Voor de harddenkende Rotterdammer
DSC8109
Beeld door: beeld: Khalid Amakran

Wie vanaf de A20 de Schieweg op rijdt, kan de tekst op de pilaren van het tramviaduct bijna niet missen. “Zonder noorden komt niemand thuis”, staat er vlak naast de eerste stoplichten. De regel is de titel van een roman van Nelleke Noordervliet (2009), die het weer ontleende aan een gedicht van K. Michel. Dat haar boek zich helemaal niet in Rotterdam afspeelt, laat staan in Noord, is volgens Nelleke helemaal niet erg. “Op elke plek van de wereld zit er een waarheid in die zin”, zegt ze als we elkaar op de hoek van de Schieweg en de Gordelweg ontmoeten.

Sinds Nelleke Noordervliet in 1987 debuteerde met Tine of De dalen waar het leven woont schreef ze verschillende romans, essays, novelles en geschiedenisboeken. Vorig jaar won ze de Constantijn Huygens-prijs voor haar gehele oeuvre. 

Over Rotterdam schreef Nelleke niet heel veel, hoewel ze er haar hele jeugd doorbracht. Er is het lange gedicht Een vlaag van troost (2001), over het leven van een kleinburgerlijk Rotterdams gezin vlak na de Tweede Wereldoorlog. En in 2010 schreef ze het essay Een verre echo, over het bombardement van 14 mei 1940 en hoe we dat herdenken.

Altijd buiten

Zelf maakte Nelleke de oorlog net niet mee. Ze werd in november 1945 geboren in Crooswijk, in het huis van haar grootouders. Toen ze nog maar tien dagen oud was, belandde ze in het Sofia Kinderziekenhuis, dat toen aan de Gordelweg gevestigd was, ter hoogte van de Keucheniusstraat. “Ik had tijdens mijn doop kou gevat in de kerk. Met zware bronchitis lag ik onder een zuurstoftent. De enige in Rotterdam, is me verteld. Toen mijn vader me zag liggen, dacht hij: die haalt het niet. Maar ik ben er toch doorheen gekomen.”

DSC8140
Beeld door: beeld: Khalid Amakran

Na het bombardement was er in Rotterdam een grote woningnood, dus het duurde even voordat haar ouders een woning voor zichzelf vonden. Toen Nelleke drie jaar oud was, verhuisden ze naar Bergpolder. “De meeste huizen die er nu staan, waren er toen ook al”, vertelt ze als we de wijk inlopen. “Al hadden ze natuurlijk nog geen kunststof kozijnen.”

In de wijk was destijds amper autoverkeer. Ook het tramviaduct en de snelwegafrit werden pas later aangelegd, waardoor de wijk een soort buitenspeelparadijs was. Ze wijst naar de overkant van de Gordelweg. “Overal had je landjes waar buurtkinderen hun gang konden gaan. We waren eigenlijk altijd buiten.” Dat vindt ze het meest jammer aan hoe de buurt veranderd is: dat er met al dat voorbijrazende verkeer zo weinig ruimte voor kinderen is om te spelen en te verkennen. “Misschien zijn ouders ook wel bezorgder geworden, maar dat is volgens mij niet onterecht.”

Gezellig boemeltje

In de jaren veertig en vijftig was Bergpolder al een gemengde wijk. “Op de Berkelselaan en Bergsingel woonden allemaal keurige mensen, terwijl de Insulindestraat en de Ackersdijkstraat meer voor de arbeidersklasse waren. De Gordelweg zat er ergens tussenin, daar woonden mensen met beroepen als administratief medewerker.” De kinderen in de wijk merkten daar niet veel van; de verschillen in sociaal-economische status waren vrij subtiel. “Al weet ik dat niet zeker, want we speelden vooral met kinderen uit ons eigen blok. En naar Blijdorp gingen we bijvoorbeeld niet, daar woonden toen de meest sjieke gezinnen.”

DSC8148
Beeld door: beeld: Khalid Amakran

We slaan de Insulindestraat in. Nummer 69 was voor Nelleke tot haar tiende haar thuis. “Mijn ouders sliepen in het voorkamertje, mijn zus en ik in de tussenkamer. Er was nog een achterkamer en achterin de gang was een keukentje. Een badkamer hadden we niet, we wasten ons in een grote teil.” Zo’n veertig vierkante meter, schat Nelleke de grootte van de benedenwoning in. “Bizar eigenlijk, dat we daar dan met z’n vieren woonden. Ik kan me niet voorstellen hoe het was geweest als ik mijn eigen kinderen in zo’n woning had opgevoed.” 

vb-mailchimp

Lees meer

Nieuwsbrief

Op de hoogte blijven van Vers Beton per mail? Schrijf je in voor de wekelijkse nieuwsbrief

Tegenover de woning zijn de resten van de Hofpleinlijn te vinden, met onder de bogen hier en daar nog een werkplaats. Na het bombardement waren daar destijds noodwinkels en -bedrijfjes te vinden. Tegenover het huis van Nelleke was bijvoorbeeld iemand die biljartballen van ivoor draaide, en even verderop een meubelstoffeerder. Ook reed de trein nog over het erboven gelegen spoor. “Of we daar last van hadden? Nee joh, hij kwam maar vier keer per uur langs. Bovendien was het geen sneltrein hè, maar zo’n gezellig boemeltje. Kadoengedoeng, kadoengedoeng, en hij was weer weg.”

Omhoog getrokken stad

Eén keer nam haar vader Nelleke en haar zus mee, met de trein naar Scheveningen. “We hadden het niet breed, dus dat soort dagen waren bijzonder. Ze staan me nog altijd heel goed bij.” Maar eigenlijk staat zoveel van die tijd in Nellekes geheugen gegrift. Ze wijst verschillende appartementen één voor één aan en lepelt moeiteloos op wie er destijds woonden. “De oma van mijn vriendin Kitty, de jongens Vermeulen, de familie Groenendijk. Grappig eigenlijk, want toen we later naar West verhuisden, leerde ik allemaal nieuwe buren kennen, maar de herinneringen aan die wijk zijn stukken vager.”

Af en toe ging Nelleke met haar ouders naar het centrum van Rotterdam, na het bombardement nog een kale, bijna lege vlakte. “De stad is langzamerhand zo’n beetje omhoog getrokken waar wij bij stonden.” Er heerste een optimistische sfeer in Rotterdam, weet ze nog: “Zo van: niet lullen, maar poetsen. De vaders gingen op hun fiets met hun broodtrommeltje achterop naar hun werk, iedereen vond dat het steeds beter ging. En in de stad hoorde je constant het geluid van heipalen die de grond in geslagen werden.” Over dat laatste schrijft ze in Een vlaag van troost:

Een doelgerichte kracht spant samen in de stad
die kraakt en barst en dreunt onder de slagen van het blok
een wolkje stoom en plof! Recht op de betonnen kop
De paal huivert het veen in tot het zand
Lijn zeven wacht. Hij stapt op het balkon.
Tot aan de Slaak.

Uiteindelijk slijt alles

Over de oorlog praatten haar ouders niet veel, maar op verjaardagen kwamen de verhalen los. “Bijvoorbeeld over mijn oom, die tijdens een razzia uit huis gehaald werd. Toen hij op straat met de anderen stond te wachten tot de Duitsers hem af zouden voeren, besloot hij een plakje worst voor onderweg te halen bij de slager. Toen hij terugkwam, was iedereen al vertrokken. Dus ging hij maar weer naar huis en belde aan: ‘Fie, ik ben weer thuis!’” 

Haar moeder wist toen Nelleke opgroeide nog precies wie wat gedaan had in de oorlog. “Dan zat ze voor het raam en als er iemand voorbij liep, zei ze: ‘Die was fout.’ Of: ‘Die zat zwaar in het verzet.’ Na de oorlog werd iedereen volgens die maatstaf beoordeeld. Maar ik merkte er ook weer niet heel veel van: er werd niemand met pek en veren de stad uit gejaagd, hooguit met wat afstand bejegend. En uiteindelijk slijt alles, hè.”

DSC8126
Beeld door: beeld: Khalid Amakran

Pas op latere leeftijd werden de verhalen over de oorlog interessant. “De wereld van kinderen en volwassenen was heel anders: ik kende de anekdotes wel, maar de echte dreiging had ik nooit meegemaakt. Toen ik wat ouder werd kon ik alle kleine verhalen bij elkaar voegen, maar ik denk dat ik nooit precies kan weten wat mijn ouders hebben doorstaan.” 

In haar essay Een verre echo vraagt Nelleke zich af hoe erg het is dat haar eigen dochters zich niet zo interesseren voor verhalen over vroeger. Ze heeft er een nuchtere blik op. “Dat is nu eenmaal geschiedenis. Er zijn altijd wel jongeren die zich er wel voor interesseren, maar mijn kinderen maken hun eigen herinneringen. De mijne zijn belangrijk voor mij, maar zij hoeven die er niet per se bij te hebben. En dat vind ik eigenlijk heel logisch.”

Bakermat

We lopen verder richting de Bergweg en stoppen op het pleintje voor de Heilige-Familiekerk. Nelleke had er haar eerste communie en ging om de hoek naar de Imeldaschool. Nu zijn de deuren er vergrendeld en aan de voorgevel metalen aapjes en bloemen bevestigd. “Jezus!” roept ze uit. “Hier ben ik al die jaren niet meer geweest. Aan die apen te zien, doen ze er nu iets heel anders dan de Heilige Mis opdragen.” 

DSC8315
Beeld door: beeld: Khalid Amakran

Toen Nelleke tien jaar oud was, verhuisde het gezin naar Coolhaven. Op haar achttiende ging ze in Leiden op kamers; ze heeft er Nederlands gestudeerd. Als je de paar maanden dat ze bij haar ouders in de Donker Curtiusstraat heeft gewoond, niet meetelt, is ze eigenlijk nooit meer teruggekeerd naar Rotterdam. “Ik had het wel gewild hoor, maar mijn man komt uit Amsterdam. Ik zeg altijd: Rotterdammers kunnen overal wonen, als er maar water en een haven is. Amsterdammers niet.”

Maar na al die jaren wordt Nelleke in de schrijverswereld nog altijd als een Rotterdammer gezien. “Kijk, ik ken al die Amsterdamse schrijvers wel, en met de meeste kan ik het goed vinden, maar ik heb niet zoveel met dat pretentieuze, dat opgefokte. Ik schep niet graag op, heb nog altijd die Rotterdamse nuchterheid.” 

Ook voor Nelleke voelt Rotterdam nog altijd als haar stad. “Het is toch mijn bakermat, de plek waar ik volwassen werd, mijn persoonlijkheid vond. Ik vind het niet zo gek als mensen met een migratieachtergrond zich niet Nederlands voelen, maar wel Rotterdams. De natie is uiteindelijk maar een constructie, maar je directe omgeving maak je zelf. Daarbij komt nog dat ik altijd het gevoel heb gehad, dat Rotterdam de enige plaats is waar ik mag zijn. Ik weet niet waarom, maar ergens anders heb ik vaak het gevoel dat ik me bijna moet verontschuldigen dat ik er ben. Hier niet.” 

En toch, als we even later bij een rood stoplicht stilstaan, terwijl er geen verkeer aankomt: “In Amsterdam lopen we dan gewoon door hoor!”

DSC9470

Lees meer

Clyde Wong-Loi-Sing: “In de kappersstoel praten bewoners nog over de Kruiskade van toen”

Interviewserie over de persoonlijke geschiedenis van markante Rotterdammers en hun wijken

Over deze serie 

Deze serie wordt gemaakt in samenwerking met TENT.

Vaak worden personen en gebeurtenissen die niet vergeten mogen worden herdacht in materiële en officiële vormen, zoals monumenten, straatnamen en nationale feestdagen. Maar hoe manifesteren herinnering en waardering zich nog meer? Van 12 juli t/m 22 september staat dit thema bij kunstplatform TENT centraal bij tentoonstelling ‘No You Won’t Be Naming No Buildings after Me’, samengesteld door Vincent van Velsen. 15 kunstenaars tonen werk waar andersoortige, vaak immateriële vormen van herinnering worden gepresenteerd. Tijdens de expositie zijn er diverse live events en performances. 

‘No You Won’t Be Naming No Buildings after Me: TENT, Witte de Withstraat 50.

Voordat je verder leest...

Vers Beton heeft jouw support nodig! Wij kunnen alleen blijven bestaan dankzij support van lezers. Maak jij onafhankelijke journalistiek in Rotterdam mogelijk?

Nee, ik lees eerst het stuk verder

profielfoto

Jelena Barišić

Jelena Barisic (1990) kan het heus wel over iets anders dan hiphop hebben, maar alleen als het moet. Ze groeide op onder de rook van Rotterdam en werkt nu als freelance journalist, (eind)redacteur en programmamaker.

Profiel-pagina
2018_Khalid-Amakran_01_007

Khalid Amakran

Fotograaf

Khalid Amakran is een geboren Spangenaar met Marokkaanse ouders. Fotografie begon voor hem niet met een camera, Rotterdam veranderde in een videoclip als hij zijn mp3 speler in had. Beelden uit die clip zie je nu terug in de portretten die hij maakt.

Profiel-pagina
Nog geen reacties

Reageren is voorbehouden aan Vers Beton-supporters. Meld je hier aan als supporter of log in.