glimlacht steeds breder. Het is een ontroerend beeld.

Tijdens het wandelingetje terug naar de metro vertelt Joëlle dat ze Darya al een jaar lang volgt. Ze is trots op Darya’s vooruitgang en haar aandeel daarin. “Zij redt het wel.”

Deze publicatie is ondersteund met een bijdrage uit de Regeling Onderzoeksjournalistiek van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten.

Wederhoor

Reactie gemeente Rotterdam/ bureau Frontlijn: “Wij herkennen ons niet in het geschetste beeld ten aanzien van de begeleiding van stagiaires. Stagiaires krijgen een uitgebreid introductie- en inwerkprogramma en begeleiding van professionals in de praktijk. De samenwerking met Hogescholen is goed en de vraag om stageplekken bij Frontlijn is groter dan het aanbod dat wij kunnen bieden. Ons huidige bestand van professionals (circa 75 fte) bestaat voor 90% uit oud-stagiairs. Dit zegt naar ons idee meer dan een anoniem relaas van de vier voormalige studenten.“

Verantwoording:

Vers Beton sprak voor dit artikel in totaal veertien mensen, waaronder vier (oud-)studenten, twee coördinatoren, een stagebegeleider, een docent, de interimmanager, het voormalig hoofd van Frontlijn, hulpverleners die in de praktijk te maken hebben gehad met stagiairs van het bureau, werknemers van Frontlijn en hun cliënten.

Uit privacyoverwegingen zijn namen van cliënten in dit stuk zijn gefingeerd. Studenten en hulpverleners noemen we alleen bij voornaam. De volledige namen zijn bij de redactie bekend.

Verder praten over jeugdzorg?

Kom naar de talkshow op 27 maart
Op woensdag 27 maart praten we om 20:00 uur verder over de problemen die spelen in jeugdzorg Rotterdam in Vers Beton LIVE, onze talkshow in debatcentrum Arminius. Aanwezig zijn de gemeentelijke Kinderombudsman Stans Goudsmit, jeugdrechtadvocaat Reinier Feiner, Hans Du Prie (directeur van Horizon) Arina Kruithof van Jeugdbescherming Rotterdam en raadsleden Jimmy Smet (Groenlinks) en Tanya Hoogwerf (Leefbaar Rotterdam).

Voordat je verder leest...

Je kunt dit artikel gratis lezen, maar wij kunnen het niet gratis maken. Vers Beton kan alleen bestaan dankzij een bijdrage van lezers. Vanaf 6 euro per maand maak jij onafhankelijke journalistiek in Rotterdam mogelijk!

Nee, ik lees eerst het stuk verder

  1. Gemiddeld sterven 7,8 van de duizend kinderen voor ze geboren worden. Bron: Perinatale Registratie Nederland. ↩︎
  2. Over het precieze bedrag doet Stichting De Verre Bergen geen uitspraken. Wel schrijft SDVB in het directieverslag over 2017 (het meest recente) dat het vervolginvesteringen gedaan heeft in de volgende programma’s: Moeders van Rotterdam, Het Peutercollege, Challenge010 en de Academische Werkplaats bij De Nieuwe Kans. In totaal heeft SDVB in 2017 langjarige toezeggingen gedaan ter grootte van 18.606.176 euro. ↩︎
  3. Moeders van Rotterdam is één van de projecten die door Frontlijn is bedacht en uitgewerkt in het Rotterdamse hulpverlenersveld die is aangemeld ter beoordeling bij het Nederlands Jeugdinstituut (NJI). Het NJI is een onafhankelijk kenniscentrum dat onder het motto ‘weten wat werkt’ bewezen effectieve jeugdhulpverlening (‘interventies’ in vaktaal) duidt, verrijkt en deelt. Frontlijn-project Samen Leren kreeg in maart 2016 NJI-erkenning op het eerste niveau: ‘theoretisch goed onderbouwde interventie’. Amigo’s werd in september 2016 ingediend voor erkenning op het tweede niveau: ‘goed onderbouwde interventie’. Amigo’s wordt momenteel beoordeeld op geschiktheid voor opname in de databank, meldt de NJi-website. Over Moeders van Rotterdam heeft het NJI nog geen oordeel geveld. ↩︎
  4. Destijds leefden 120.000 Rotterdammers onder de armoedegrens, waarvan 38.500 kinderen. 17,2 procent moet rondkomen van een laag inkomen, 6 procent al langer dan vier jaar. Bron: Evaluatie Bureau Frontlijn, Ecorys, 2015. ↩︎
  5. Aanvankelijk was Bureau Frontlijn onderdeel van het beleid van Veiligheid en Handhaving. In 2013 werd het bij het cluster Maatschappelijke Ontwikkeling ondergebracht, omdat Frontlijn met name actief was in het sociale domein.
    Bron: Evaluatie Bureau Frontlijn, Ecorys, oktober 2015
    ↩︎
  6. De opdracht bestond uit vier gelijke delen:
    1. Verbeter processen in en tussen organisaties aan de frontlijn
    2. Voer ingewikkelde interventies eerst zelf uit
    3. Innoveer en ontwikkel nieuwe methodieken
    4. Biedt gevraagd en ongevraagd advies
    (Bron: Toetscommissie Interventies Jeugd, Weet wat werkt!, juli 2017)
    ↩︎
  7. Nu zegt Barend Rombout dat Nataly inderdaad werd begeleid door een professional, maar dat in haar vakantie één keer een student naar dit gezin is gestuurd. Dat ging tegen de procedures in.
    Hierbij dient vermeld te worden dat Rombout in oktober 2017 werd ontslagen en momenteel in een arbeidsconflict met de gemeente verwikkeld is.
    ↩︎
  8. Het rapport werd in het voorjaar van 2015 geschreven, een aantal maanden na de dood van Efe. ↩︎
  9. Dit is een gemeentelijke toetsingscommissie, die oordeelt over het gemeentelijke projectbureau Frontlijn. "TIJ is zorgvuldig, transparant en onafhankelijk van politiek en organisatiebelangen", staat op de website van de gemeente Rotterdam. ↩︎
  10. In de evaluatie door Ecorys uit 2015 staat die spagaat in de samenvatting ook al te lezen: "Een deel van de geïnterviewde professionals is kritisch over de grootschalige inzet van studenten, vooral bij complexe problemen. Vanuit Bureau Frontlijn en ook vanuit professionals van andere organisaties wordt erop gewezen dat de studenten vooral lichtere taken uitvoeren, onder begeleiding en verantwoordelijkheid van de professionals van Bureau Frontlijn." ↩︎
  11. Want: “Mijn hbo-instelling is voor de vele stageplekken van Frontlijn afhankelijk.” Alle namen van de geciteerde begeleiders, supervisors en coördinatoren zijn bij de (hoofd-)redactie bekend. ↩︎
  12. Reactie Hogeschool Rotterdam: "Dit herkennen wij niet. Studenten gaan nooit alleen naar gezinnen, zij gaan óf met een professional óf met een koppelpartner (medestudent), die (soms) een halfjaar langer ervaring heeft. Dat vervangt echter niet het inwerkprogramma." ↩︎
  13. Want: “Ik wil niet dat bij een sollicitatie mijn naam in verband met kritiek op Frontlijn in Google verschijnt. Bijna iedereen heeft weleens wat voor Frontlijn gedaan.”
    Bij de (hoofd-)redactie zijn alle studenten met naam en toenaam bekend. Zij liepen allen in 2016 stage, het jaar waarin de hogescholen hun sociale opleidingen transformeerden in de huidige leerwerkgemeenschappen van Social Work.
    ↩︎
  14. Frontlijn bestaat momenteel uit 105 medewerkers (75 fte) en 85 studenten. ↩︎
  15. Studenten kunnen kiezen tussen drie afstudeerprofielen: welzijn, zorg en jeugd. Op dit moment volgen 248 derdejaarsstudenten en 117 vierdejaars aan de Hogeschool Rotterdam het profiel jeugd. Hoeveel van deze studenten precies stagelopen bij Frontlijn, wil de Hogeschool uit privacyoverwegingen niet zeggen. ↩︎
  16. Culturele en maatschappelijke vorming, maatschappelijk werk en dienstverlening, pedagogiek en sociaal-pedagogische hulpverlening ↩︎
  17. Aldus de Hogeschool zelf in reactie op dit artikel: “De studenten leren in een rijke en complexe, grootstedelijke context, waarbinnen zij in jaar drie en vier op eindniveau hbo moeten kunnen functioneren, wat gelijk is aan een startbekwame professional”, mailt de manager externe betrekkingen van de Hogeschool Rotterdam. “Dit is soms best pittig voor studenten, maar het is de verantwoording van een hbo-opleiding om studenten op hbo-niveau te laten leren, zodat zij na diplomering ook die complexe context binnen het sociaal domein ‘aankunnen’. Tijdens de studie is de praktijkorganisatie te allen tijde eindverantwoordelijk voor het handelen van de student. De student draagt nooit eindverantwoordelijkheid. De kwaliteit van de stage en de begeleiding van onze studenten moet van hoog niveau zijn, dat is de norm. Wij voeren voortdurend het gesprek met onze praktijkpartners om die kwaliteit te waarborgen, dat doen we ook intensief met Bureau Frontlijn.” ↩︎
  18. Waar Bureau Frontlijn in 2015 tien projecten had lopen in Rotterdam, zijn dat er anno 2019 nog maar vier: Moeders van Rotterdam, Amigo’s, Samen Leren en Talent (on)Bekend. ↩︎
  19. Een van de grootste spelers in het Rotterdamse welzijnsveld is met 172 stagiairs in 2017 inmiddels een nog grotere stageverlener dan Frontlijn. ↩︎
  20. Daarin verschilt dit project van andere Frontlijnprojecten en van de gangbare aanpak binnen welzijn. ↩︎
  21. De meeste vrouwen melden zich namelijk zelf bij Moeders van Rotterdam. Dat wil volgens de projectleider en interimmanager zeggen dat Moeders van Rotterdam goed ‘landt’ bij de doelgroep: "Blijkbaar zeggen ze tegen elkaar: daar moet je zijn, want je wordt er goed geholpen." ↩︎
Jeugdzorgjungle
Margot Smolenaars

Margot Smolenaars

Margot Smolenaars (1976) voelt zich al veertien jaar Rotterdammer, maar dan wel eentje met een zachte g. Studeerde journalistiek in Tilburg, begon als archetypische krantenjournalist (d’r héén!), evolueerde tot chef redactie in de bladen en is nu onderzoeksjournalist.
margot@versbeton.nl

Profiel-pagina
GeisjevanderLinden.versbetonkopie

Geisje van der Linden

Fotograaf

Geisje van der Linden (Rotterdam, 1985) werkt als documentaire fotograaf aan langlopende foto projecten. In haar werk onderzoekt ze hoe grote veranderingen, vaak van maatschappelijke aard, het leven van mensen en hun omgeving beïnvloedt en hoe zij zich hieraan zowel bewust als onbewust op aanpassen. Dit jaar publiceert ze haar eerste fotoboek met de titel, Stella Maris. Over Oost-Europese gastarbeiders in Nederland. Naast haar eigen projecten werkt ze in opdracht.

Profiel-pagina
mariekeveere-versbeton

Marieke Veere Vonk

Illustrator

Marieke Veere is een Rotterdamse ontwerper en illustrator. Ze studeerde illustratie en gamification aan de Willem de Kooning Academie en de University of the West of England in Bristol. Marieke Veere werkt graag in verschillende stijlen waarbij ze zich laat inspireren door de natuur en alles wat leeft.

Profiel-pagina
Nog geen reacties

Om te reageren moet je ingelogd zijn. Inloggen kan je hier. Als je nog geen account hebt meld je nu aan als supporter of maak hier een gratis reageerdersaccount aan.