Advertentie

unnamed
Voor de harddenkende Rotterdammer
DIY_Rotterdam
Beeld door: beeld: Rachel Sender

Eind 1947 verkondigde PvdA-raadslid Nancy Zeelenberg dat “de absolute ontkenning van alle waarden door de nazi’s, de leugenachtigheid, het cynisme en het sadisme, welke openlijk werden bedreven, de teleurstellingen ook vanwege te hoog gespannen verwachtingen, hebben vele jonge levens zozeer vergiftigd en ontoegankelijk gemaakt voor enig gevoel, dat zij een a-sociale en a-nationale kracht in het Nederlandse volk dreigen te worden.” 

Veel van haar collega’s zullen het met Zeelenberg eens zijn geweest. Al in de jaren dertig vierde het cultuurpessimisme1 hoogtij onder Nederlandse politici en opiniemakers. Ze beklaagden zich over het verlies van gemeenschapsgevoel en zedelijke normen, temidden van industrialisatie en opkomende massacultuur. De bezettingsperiode versterkte deze gedachte, zeker in het zwaar gehavende Rotterdam.

“De omstandigheden zouden Rotterdammers extra ‘vatbaar’ maken voor overschrijding van de normen op het gebied van seks en alcohol”

De morele paniek van eind jaren veertig kwam niet uit het niets. Veel Rotterdammers leefden in miserabele woonomstandigheden en de woningnood was hoog. Er was een gebrek aan voorzieningen zoals goede schoolgebouwen. Van een cultureel leven, of van georganiseerde activiteiten voor de jeugd, was nauwelijks sprake. 

Bronnen uit die tijd spreken van een wijdverspreide ‘apathie’ onder de bevolking. De omstandigheden zouden Rotterdammers – vooral de jeugd en de arbeidersklasse – extra vatbaar maken: voor overschrijding van de normen op het gebied van seks en alcohol, voor platte Amerikaanse films, en voor de verleidingen van de communisten (misschien wel het gevaarlijkst, zo vlak na de oorlog).

Gemeenschap was het toverwoord

Daarom stond de wederopbouwperiode niet alleen in het teken van de materiële, maar ook van de geestelijke wederopbouw. De ambitie van politici en stedenbouwkundigen was om voor elk individu een omgeving te creëren, waarin diegene zich optimaal kon ontplooien tot verantwoordelijke burger. Het was daarvoor heel belangrijk om deel uit te maken van een ‘gemeenschap’ – een toverwoord binnen het wederopbouwproza. De indeling van de stad en openbare ruimte moest daaraan bijdragen. In wijken als Pendrecht en Zuidwijk zie je dit idee duidelijk terug: zelfvoorzienende wijken met elk een eigen karakter, waarbinnen zo’n gemeenschap op een organische manier zou kunnen ontstaan.2

Een tweede strategie was om zoveel mogelijk Rotterdammers kennis te laten maken met cultuuruitingen die zij in hun eigen omgeving niet mee zouden krijgen. Klassieke muziek, toneel en beeldende kunst moest dus toegankelijker worden voor de arbeidersklasse. Daarom werden jaarkaarten voor culturele instellingen bijvoorbeeld goedkoper en zorgde de gemeente voor voorstellingen op scholen. De ‘lagere’ cultuurvormen – zoals als film of jazz – werden als schadelijk gezien. 

Ten derde moest de Rotterdammer burgerschap worden bijgebracht: in het onderwijs én door middel van wijkraden. Die werden eind jaren veertig ingesteld om Rotterdammers meer bij het bestuur van de stad te betrekken.3

NL-RtSA_4121_20016-28-24-01
Brabants Dorp. Heropvoedingscomplex gelegen op Zuid.

Eerst heropgevoed

De gemeenteraad was het van links tot rechts eens over de noodzaak van zo’n beschavingsoffensief. Socialistische en christelijke partijen verschilden echter van mening over de manier waarop dit offensief moest worden gevoerd. Waar socialisten de nadruk legden op de emancipatie van de arbeider via door de staat gesubsidieerde instellingen, dachten christelijke politici dat maatschappelijke en kerkelijke organisaties zelf wel konden bepalen wat goed was voor hun achterban. Ze hamerden bovendien op de handhaving van zedelijke normen. Het protestantse raadslid Oudkerk schetste in 1947 een nu angstaanjagend aandoend ideaalbeeld: “Als men den kinderen eerbied leert voor Gods woord, gehoorzaamheid aan het ouderlijk gezag, ijver voor en overgegevenheid aan den arbeid als roeping Gods, dan zal met ijzeren zelftucht de maatschappij tot bloei komen.” 

Sommige Rotterdammers moesten nog eerst worden heropgevoed, voordat zij mee zouden kunnen draaien in de gemeenschap. Zo was er voor gezinnen die ‘onmaatschappelijk’ werden geacht4 in de keurige nieuwbouwwijken geen plaats. Daarom werd een deel van deze gezinnen, die bijvoorbeeld kampten met financiële problemen, semi-vrijwillig naar heropvoedingscomplexen aan de rand van de stad gestuurd. Daar werd hen door maatschappelijk werksters (een snel groeiende beroepsgroep) geleerd hoe ze een fatsoenlijk gezinshuishouden moesten te besturen. Want – zo was het idee – alleen in een ordelijk en beschermd gezin, met een werkende vader en een thuiszittende moeder, zouden kinderen optimaal volwassen kunnen worden. 

De PvdA, toen de grootste partij in de raad, was ervan overtuigd dat sociaal beleid ook het middel was om de aantrekkingskracht van de Communistische Partij Nederland (CPN) op ‘emotioneel labiele’ arbeiders te verkleinen.5 Mede door invloed van de Koude Oorlog werd de CPN daarom stelselmatig genegeerd in de raad en geweerd in commissies en wijkraden. Ook waren er geen communistische leraren welkom in het openbaar onderwijs, en moesten demonstraties aan allerlei eisen voldoen. 6

“Maar nog altijd maken Rotterdamse politici zich zorgen over de weerbaarheid van de Rotterdammer tegenover de verleidingen van de moderne samenleving”

De uitsluiting van de communisten, de heropvoeding van onmaatschappelijken, de kunstmatige scheiding tussen ‘hoge’ en ‘lage’ cultuur, de benepen gezinsmoraal: het laat zien dat de ontplooiing van de Rotterdamse burger behoorlijk in een vooraf bepaalde richting werd gedirigeerd. Dat laat ook direct de grootste verschillen met de huidige tijd zien. Immers: nu worden vrouwen juist gestimuleerd om te werken, populaire muziek geldt als een emancipatiemiddel en de term ‘onmaatschappelijkheid’ kennen we niet meer. De angst voor binnenlands communisme is al sinds de jaren zestig verdwenen. 

Ongezond eten en drugscriminaliteit

Maar is deze wederopbouwpolitiek echt een ver-van-ons-bed-show? Ik denk van niet. Nog altijd maken Rotterdamse politici zich zorgen over de weerbaarheid van de Rotterdammer tegenover de verleidingen van de moderne samenleving: van ongezond eten, overmatig social media-gebruik en het makkelijk aangaan van schulden tot drugscriminaliteit en radicalisering. Met name Rotterdammers die toch al in een kwetsbare positie zitten – door armoede, slechte woonomstandigheden, laaggeletterdheid en andere problemen – zouden vatbaar zijn voor verleidingen. 

Door de kansenongelijkheid die inherent is aan onze markteconomie, blijft een deel van de Rotterdamse samenleving gevangen in die kwetsbare positie, terwijl een ander deel juist de vruchten weet te plukken van de moderne samenleving. Het Rotterdamse college onderneemt daarom een hele reeks aan interventies om kansenongelijkheid te doorbreken, te beginnen bij de jeugd. 

Opvallend is dat deze strategieën in de basis weinig verschillen van het beleid in de wederopbouwperiode. Nog steeds vormt ‘de wijk’ een soort mythische eenheid, waarbinnen geborgenheid en community 7moet ontstaan. Elke wijk verdient zijn eigen aanpak: met een wijkprogrammering voor de jeugd, wijkteams, wijkagenten en gebiedsnetwerkers die de boel in goede banen moeten leiden, en het wijkprofiel om het effect van die inzet inzichtelijk te maken. Zelfs de wijkraden zijn teruggekeerd, inclusief de discussie in hoeverre in hoeverre zij nu werkelijk invloed uit kunnen oefenen in het gecentraliseerde Rotterdamse bestuursmodel.

1a

Lees meer

Basisscholen op Zuid keren zich tegen extra lesuren voor ‘kansarme’ leerling

Onderzoek: er is geen bewijs dat leertijduitbreiding kansenongelijkheid tegengaat.

Ook is er nog steeds een onbeperkt vertrouwen in de kracht van cultuur en onderwijs om de kansen van de Rotterdamse jeugd te verbeteren. Het huidige college schroomt niet om zich een ‘generatie zonder achterstanden’ ten doel te stellen. In iedere jongere zit een talent, en met de juiste interventie (het Jeugdcultuurfonds, mentorprogramma’s, Leerwerkakkoorden) kan hij of zij dat talent ontdekken en daarmee een bijdrage leveren aan de samenleving. 

Dat idee is vrijwel onomstreden. En het ademt de mid-twintigste-eeuwse gedachte dat beleid gericht moet zijn op de erkenning van het individu als ‘volwaardig’ persoon, dat door de massacultuur en de geestelijke kaalslag van crisis of bezetting onder druk staat. Zo wordt de jeugd in de focuswijken op Rotterdam Zuid zelfs tien uur extra per week op school gehouden: tien uur meer educatief verantwoorde activiteit is tien uur minder vatbaar voor verleidingen op straat, zo lijkt de gemeente te denken.

Multiprobleemgezinnen

Bovendien zijn de ‘onmaatschappelijken’ van toen, de ‘multiprobleemgezinnen’ en ‘kwetsbaren’ van nu. Een te grote concentratie van kwetsbare Rotterdammers in een gebied, is onder beleidsmakers nog steeds onwenselijk, net als in de jaren veertig. Dus stelt de Rotterdamwet beperkingen aan waar deze mensen mogen wonen. Het maatschappelijk werk is sinds de wederopbouwtijd alleen maar uitgedijd. Een heel leger aan gezinsondersteuners, trajectbegeleiders financiën en andere sociale professionals wordt dagelijks ingezet om bij kwetsbare huishoudens ‘de basis op orde’ te krijgen. En eerder legden Anne Jongstra en Jacques Börger al de link tussen de Skaeve Huse die in 2016 aan de rand van de stad zijn verrezen en de vroegere heropvoedingscomplexen.

Uiteraard zijn de problemen van nu van een andere orde dan de uitdagingen waar de eerste naoorlogse colleges voor stonden: het wederopbouwen van een platgebombardeerd Rotterdam en het motiveren van een door de bezetting getraumatiseerde bevolking. Maar bovenstaande observaties suggereren toch een grote mate van continuïteit in de Rotterdamse politieke ideeën. Zelfs de verboden Sovjet-vlaggen van de wederopbouwperiode zou je in verband kunnen brengen met de ophef die regelmatig de kop opsteekt rond het vlagvertoon in de Turkse gemeenschap nu. 

In haar boek Proeftuin Rotterdam onderzocht Els van den Bent deze continuïteit en schetste een ontluisterend beeld van de stad als een laboratorium. De fixatie op wat er niet goed gaat en een excessief vertrouwen in bestuurlijke maakbaarheid heeft in de afgelopen decennia geleid tot een stortvloed aan experimenten, zo schrijft Van Den Bent. De effectiviteit daarvan is achteraf moeilijk vast te stellen, maar lijkt vaak klein. Bovendien heeft de gemeente volgens Van Den Bent een nogal problematische relatie ontwikkeld met bottom-up initiatieven, die zich niet binnen de vooraf vastgestelde beleidskaders bewegen.

De ‘geestelijke wederopbouw’ na de oorlog heeft zijn droombeelden niet geheel waargemaakt: de tuinsteden die volgens de wijkgedachte zijn opgezet, zijn deels de focuswijken van nu. De kloof tussen burger en stadhuis is op de politieke agenda blijven staan. En wat betreft de ‘onmaatschappelijken’ is vooral de terminologie veranderd. 

De les die wij hieruit kunnen leren, en die past bij de conclusies uit Proeftuin Rotterdam, is dat enige bescheidenheid over de effectiviteit van gemeentelijke interventies passend is. Maar of dit tot de huidige generatie politici is doorgedrongen, is de vraag.

Deze banner kun je wegklikken, maar....

..je kunt ook supporter worden! Vers Beton kan alleen bestaan dankzij een bijdrage van lezers. Vanaf 6 euro per maand maak jij onafhankelijke journalistiek in Rotterdam mogelijk.

Nee, ik lees eerst het stuk verder

  1. Cultuurpessimisme is een crisisgevoel onder intellectuelen over de vermeende achteruitgang van de maatschappij door culturele veranderingen. In de jaren 30 richtte dit pessimisme, zoals verkondigd door denkers als Johan Huizinga en Jose Oretga Y Gasset, zich vooral op het verlies van individualiteit in de massa. ↩︎
  2. Om de woningnood te bestrijden werden er in de jaren vijftig en zestig geheel nieuwe wijken aangelegd, zoals
    Pendrecht, Zuidwijk en later Prins Alexander. In een wijk zou je je hele leven moeten kunnen wonen, zo ging de gedachte, dus werden er verschillende woningtypes gebouwd. Er werden genoeg voorzieningen aangelegd, zodat de bewoners de wijk in principe niet uit zouden hoeven. Functies werden binnen een wijk strikt gescheiden: de ene zone was voor wonen, de andere voor winkels, en weer een andere voor recreatie.
    ↩︎
  3. Deze wijkraden zouden een schakel moeten vormen tussen de burgers en de politici aan de Coolsingel. De
    leden van de wijkraden werden niet verkozen, maar aangewezen op basis van een voor elke wijk representatieve vertegenwoordiging van politieke partijen. De wijkraden gingen in de jaren zeventig op in deelgemeentes, die veel meer bestuurlijke verantwoordelijkheid kregen.
    ↩︎
  4. De commissie Querido-Ariens definieerde een onmaatschappelijk gezin in 1948 als: een gezin, dat in zijn dagelijkse bestaan in ernstige mate niet voldoet aan eisen van samenleving, welke daaraan, de omstandigheden in aanmerking genomen, redelijkerwijze kunnen worden gesteld.

    Deze eisen hielden betrekking op allerlei terreinen, van hygiënische woonomgeving en werkband van de kostwinner tot de huishoudvoering van de vrouw en cultureel-geestelijke belangstelling. ↩︎

  5. In 1946 stemde 20% van de Rotterdammers op de CPN, maar het ging onder invloed van de Koude Oorlog al snel bergafwaarts met de populariteit van de communisten. ↩︎
  6. De autoriteiten controleerden of de meegedragen leuzen wel door de beugel konden. Bij de 1 mei- demonstratie van 1948 werden bijvoorbeeld De troepen terug (uit Indonesië, red.) en Het Marshall-Plan brengt slavernij te opruiend gevonden. Ook de vlag van de Sovjet-Unie werd geweerd. ↩︎
  7. Eigenlijk een verengelsing van het aloude woord gemeenschap. De regelmatig aangehaalde uitspraak it takes a
    village to raise a child is een perfect voorbeeld van het geloof in de kracht van de wijk.
    ↩︎
  8. Lees meer op Wikipedia. ↩︎
  9. Afrikaanderwijk, Bloemhof, Hillesluis, Feijenoord, Oud-Charlois, Carnisse en Tarwewijk. ↩︎
  10. Hierin zijn onder andere gemeente Rotterdam, Rijk, onderwijs en werkgevers vertegenwoordigd. ↩︎
  11. Bron: Procesevaluatie Dagprogrammering Rotterdam Zuid: Zicht op invoering en mogelijkheden in de toekomst van onderzoeksbureau Sardes (maart 2020). ↩︎
  12. Dit blijkt onder meer uit  Procesevaluatie Dagprogrammering Rotterdam Zuid: Zicht op invoering en mogelijkheden in de toekomst van onderzoeksbureau Sardes. Hierin merkt een schooldirecteur op: De ruimte voor onze invloed was beperkt. Tien uur verlenging was het uitgangspunt, en daar moest je mee dealen. ↩︎
DSC04180 2

Tijn Sinke

Tijn Sinke (1991) is historicus en gespecialiseerd in de transitie van bezetting naar naoorlogse democratie. Momenteel doet hij onderzoek naar de Rotterdamse communistische beweging tussen 1944 en 1952, waarover hij later dit jaar een artikel in het Rotterdams Jaarboekje publiceert.

Profiel-pagina
sender

Rachel Sender

Illustrator

Rachel Sender (illustrator) is nieuwsgierig naar mensen. Wat doen ze, waarom en hoe? Maar ook wil ze weten hoe wij als mensen ons gedragen in een stedelijke omgeving. Haar werk concentreert zich op die vragen. Dat maakt haar illustraties geschikt voor redactionele toepassingen. Door haar ervaring als grafisch ontwerper gaat ze vrij om met ruimte, verhouding en kleur. Het is fleurig en speels en maakt de kijker op slag medeplichtig.

Profiel-pagina
Nog geen reacties

Om te reageren moet je ingelogd zijn. Inloggen kan je hier. Als je nog geen account hebt meld je nu aan als supporter of maak hier een gratis reageerdersaccount aan.

Advertentie

1718_2021_009_600x500_online banner_geef ruimte