Voor de harddenkende Rotterdammer
Wereldmuseum-RCMC–15-11-2019–BY-KIRSTENVANSANTEN-58
Moderator en historicus Wim Manuhutu Beeld door: beeld: Kirsten van Santen

Ongeveer 155 bezoekers kwamen af op de uitnodiging om mee te praten over het onderzoek naar het koloniale en slavernijverleden van Rotterdam. Veelal professionals, maar ook actievoerders en mensen die zich op persoonlijke titel met het onderwerp bezighouden. ‘Het onderzoeksproject is niet zonder kritiek ontvangen’, zo valt te lezen in de uitnodiging voor de publieksbijeenkomst. De kritiek varieerde: van ‘een dergelijke onderzoeksopzet laat te veel ruimte voor het vervallen in een subjectief en anekdotisch relaas’ vanuit de VVD, tot ‘de uitnodiging tot samenwerking is er een waarin zogezegd het feestje al bepaald is, en het er vooral gaat om op hun maat te blijven dansen’ aldus kennisplatform Counter/Narratives in een opiniestuk op Vers Beton.

Ez-Silva-_-R-2019-Q3-_-Illustratie-1778-x-1000-B-

Lees meer

Onderzoek Rotterdams slavernijverleden: voor wie is het eigenlijk bedoeld?

Opinie: we moeten ons ernstig zorgen maken om de opzet en het team van dit onderzoek.

Meerstemmigheid

Het onderzoek naar Rotterdams koloniale en slavernijverleden is door het Stadsarchief uitgezet, in opdracht van de gemeenteraad. Aanleiding was de motie die Peggy Wijntuin (PvdA) op 9 november 2017 indiende, in de nasleep van de verhitte discussie over de naamswijziging van kunstcentrum Witte de With. Zij pleitte voor onderzoek naar het Rotterdamse koloniale en slavernijverleden en om dit voor een breed publiek toegankelijk te maken.

“Voor Nederland en Europa is het uniek om in deze breedte dit onderzoek op te pakken. Van het begin van het koloniale en slavernijverleden tot onze postkoloniale tijd. Van economie tot cultuur,” zegt Jantje Steenhuis, directeur van het Stadsarchief, nadien in een telefoongesprek. 

“Dit onderzoek is pionierswerk voor de stad. Want hoe ga je om met alle verschillende stemmen?” zegt Ninja Rijnks-Kleikamp, organisator van de publieksbijeenkomst namens het Research Centre for Material Culture (RCMC) binnen het Wereldmuseum. “Dat was de insteek voor de avond: meerstemmigheid.1

Toch kwam er uiteindelijk van meepraten weinig terecht deze avond. Waar dat aan lag? Een gat tussen de belofte van een publieksgesprek, en de daadwerkelijke inhoud van de avond. Het publiek kon pas vragen stellen op het laatst en omdat het programma uitliep, gebeurde dit in de laatste vijf minuten. Weliswaar werd dit werd verlengd met een half uur, maar een deel van het publiek was inmiddels al murw geslagen door twee uur aan presentaties, waarvan sommige zware kost waren. 

Vooral werd duidelijk dat de verschillende partijen nog aftasten hoe zij om moeten gaan met zulk gevoelig en gepolitiseerd onderzoek. Niet in de laatste plaats omdat Rotterdam als pionier het niet kan afkijken bij een andere stad. Het lijkt moeilijk om het voor iedereen goed te doen. Toch hebben de onderzoekers – in opdracht van de gemeente – de taak om rekenschap af te leggen over het onderzoek. Het erbij betrekken van de Rotterdammers was uitdrukkelijk deel van die opdracht.

Onderzoeksteam geselecteerd

Tijdens de avond vertelde Gert Oostindie over de voorgeschiedenis en opzet van het onderzoek. Hij is directeur van het Koninklijk Instituut voor taal-, land- en volkenkunde (KITLV) in Leiden dat het onderzoek uitvoert. “Met slechts een kleine meerderheid nam het college de Wijntuin-motie aan,” benadrukte Oostindie. Dat leidde merkbaar tot lichte verbazing in de zaal. Waarom zou hij het draagvlak voor het onderzoek willen verkleinen? 64 procent stemde immers voor: PvdA, D66, Nida, SP, GroenLinks, Partij voor de Dieren, CDA, ChristenUnie. Alleen de VVD en Leefbaar Rotterdam stemden tegen. Oostindie vroeg zich ook ietwat gekscherend af waarom het onderzoek niet uitgevoerd werd door een Rotterdamse instelling. 

“We hebben het KITLV de opdracht gegeven omdat zij het nationale instituut op dit onderwerp zijn,” legt Jantje Steenhuis achteraf uit. “Het KITLV heeft vervolgens het onderzoeksteam geselecteerd. We wilden daarbij ook graag de Erasmus Universiteit en het Wereldmuseum betrekken.” 

Wat zij vindt van de kritiek (door onder meer Counter/Narratives) op het overwegend witte onderzoeksteam, zonder nazaten van tot slaafgemaakten? “Dat is een heel andere invalshoek: een politieke. Wij willen objectief onderzoek. Geen moment heb ik nagedacht over jong/oud, kleur, man/vrouw. Gert Oostindie heeft specialisten gezocht bij de verschillende onderzoeksvelden. Ik vind dat hij dat goed werk heeft gedaan. Overigens zitten in het team wel een nazaat van tot slaafgemaakten en onderzoekers met een Indische en Molukse achtergrond.” 

Onderbroken door publiek

Terug naar de publieksbijeenkomst. Oostindie legde uit dat de uitkomsten van het onderzoek uitgebracht worden in drie boeken. De eerste is een bundel onder redactie van hemzelf met artikelen als ‘kolonialisme en economie’ en ‘koloniale migranten na WOII en de koloniale stad’. Historicus Alex van Stipriaan verzorgt het tweede boek over het Rotterdamse slavernijverleden. Het laatste boek is een bundel met reflecties op de erfenissen van dit verleden (postkoloniaal Rotterdam) onder redactie van wetenschappers  Francio Guadeloupe, Paul van de Laar, en Liane van der Linden. 

Wereldmuseum-RCMC–15-11-2019–BY-KIRSTENVANSANTEN-63
(vlnr) Wim Manuhutu, Wayne Modest (hoofd Research Center Material Culture), en Alex van Stipriaan (Hoogleraar Caribische geschiedenis EUR) Beeld door: beeld: Kirsten van Santen

Bij de presentatie van Alex van Stipriaan kwam de gevoeligheid van het onderwerp duidelijk naar voren. Hij is hoogleraar Caribische Geschiedenis aan de Erasmus Universiteit en presenteerde de voorlopige opzet van zijn boek: van een macroperspectief op de economische betekenis van Rotterdam in de Atlantische slavernij tot een microperspectief op de ervaring van tot slaafgemaakten. 

Van Stipriaan zei dat we in het debat “vaak horen dat slavernij normaal was toentertijd” en werd direct onderbroken door Jeffrey Pondaag, voorzitter van Nederlands-Indonesische stichting Comité Nederlandse Ereschulden. “Dat denk ik niet!”, sprak Pondaag vanuit het publiek. Waarop van Stipriaan, geholpen door mensen uit het publiek, hem probeerde te overtuigen van zijn punt: dat het niet normaal was, ook toen niet. “Mijn punt is dat we niet kunnen zeggen: Wir haben es nicht gewusst.” 

“Niet alleen de verschillende handelshuizen, maar vrijwel iedereen was verbonden met het slavernijsysteem”   

Dit benadrukte Van Stipriaan telkens. Bijvoorbeeld bij het bespreken van zijn hoofdstuk over Rotterdamse ondernemers in tot slaafgemaakten. “Niet alleen de verschillende handelshuizen, maar een enorm netwerk van handelsrelaties was betrokken. Vrijwel iedereen was verbonden met het slavernijsysteem.”   

Of bij het hoofdstuk over verzet. “Vanaf dag één tot de laatste dag altijd zijn er altijd stemmen tegen slavernij geweest en gehoord, in Suriname en Curaçao maar ook in Nederland.” Rumoer steeg ook op uit de zaal toen Van Stipriaan het had over het eerste anti-slavernij-comité dat uit Rotterdam kwam, een petitie georganiseerd door vrouwen bovendien. “Daar mag Rotterdam trots op zijn!” “Trots: waarom gebruikt u deze term hiervoor?”, vroeg een bezoeker tijdens het vragenrondje op het eind. 

Trots klinkt immers best cru, wanneer het gaat over het feit dat Rotterdam ruim 60.000 tot slaafgemaakten vervoerde van West-Afrika naar de Caraïben en het op een na grootste particuliere handelshuis in tot slaafgemaakten herbergde van Nederland. Van Stipriaan: “Vanuit een zwart perspectief begrijp ik dat er niks is om trots op te zijn. Maar vanuit een breder Rotterdams perspectief mag je benadrukken dat verzet toentertijd waardevol was, net zo goed als verzet nu.” 

Broederliefde en herinneringscultuur

Het derde deelonderzoek over postkoloniaal Rotterdam presenteerde Francio Guadeloupe (Universiteit van Amsterdam). Zijn verhaal was enigszins zware kost: doorspekt met jargon en zeer theoretisch, en leidde daardoor tot verwarring. 

Zijn deelonderzoek leunt op twee ‘ideaaltypen’ in hoe mensen omgaan met het verleden, vertelde Guadeloupe. De eerste noemt hij een herinneringscultuur. Mensen in deze cultuur hebben “een grote eerbied voor geschiedenis” en haar belang voor samenleving. De tweede is een urban culture waarin mensen zoals de Rotterdamse rappers van Broederliefde zich niet “bewust” verhouden tot de koloniale geschiedenis en hun wortels, maar hier “op creatieve wijze” mee omgaan. 

Tijdens het vragenrondje vroeg een bezoeker verontwaardigd aan Guadeloupe: “Jij zegt dat rappers zich niet bezighouden met herinnering. Hoe kom je hierbij?” De onderzoeker beriep zich op “de aard van ideaaltypes”, die per definitie niet de pure werkelijkheid beschrijven. Bij de borrel legde een historicus nog uit dat zelfs al zouden deze twee ideaaltypen steekhoudend zijn, ze elkaar makkelijk kunnen overlappen. Maar achteraf bleek dat de onderzoeker doelde op het verschil in omgang met het verleden, tussen straatcultuur en professionele herinneringscultuur (wetenschap, musea, archieven), althans zo verklaarde Van Stipriaan.

Wereldmuseum-RCMC–15-11-2019–BY-KIRSTENVANSANTEN-41
Historicus Marjolein van Pagee en antropoloog Linda Lemmen Beeld door: beeld: Kirsten van Santen

Vervolgens was het de beurt aan drie kritische lezingen. Julian Isenia van de Universiteit van Amsterdam vroeg zich aan de hand van zijn onderzoek naar seksualiteit en burgerschap in de Nederlandse Cariben af: hoe kunnen we in het verleden meerstemmigheid vinden en hoe kunnen we hierover spreken.  

Ook Marjolein van Pagee en Linda Lemmen van Histori Bersama hielden ieder een speech. Lemmen beargumenteerde dat multivocaliteit en multiperspectiviteit zeer problematisch zijn. “Kleur toevoegen of voor de vorm andere stemmen laten horen, maakt een koloniaal instituut, zoals het KITLV of het Wereldmuseum, namelijk niet minder koloniaal.” Van Pagee verwijt het onderzoeksproject verdeel-en-heers-politiek door kritische stemmen tegen elkaar uit te spelen “zodat de onderzoekers de paternalistische rol van neutrale bemiddelaar innemen.” 

Isenia wierp ook het punt op over de ‘vruchtbare mogelijkheden’ van samenwerking tussen wetenschappers en activisten. Zonder activisten was bijvoorbeeld een baanbrekend onderzoek over de betekenis van de Atlantische slavernij voor de Nederlandse economie zelfs nooit tot stand gekomen

“Als historicus vind ik dat je moet oppassen dat je niet te veel wordt beïnvloed door je persoonlijke stellingname in discussies”, brengt Jantje Steenhuis daar later tegenin. “Wat wel kan: activistisch onderzoek op basis van feiten.” Is er bewust afstand genomen van activistische onderzoekers in dit project? “Nee, wij leveren de basis en gaan dan het gesprek aan. Maar ik was blij met de stevige meningen van Marjolein van Pagee en Linda Lemmen. Soms heb je activisten nodig om stappen te kunnen zetten in het debat.”

Wereldmuseum-RCMC–15-11-2019–BY-KIRSTENVANSANTEN-17
Beeld door: beeld: Kirsten van Santen

Robbertje discussiëren

Het gat tussen de belofte van een publieksgesprek, en de daadwerkelijke invulling van de avond, wijt Steenhuis aan de uitnodiging, verstuurd door het Wereldmuseum. “Ik was verbaasd over de tekst. Deze was naar mijn smaak ietwat negatief ingestoken. Alsof we een robbertje gingen discussiëren terwijl het bedoeld was als een informatieavond.” Maar was de kritiek van de VVD of Counter/Narratives dan niet de aanleiding? “Nee. We hadden drie publieksbijeenkomsten gepland en ditmaal het Wereldmuseum het programma laten bepalen. Dit was simpelweg de tweede.” 

Rijnks-Kleikamp nuanceert: “We hadden met de partners de uitnodiging afgestemd. Niet alle opmerkingen hebben we tijdig ontvangen om te kunnen verwerken. Wij wilden juist het publiek uitnodigen tot meepraten, ongeacht de zienswijze, en een veilige ruimte bieden voor gesprek. We hebben verschillende partijen uit Rotterdam, waaronder Counter/Narratives, uitgenodigd te komen spreken.” Op de vraag of de VVD was uitgenodigd, kon ze geen antwoord geven. Overigens was zij, zo vertelt ze, niet op de hoogte dat er al eerder een publieksbijeenkomst was geweest.

Is de avond erin geslaagd is om de Rotterdammers erbij te betrekken? “Nee joh, veel te weinig. Deze bijeenkomst was behoorlijk highbrow,” zegt Steenhuis. “Naar mijn idee was de avond niet te highbrow, in vergelijking met de evenementen die we doorgaans organiseren,” stelt Rijnks-Kleikamp juist. “Er was een breed publiek aanwezig en we hebben de aanwezigen de gelegenheid gegeven te spreken. Al met al was het een geslaagde avond.”

Voordat je verder leest...

Je kunt dit artikel gratis lezen, maar wij kunnen het niet gratis maken. Vers Beton kan alleen bestaan dankzij een bijdrage van lezers. Vanaf 6 euro per maand maak jij onafhankelijke journalistiek in Rotterdam mogelijk!

Nee, ik lees eerst het stuk verder

  1. De organisatie laat weten dat zij de uitnodiging heeft verstuurd via hun achterban en social media en datzelfde gevraagd aan haar partners (KTLV, archief, EUR, Museum RDam). ↩︎
Profielfoto-Marianne-Klerk

Marianne Klerk

Marianne is historicus en journalist. Rotterdam is in haar ogen de mooiste stad van Nederland, waar eeuwen van stadsvernieuwing en -vernieling kriskras door elkaar lopen.

Profiel-pagina
Nog geen reacties

Om te reageren moet je ingelogd zijn. Inloggen kan je hier. Als je nog geen account hebt meld je nu aan als supporter of maak hier een gratis reageerdersaccount aan.