Voor de harddenkende Rotterdammer
versbeton_opinierubriek-04
Beeld door: beeld: Michael van Kekem

Onlangs bracht de Rotterdamse Raad voor Kunst en Cultuur (RRKC) haar advies uit aan de gemeente Rotterdam over de verdeling van haar Cultuurbudget van 81,7 miljoen. Als het gemeentebestuur dit advies volgt gaat er minder dan één procent hiervan naar architectuur. Terwijl Rotterdam er op staat dé architectuurstad van Nederland te zijn.

Het is dan ook maar de vraag of wethouder van cultuur Said Kasmi in september dit advies overneemt, in zijn verdelingsvoorstel aan de gemeenteraad. Daarna is het nog aan de gemeenteraad om in november – bij het definitieve besluit over de verdeling van cultuurgeld – meer aandacht te geven aan wat al jarenlang het speerpunt van de stad is.

Van alle Rotterdammers

Architectuur is geen op zichzelf staande culturele discipline, maar een zaak van alle Rotterdammers. Vanuit die overtuiging organiseren wij met de Rotterdamse Dakendagen jaarlijks een laagdrempelig multidisciplinair architectuurfestival. Want om architectuur verbindend te laten werken moet het breed gedragen worden. De Rotterdamse Dakendagen vindt hierin haar weg: het draagvlak onder het brede publiek, architecten, gebouweigenaren en in Europa is groot. 

Het zou van grote waarde zijn – voor zowel het festival als voor de stad – als er vanuit de adviseurs over cultuur meer ruimte en waardering zou zijn voor het toegankelijk maken van architectuur. Zodat we de Rotterdamse ambities waar kunnen maken.

Want al meer dan twintig jaar zit het woord architectuur in elk verkooppraatje over Rotterdam. Reeds vele jaren propageert Rotterdam Festivals architectuur als één van haar vier stedelijke speerpunten en probeert dit vorm te geven met bijvoorbeeld een Rotterdam Architectuur Maand. 

Ook het International Advisory Board waaraan de gemeente drie jaar geleden advies vroeg over hoe Rotterdam haar positie als nationale en internationale culturele hotspot kan versterken, gaf de aanbeveling om architectuur als een belangrijk cultureel speerpunt te gebruiken. En daarbij juist de bewoners van de stad in te zetten om dit duurzaam te ontwikkelen.

Twee jaar geleden voegde de gemeente de daad bij deze woorden: in het regioprofiel, dat zij dat op verzoek van de Minister van Cultuur opstelde, schreef ze dat Rotterdam zich profileert als dé architectuurstad van Nederland.

“Architectuur hoort bij de identiteit van Rotterdam, zoals haute couture bij Parijs. En niet enkel voor het vakpubliek”

Bovendien stelt de onlangs vernieuwde architectuurnota, die het architectuurbeleid vormgeeft, letterlijk dat architectuur “hoort bij de identiteit van Rotterdam, zoals haute couture bij Parijs”. Maar niet enkel voor een vakpubliek. Belangrijk is “het stimuleren van de publieke belangstelling voor architectuur en bewustwording rond de kwaliteit van de leefomgeving: Architectuur als zaak voor alle Rotterdammers.”

Ook in haar uitgangspuntennota voor de RRKC wijst de gemeente nog eens op de architectuurnota “gezien de speciale en toonaangevende positie die architectuur inneemt in Rotterdam” (p. 57).

Al met al een heldere beleidslijn als het gaat om de plek die architectuur moet innemen in het Rotterdamse culturele veld. Toch geeft de RRKC na een zorgvuldig proces, het advies om slechts 0,7 procent van al haar cultuurgelden aan architectuurgerelateerde instellingen uit te geven.

Drie maal zoveel afwijzing

De afgelopen vier jaar (in het Cultuurplan 2017-2020) kregen drie architectuurinstellingen samen 1,1 procent. Voor de komende periode werd er 2,1 procent aangevraagd door deze drie instellingen, samen met drie nieuwe.1 Het advies kent dus 0,7 procent van het totaal toe aan architectuur.

Er is maar één instelling (AIR) die een volledig positief advies kreeg. Voor twee aanvragers (AFFR en OMI) is ongeveer de helft van het aangevraagde bedrag geadviseerd en drie instellingen (IABR, Independent School for the City en de Rotterdamse Dakendagen) hebben een negatief advies gekregen. Als de stad het advies volgt, wordt slechts 34 procent van de aangevraagde bedragen voor architectuur gehonoreerd. Daar waar voor alle andere instellingen gemiddeld 80 procent positief is geadviseerd.

Is het zo slecht gesteld met de plannen van de architectuurinstellingen dat meer dan driemaal zoveel (66 procent in plaats van 20 procent) afwijzing gerechtvaardigd is?

Tijdens de presentatie van het advies op 17 juni dit jaar, werd de vraag gesteld hoe de RRKC aankijkt tegen de brede ontwikkeling van architectuur in Rotterdam. De voorzitter antwoordde:2 “Rotterdam is een architectuurstad. Maar we hebben dit jaar geen nieuwe aanvragen gezien voor architectuur ”. Terwijl er wel degelijk drie nieuwe aanvragers waren. Hij voegde eraan toe dat hij het een gemis vindt dat Het Nieuwe Instituut “de rol als motor van de architectuur in Rotterdam niet oppakt”.

Kortom: de voorzitter van de RRKC had de feiten over de aanvragers niet op een rijtje en zette zijn hoop op een landelijk instituut (geen “architectuurmuseum”, zoals hij het noemde) dat geen lokale verbinding met de stad als opdracht heeft. In plaats van de kwaliteit die er lokaal is te waarderen en te stimuleren.

Weinig oogst?

Dat je een negatief advies kan krijgen is ‘all-in-the-game’, maar je verwacht een zorgvuldige motivatie. Vanuit de Rotterdamse Dakendagen keken wij raar op van deze zin in ons advies: “er wordt veel gezaaid, maar weinig geoogst”. Wij hebben als doel, geheel overeenkomstig de architectuurnota, om de publieke belangstelling voor het gebruik van daken en de stad te stimuleren. Met volop positieve aanwezigheid in de stad, 22.000 bezoekers op de daken, een kennisdag met vele internationale sprekers, verankering in een Europees netwerk, 80.000 websitebezoekers en een mediabereik van 27,2 miljoen personen vragen wij ons af welke oogst de RRKC dan nog meer had willen zien? 

De meer dan 65 daken, 150 medewerkers en even zoveel samenwerkingspartners van de Dakendagen zijn niet alleen goud waard in het kader van het culturele speerpunt Interconnectiviteit, maar dragen gezamenlijk bij aan die architectuurstad. De RRKC stelt echter dat wij “te afhankelijk zijn van derden”, zonder te duiden waar die afhankelijkheid dan uit bestaat. 

Data uit publieksonderzoek (van onder andere Rotterdam Festivals en het VSB-fonds) laat zien dat wij, zeker voor een architectuurinstelling, een zeer divers publiek bereiken en veel bezoekers ontvangen voor wie cultuur niet gebruikelijk is (40 procent). Toch stelt de RRKC in haar advies dat wij voornamelijk een hoog opgeleid en weinig divers publiek bereiken.

Om onze kwaliteit te verbeteren adviseert de Raad ons onder andere “om meer in te zetten op kennisontwikkeling in relatie met energietransitie”. Kennisontwikkeling kan altijd meer en dat vinden ook wij belangrijk. Maar dit is een particuliere mening, wij hebben de visie dat daken in de verdichte stad juist minder gebruikt moeten worden voor bijvoorbeeld zonnepanelen, en meer als nieuwe leefruimte voor bewoners van de stad.

De RRKC merkt verder op dat onze “aandacht voor de discipline architectuur zich beperkt tot de beleving en de presentatie van mogelijke vormen van gebruik van de ruimte die daken bieden.” Terwijl dat precies de kern is van wat wij willen doen. Dit toont dat de RRKC zich in haar beoordeling beperkt tot de discipline architectuur an sich. Naast onze aandacht voor deze discipline tonen wij ook veel theater, dans, muziek, beeldende kunst, film, en letteren op de daken en hebben we een sociaal programma. Er wordt niet buiten het hokje beoordeeld en culturele breedte wordt niet als kwaliteit gezien.

Onjuistheden

Kwaliteit is lastig te meten, maar de RRKC lijkt in haar adviezen, zoals hierboven geschetst, een particuliere mening te hebben over wat een instelling zou moeten zijn, en zelfs zou moeten doen. De RRKC moet zich buigen over de kwaliteit van een aanvraag in relatie tot de gehele cultuursector, deze toetsen aan gemeentelijk beleid, en geen meningen willen ventileren. Zoals de voorzitter die (hij zei het er zelf bij) ‘buiten zijn boekje ging’ met zijn opmerking over Het Nieuwe Instituut. 

Want het beoordelen van de aanvragen is een heel ingewikkeld proces, waarin van de RRKC een grote mate van zorgvuldigheid gevraagd wordt. Juist omdat het proces het niet toelaat om zinnen uit het advies die onjuist zijn, te weerleggen. Alleen de cijfermatige informatie mag worden gecorrigeerd, terwijl er nauwelijks cijfers in de adviezen staan.

Zoals vele instellingen hebben ook wij, na het lezen van het conceptadvies, op meerdere punten bij de RRKC aangegeven wat feitelijk niet klopt. Maar zoals George Brugmans van het IABR in het NRC stelde: ‘de RRKC kan zeggen dat het regent terwijl de zon schijnt, en je kunt het niet weerleggen’. En zo eindigen er adviezen met, in de ogen van de instellingen over wie het gaat, onjuistheden op het bureau van de ambtenaren die hiermee verder moeten.

Gezond architectuurklimaat

Vers Beton – Laura Liza – Cultuurplan

Lees meer

De cultuursector op de schop? Vijf vragen over de Rotterdamse Culturele Basis

Acht kunstinstellingen vormen samen de ‘culturele basis’ van Rotterdam. Wat houdt dit in?

Met enkel roepen dat je een architectuurstad bent, ben je het nog niet: daarvoor is onder andere steun nodig vanuit het Cultuurplan. Nu er in het nieuwe cultuurplan een Rotterdamse Culturele Basis is geïntroduceerd: zou het niet logischer zijn om de disciplines die je als stad gewaarborgd wil hebben, in die basis op te nemen? In plaats van te selecteren op grootte en anciënniteit van de instellingen. 

Als we architectuur in Rotterdam belangrijk vinden zou je een positief geadviseerde en verbindend werkende instelling als AIR in de Culturele Basis kunnen opnemen, of in de toekomst wellicht een Rotterdam Architectuur Maand.

Een gezond architectuurklimaat bestaat dankzij een onderling versterkend netwerk van veel en diverse partijen, zoals beschreven is in de gemeentelijke architectuurnota. Dit moet binnen de gemeente niet alleen geborgd zijn in bijvoorbeeld Stadsontwikkeling, maar zeker ook binnen Cultuur. De verschillende afdelingen hebben niet voor niets de architectuurnota samen geschreven.

Er zijn inmiddels zes partijen die elkaar aanvullen en versterken om samen dit culturele architectuurklimaat te vormen. Het AFFR is een lokaal voelend maar internationaal aansprekend podium voor films over stad en architectuur. AIR wordt geroemd als toonbeeld voor de sector en agendeert de relevante thema’s met een grote diversiteit aan stedelijke partners. Het IABR zit bovenop urgente duurzame ontwikkeling met hoogwaardige en internationaal gerenommeerde projecten. De Independent School for the City bruist van de inhoudelijke energie en gebruikt Rotterdam als levende proeftuin. OMI heeft een eigen plek voor stadscultuur en organiseert ook de Dag van de Architectuur en ZigZagCity. De Rotterdamse Dakendagen enthousiasmeert een groot publiek over de gelaagde stad, dat normaal niet nadenkt over stedelijke structuren. 

Samen vormen wij een stevige basis om de Rotterdamse ambitie als dé architectuurstad van Nederland duurzaam waar te maken. 

Als we echt een architectuur cultuur willen hebben in deze stad, stel ik voor hoger in te zetten dan 0,7 procent. Maar dat is, net als dat van de RRKC, slechts een advies.

De gemeente is nu aan zet.

18-Dakenboek-©Ossip

Lees meer

Voortbouwen op de schouders van reuzen: het Rotterdamse daklandschap als tegengif voor ongelijkheid

Juist onze daken kunnen ruim baan geven aan een evenwichtige en inclusieve stad.

Deze banner kun je wegklikken, maar....

..je kunt ook supporter worden! Vers Beton kan alleen bestaan dankzij een bijdrage van lezers. Vanaf 6 euro per maand maak jij onafhankelijke journalistiek in Rotterdam mogelijk.

Nee, ik lees eerst het stuk verder

  1. Het IABR, AIR en het AFFR zaten reeds in het cultuurplan. OMI, Independent School for the City en de Rotterdamse Dakendagen zijn nieuwe aanvragers. ↩︎
  2. Bekijk hier het antwoord van de voorzitter van de RRKC vanaf 54:00. ↩︎
  3. In het essay Speeltuinen voor de verbeelding, een essay over daken ter gelegenheid van de Rotterdamse Dakendagen 2019 behandelt auteur Sereh Mandias de rol van het dak in het oeuvre van Le Corbusier. ↩︎
  4. Het jaarverslag 2018 van de Commissie Welstand en Monumenten Rotterdam is hier te downloaden. ↩︎
  5. Halfway between the gutter and the stars is de titel van het album dat producer Fatboy Slim uitbracht in november 2000 bij Skint Records. ↩︎
  6. De toekomst van het Schieblock is in mei 2020 aangeboden aan de Rotterdamse gemeenteraad in het kader van de besluitvorming Schiekadeblok. ↩︎
  7. Een diepgaande analyse van hoe het verkeer onze publieke ruimte heeft overgenomen is beschreven in het onlangs uitgekomen boek Het recht van de snelste van Thalia Verkade en Marco te Brömmelstroet. ↩︎
  8. World of Wonder is als onderdeel van de tentoonstelling Uit je Dak – The Heerlen Rooftop Project vanaf 16 juni 2020 te bezichtigen in Schunck. ↩︎
0

Léon van Geest

Léon van Geest is directeur van de Rotterdamse Dakendagen en moderator in de stad op het gebied van culturele en stedenbouwkundige ontwikkelingen.

Profiel-pagina
michael van kekem portret

Michael van Kekem

Illustrator

Michael van Kekem (1985) werkt als illustratief ontwerper en printmaker. Zijn werk bestaat uit het maken en creëren van redactionele illustraties, boeken, huisstijlen, artwork voor animaties, prints en producten zoals Very Manly Pins. Zeefdruk, digitale en handgetekende elementen zijn belangrijke aspecten in zijn werk.

Profiel-pagina
Nog geen reacties

Om te reageren moet je ingelogd zijn. Inloggen kan je hier. Als je nog geen account hebt meld je nu aan als supporter of maak hier een gratis reageerdersaccount aan.