Voor de harddenkende Rotterdammer
_FFH6167
Beeld door: beeld: Frank Hanswijk

Terwijl steigerbouwers de laatste hand leggen aan het geraamte dat als decor dient voor de voorstelling van Fokka Deelen en Bas Kortmann, inspecteren de twee intussen de stellage. Binnen enkele dagen is hier de eerste voorstelling van hun show Het sprookje van Prins Alexander. Terwijl ze langs de stalen steigerconstructie lopen, vertellen Kortmann en Deelen uitgebreid over hun twintig jaar als interactief theatermakers in Rotterdam, de verschillen tussen theatermaken met de wijk in Rotterdam Noord en in Prins Alexander en hoe Het sprookje van Prins Alexander tot stand kwam.

Waarom een waterpaviljoen in Oosterflank?

Deelen: “We werken al langer in deze wijk. Een paar jaar geleden zijn we door een cultuurscout benaderd die ons werk had gezien. Zij had aan de bel getrokken omdat mensen zich in deze wijk onveilig voelden en er weinig te doen was. We willen de bewoners laten begrijpen waar ze wonen en ze nog meer betrekken bij hun omgeving. Als er één universeel thema is waar ze hier allemaal te maken mee hebben, is het dat ze allemaal zes meter onder het NAP1 leven, onder zeeniveau dus.”

Het idee om iets met het NAP te doen resulteerde bij Powerboat in hun eigen interpretatie van Het sprookje van Prins Alexander. Hierin speelt Deelen de rol van de koningin, en acteur Mathieu Wijdeven speelt Prins Alexander. De koningin staat tijdens de voorstelling in het waterpaviljoen, in een bak waarin een zes meter hoge waterval stort en water rondgepompt wordt. De koningin wil – ondanks de dreigende zeespiegelstijging – niet vertrekken uit de wijk. De jongere prins kiest liever eieren voor zijn geld en wil vertrekken. 

Maar dat is het tweede deel van de voorstelling. Voorafgaand worden bezoekers langs drie verschillende locaties naar het Semiramispark geleid. Onderweg worden de hoofdpersonen van het sprookje geïntroduceerd, afgewisseld met interviews met buurtbewoners van Oosterflank, door journaliste en auteur Dore van Duivenbode. 

_FFH6377
Beeld door: beeld: Frank Hanswijk

Het klinkt wellicht gek: theatermakers die worden ingeschakeld om sociale cohesie te bevorderen. Voor Deelen en Kortmann is dat helemaal niet vreemd. Sinds hun eerste voorstelling een kleine twintig jaar geleden staat interactie met het publiek centraal. “Het uitgangspunt is altijd geweest om een dialoog te starten. Bovendien hebben we met ons werk nooit een eenduidig doel. We proberen altijd meerdere vliegen in een klap te slaan”, vertelt Deelen. 

Hoe is dat ooit begonnen?

Kortmann: “In 1998 studeerde ik op de Design Acadamy in Eindhoven en Fokka was net afgestudeerd aan de Academie voor Drama. De studenten van die twee studies gingen veel met elkaar om. Maar in de tijd dat wij daar studeerden hebben we elkaar nooit ontmoet. Onze ontmoeting vond plaats omdat Marcel Pot, een van mijn klasgenoten, een theatervoorstelling wilde maken. Dat was binnen de Design Academy best bijzonder. Marcel had eerder met Fokka gewerkt en vroeg haar erbij. De voorstelling vond plaats in een oud schoolgebouw in Eindhoven waar geen tribune was. Daarom had Marcel wielen onder oude banken geschroefd. Bezoekers konden dan zelf bepalen waar ze gingen zitten.”

Kortmann en Deelen werden verliefd op elkaar. Toen ook Kortmann afstudeerde, verhuisde hij naar Rotterdam, waar Deelen al woonde, om zijn ontwerpbureau op te zetten. Tegelijk bleef bij Deelen het idee van interactief theater maken in haar hoofd spoken, aangewakkerd door het theaterstuk met banken op wielen. “Tijdens het laatste jaar van mijn studie was ik bezig met het doorbreken van de vierde wand2. We mochten wel vragen stellen aan het publiek, maar we verwachtten geen antwoord. Ik vond dat raar. Ik mocht wel een dialoog starten maar het mocht geen dialoog worden.”

_FFH6204
Beeld door: beeld: Frank Hanswijk

Hoe kwam het dat jullie design en theater gingen combineren?

Kortmann: “In 2001 was Rotterdam Culturele Hoofdstad van Europa. Opeens was er vanalles mogelijk in de stad. Fokka wilde heel graag zoiets maken als ze met Marcel had gedaan, maar dan met meer dialoog. Bij Lantarenvenster had je toentertijd nog een werkplaats. We hebben ons daar toen twee dagen opgesloten om tot een idee te komen.” 

In die werkruimte van Lantarenvenster kwamen volgens Kortmann de beeldende kant en het theater samen. “Met beeld kun je dingen uitlokken bij het publiek. Door het ontwerp van de ruimte kun je mensen triggeren iets te doen.”

In Lantarenvenster probeerde het duo dit te doen door de ‘speelrichting’ te wijzigen, waardoor mensen door de hele zaal liepen. “Op een gegeven moment wisten ze niet meer waar de uitgang was”, vertelt Kortmann. Maar deze interactieve manier van theater maken, brengt ook een nadeel met zich mee, zo ontdekten de twee. “We konden maar dertig mensen in het publiek zetten. Daar kun je niet eens de zaalwacht en technici van betalen”, aldus Kortmann. 

Toch speelde het kersverse Powerboat-collectief in de jaren die volgden voorstellingen in heel Rotterdam. Van Tent aan de Witte de Withstraat, tot in het oude bioscoopgebouw Odeon in het Oude Westen en later ook in het voormalige Las Palmas-gebouw aan de Wilhelminapier.  

Wat hebben jullie geleerd in die jaren?

Kortmann: “Een van de dingen die we leerden was dat we mensen niet meer dan een aantal minuten op een vaste plek moesten laten zitten. Dan word je namelijk passief. Ook is het zo dat we mensen die in groepen of duo’s kwamen, uit elkaar haalden omdat zij anders met elkaar bezig blijven in plaats van met de voorstelling. Een van de belangrijkste dingen was dat we altijd doen alsof de verantwoordelijkheid bij het publiek ligt. Zij moeten bedenken: nu gaan we meedoen. Als het dan misgaat, is het publiek daar ook verantwoordelijk voor.”

Dat gebeurde bijvoorbeeld bij de voorstelling ‘Ruis’ uit 2004 die zich op een hele verdieping van het Las Palmas-gebouw afspeelde. Ruis zette vraagtekens bij de menselijke wens tot zuiverheid en liet het publiek in een nagenoeg lege zaal rondlopen. Als de zaal volliep, reageerden geluidssensoren hierop door harde geluiden te laten horen. “Dat werd drukker en drukker tot er een soort Hitler-achtige figuur zuiverheid predikte, daar gingen mensen zich ongemakkelijk over voelen. We wilden laten zien dat de wereld een beetje messy is en mensen juist ruis veroorzaken, maar dat dit niet erg is”, vertelt Kortmann.

Van 2005 tot 2008 ontving Powerboat structureel subsidie van de gemeente Rotterdam en waren ze gevestigd in theaterverzamelgebouw De Banier in de Banierstraat in Noord. Ze speelden in die tijd veel op festivals voor jonge makers, waar ze zich na een aantal jaar niet meer geheel op hun plek voelden. “We waren niet meer die jonge makers”, legt Deelen uit. Toen in 2008 de kredietcrisis begon, viel de subsidie weg en was er minder werk. “Festivals en theaters hadden minder geld”, verklaart Kortmann.

_FFH6154
Beeld door: beeld: Frank Hanswijk

Wat werd toen jullie plan, toen theaters en festivals minder geld hadden?

“Ik merkte dat ik niet per se theater wilde maken”, vertelt Deelen. “Het gaat mij erom wat we willen bereiken. In het begin kon dat met theater omdat die mogelijkheid er was.” Kortmann: “Toen kwam cultuurscout Sanne Landsdaal langs met de vraag of we ons niet wilde inzetten om een cultuurnetwerk op te zetten in Rotterdam-Noord. Dat was onze eerste ervaring met het inzetten van onze werkmethode in de wijk.”

Tegelijkertijd werd Kortmann voor een ander project als mantelzorger gekoppeld aan een moeder in Zevenkamp met een spastische zoon. “Zij waren daar naartoe verhuisd om meer ruimte te hebben voor de zoon.” Maar eenmaal daar vonden de moeder en zoon “geen aansluiting met de buurt”, vertelt Kortmann. Daarom besloot hij een buurtfestival te organiseren om de wijk met elkaar in contact te brengen. “Het programma bestond uit dingen die bewoners zelf moesten doen. Er was een optreden van ukelele-spelers, maar het was de bedoeling dat bezoekers mee gingen doen. Bovendien hadden bewoners zelf eten gekookt en meegenomen.” 

Hoe vervlechten jullie het theatermaken dan met werken aan sociale cohesie in de wijk?

Kortmann: “Normaalgesproken maak je een voorstelling in een repetitieruimte, maar daar is geen publiek bij. Bij een interactieve voorstelling heb je publiek nodig, alleen die komen niet kijken naar een voorstelling die nog niet af is. Daarom organiseerden wij powerlabs: avonden tijdens het maakproces waarin we zo’n dertig man lieten komen om feedback te geven in ruil voor een maaltijd. 

“Gewoon proberen en kijken of je aannames kloppen. Daardoor kwamen we heel veel te weten van het publiek. Zo zijn we het in Oosterflank ook gaan doen toen we door een cultuurscout gevraagd waren of we ook daar aan het werk wilden om de sociale cohesie te vergroten.” Toch was dat lastig, meent Deelen. Het cultuuraanbod in het stedelijke Rotterdam-Noord is anders dan in Oosterflank.

“Als wij hier in de wijk vertelden dat wij kunstenaars waren, schrokken we de mensen af. Ze dachten dat we een stel subsidievreters waren”

Hoe zorgde je voor interactie met bewoners in de Oosterflank?

Deelen: “Aan het begin zagen we ze gewoon niet. Er zijn heel weinig mensen op straat. Mensen gaan hier ’s ochtend vroeg werken, komen thuis en gaan slapen. Het is heel anders dan in Noord. We wilden ons richten op de buitenruimte, waar mensen elkaar zouden kunnen ontmoeten. Mensen vonden dat er weinig te doen was.” 

Ook merkte ze dat bewoners van de Oosterflank misschien andere wensen hebben als het op cultuur aankomt dan mensen uit Rotterdam-Noord. “Toen wij hier begonnen zeiden de welzijnsorganisaties: als wij iets organiseren, komen de mensen niet. Waarom zouden we dan nog een eenmalig festival organiseren?”

Kortmann vervolgt: “Als wij in de wijk vertelden dat wij kunstenaars waren, schrokken we de mensen af. Ze dachten dat we een stel subsidievreters waren. Terwijl, als wij zeiden dat we sport kwamen doen, was het allemaal prima”, vertelt hij. “We besefte dat we niet hetzelfde konden doen als in Noord omdat mensen hier ook om andere redenen kwamen wonen en er andere faciliteiten zijn”, aldus Deelen.

Zo concluderen Kortmann en Deelen al snel dat één evenement per jaar te weinig is “om de groep bewoners actief bij elkaar te houden”. Er moeten meerdere evenementen komen voor mensen van alle leeftijden in de wijk. “Mensen zien elkaar niet en de ouders die alleen thuiszitten wilden we er ook bij betrekken”, vertelt Deelen.

En dus kwamen ze uit bij de ‘Olympische Speeltuin Spelen’, waarbij jong en oud samen kon sporten in de gemeenschappelijke speeltuinen van de wijk. Op die manier kwamen verschillende generaties met elkaar in contact. Toch was ook hier theater in verwerkt: Deelen speelde tijdens de speeltuinspelen de rol van Nikè, de Griekse god van de overwinning.

_FFH6371
Beeld door: beeld: Frank Hanswijk

Uit hun activiteiten in de wijk, ontstond de wens om iets te doen met migratie in de wijk. “Toen deze wijk hier veertig jaar geleden werd gebouwd, kwamen er veel jonge gezinnen wonen. Nu zie je dat er veel vergrijzing is, omdat jonge mensen wegtrekken.” Met migratie als vertrekpunt kwamen ze uit bij ‘Het sprookje van prins Alexander’, dat over de dreigende zeespiegelstijging gaat. “Dat zorgt ook voor mogelijke migratie. Moeten we vluchten voor, of vechten tegen het water”, aldus Kortmann.

En hoe is het om interactie te creëren met de huidige coronamaatregelen?

“Dat was wel een dingetje”, vertelt Kortmann. “Normaal laten we mensen vaak vrij rondlopen maar dat is nu niet mogelijk.” Deelen: “We werken nu met richtingen. De mensen worden via een route naar het park geleid. Hier worden ze op anderhalve meter van elkaar op een krukje gezet.”

Het paviljoen is van 23 september tot en met 23 oktober 2020 te bezoeken in de Semiramistuin in Oosterflank. De voorstelling Het sprookje van Prins Alexander is tot en met 17 oktober op donderdag, vrijdag en zaterdag te zien, drie keer per avond. Meer info: www.noa-pavilion.com

Beluister hier de audiotour bij de voorstelling:

Deze banner kun je wegklikken, maar....

..je kunt ook supporter worden! Vers Beton kan alleen bestaan dankzij een bijdrage van lezers. Vanaf 6 euro per maand maak jij onafhankelijke journalistiek in Rotterdam mogelijk.

Nee, ik lees eerst het stuk verder

  1.  NAP staat voor Normaal Amsterdams Peil en verwijst oorspronkelijk naar het gemiddelde zomervloedpeil van de rivier het IJ. Tegenwoordig wordt NAP gelijkgesteld aan het gemiddeld zeeniveau. ↩︎
  2. De eerste drie wanden zijn de zijkanten en de achterkant van het toneel, met de vierde wand wordt in de theaterwereld de denkbeeldige scheiding tussen het publiek en het podium bedoeld. ↩︎
IMG_2371

Joost Baumgardt

Joost Baumgardt (1995) woont in Rotterdam-West en werkt als freelance journalist voor onder andere het AD Rotterdams Dagblad en NRC. Hij maakt daarnaast tekeningen van krijt. Als hij niet met verhalen bezig is, luistert hij muziek of rijdt hij op zijn skateboard door de stad.

Profiel-pagina
frank hanswijk

Frank Hanswijk

Fotograaf

Frank Hanswijk (Rotterdam, 1971) is een Rotterdamse fotograaf. Hij ontwikkelde zich breed met werk in journalistiek, reclame, theater en architectuur. De laatste jaren concentreert zijn werk zich steeds meer op architectuur en landschap. Hij benadert de architectuur niet als object maar als plek waarin de mens, al dan niet op de foto aanwezig, een cruciale rol speelt.

Profiel-pagina
Nog geen reacties

Om te reageren moet je ingelogd zijn. Inloggen kan je hier. Als je nog geen account hebt meld je nu aan als supporter of maak hier een gratis reageerdersaccount aan.