Voor de harddenkende Rotterdammer
Vers Beton – Nora Mabrouki – vd Vorm – Header-Artikel 2 – 2020
Beeld door: beeld: Nora Mabrouki

1890: Willem van der Vorm loopt naar Rotterdam

“Wie met ons in zee gaat, krijgt ons erbij.” Dat zei Wim Pijbes nadat hij in 2017 was aangetreden als directeur van de filantropische Stichting Droom en Daad. Het had ook een uitspraak kunnen zijn van havenbaron Willem van der Vorm (1873-1957), wiens familiefortuin de stichting nu uitgeeft. Hij kwam in 1890 als zoon van een vlasboer vanaf het platteland naar de stad en maakte fortuin. Als filantroop had hij invloed op het sociale en culturele leven in Rotterdam. En: als Van der Vorm geld gaf, eiste hij een plek aan tafel.

De jonge Willem van der Vorm begon, net als zijn broer Nico, als loopjongen in de stad. Elke dag liep hij bovendien heen en weer tussen IJsselmonde, waar hij woonde, en de Willemskade, toen nog het epicentrum van de havenhandel. Willem volgde een opleiding tot boekhouder en trad in dienst als inspecteur van de American Petroleum Company (APC), de voorloper van Esso. Toen in 1896 de Scheepvaart en Steenkolen Maatschappij (SSM) werd opgericht als dochtermaatschappij van APC, stapte hij over.

Door zijn werk in de overslag van steenkool kwam Van der Vorm in het vaarwater van Daniël George Van Beuningen (1877-1955), directeur van de Steenkolen Handelsvereniging (SHV), eveneens in 1896 opgericht. Waar SSM een monopolie had op kool uit de Britse mijnen, had SHV die op Duitse kolen. In 1905 werd Van der Vorm, op 32-jarige leeftijd, directeur van de SSM.

Foxterriër op een kussen

Steenkool was de letterlijke brandstof van de industriële revolutie, en daarmee van de groei van Rotterdam. Waar de koopmansstad tot halverwege de negentiende eeuw nog werd bestuurd door havenbaronnen, veranderde het gezicht van de Rotterdamse elite met de groei van de ‘Transitopolis’. Hier werden de goederen niet langer gestapeld en ter plekke verhandeld, maar werd het geld verdiend met de overslag1 van bulk- en stukgoed.

De eerste vreemde eend in de bestuurlijke bijt vol baronnen was de Joodse en grofgebekte Lodewijk Pincoffs, die het initiatief nam om havens aan te leggen op Rotterdam-Zuid. Langzaam maar zeker werd de groep die invloed had op de stad diverser: stuwadoor Peter Thomsen kwam uit Denemarken, theaterman Abraham Tuschinski uit Polen, en Van Beuningen uit Utrecht. Als boerenzoon uit IJsselmonde paste Van der Vorm naadloos in dat rijtje.

Van der Vorm en Van Beuningen behoorden tot de ‘fantasiejongens’, een benaming die K.P. van der Mandele (1880-1975, hield zich als bankier tot in de jaren zestig bezig met “het goede en het schone”) gebruikte voor een groep jonge ondernemers in de haven. Zij gebruikten de nieuwste ontwikkelingen op industrie- en transportgebied om hun bedrijven snel uit te breiden. Anders dan de traditionele havenbaronnen hadden ze geen adellijke titel. Ook hielden ze het niet bij hun eigen bedrijf. De fantasiejongens investeerden in andere bedrijven om hun eigen marktpositie te versterken. 

Toch was het woord havenbaron ook aan hen besteed. Neem Van der Vorm, die aandeelhoudersvergaderingen voorzat in bijzijn van zijn hond. De foxterriër, bij uitstek het hondje van de Engelse land-adel, zat op een kussentje aan zijn linkerhand. Het was hierom, maar ook vanwege zijn talrijke Britse connecties en aristocratische voorkomen, dat hij in het Rotterdamse zakenleven ‘Sir William’ werd genoemd.2

Calvinistische inslag

Met de komst van de fantasiejongens veranderde ook de schaal waarop liefdadigheid werd verricht. Tot het begin van de twintigste eeuw was de belangrijkste taak van de overheid handhaving van de wet. Zieken- en ouderenzorg waren veelal de taak van de kerk, maar ook gegoede burgers namen zorg- en onderwijstaken op zich. Deze vorm van filantropie was vooral liefdadigheid: kleinschalige projecten en tijdelijke verlichting van armoede. 

Die schaal veranderde door de industriële revolutie. Vooral in Amerika wilden industriëlen als Rockefeller en Carnegie bijdragen aan grootschalige projecten met een seculiere grondslag, die een algemene ontwikkeling van de massa beoogden. Filantropie was niet langer liefdadigheid, maar een kapitalistische venture, die zich bezighield met sociale en culturele verbetering.

In Nederland kwam het in die tijd nog niet zo ver. Dat had wellicht te maken met onze meer calvinistische inslag, waarbij de linkerhand niet mocht zien wat de rechterhand gaf – laat staan dat je je naam prominent leende aan een project. Maar belangrijker was dat private inmenging in publieke projecten hier bescheidener was dan in de VS. De publieke zaak werd hier, bijvoorbeeld door de Schoolwet van 1806 en de Woningwet van 1901, al vroeg een staatszaak.

Orde en veiligheid

Toch bestonden ze wel, de moderne projectfilantropen. Denk bijvoorbeeld aan het tuindorp Agnetapark in Delft dat de industrieel Van Marken van de Koninklijke Nederlandsche Gist- en Spiritusfabriek eind negentiende eeuw neerzette voor zijn arbeiders. Of het complex aan voorzieningen dat Philips in Eindhoven oprichtte: van een woonwijk en scholen tot een eigen voetbalclub met stadion. Van Marken en Philips deden dat niet alleen uit liefde voor de arbeider. Ze hadden er belang bij dat de mensen die voor hen werkten gezond en uitgerust waren. Bovendien waren tevreden arbeiders minder snel geneigd te staken: fabrikanten namen dus ook de socialisten de wind uit de zeilen door te voorzien in basisbehoeften.

Ook Amsterdam had een elite die rijk was geworden dankzij de haven. Naast een minimaal sociaal vangnet aan armen- en ziekenzorg, hadden de hoofdstedelijke havenbaronnen belang bij de stad als visitekaartje. Arts en broodfabrikant Samuel Sarphati bijvoorbeeld, over wie kunsthistoricus en venture philanthropist3 Wim Pijbes in NRC schreef: “Met bravoure en gevoel voor grandeur stuwde Sarphati het slaperige Amsterdam van zijn tijd op tot een waardige hoofdstad. Voor de armen stichtte hij een broodfabriek, voor de rijken het Amstelhotel.” Het mooier maken van de stad resulteerde in wat in het Engels ‘civic pride’ heet: trots zijn op je stad, met name op hetgeen jij voor de stad hebt bereikt.

Goed wonen

Een andere weldoener in de hoofdstad was Floor Wibaut. Hij bouwde zijn kapitaal op als houthandelaar en wilde ongelijkheid en misstanden systematisch aanpakken. Hij stond een sociaal soort liberalisme voor en werd eind negentiende eeuw lid van de Sociaal Democratische Arbeiderspartij (SDAP). Als lid van de Amsterdamse gemeenteraad, en later ook als wethouder, pleitte Wibaut vanaf 1906 voor de bouw van betaalbare woningen en een vroege vorm van huursubsidie.

In tegenstelling tot de radicalere elite in Amsterdam, met Wibaut als vaandeldrager, bleef Rotterdam vasthouden aan klassieke liberale idealen: de overheid is er vooral ter handhaving van de wet. Toen de eerste grote havenstaking in 1889 uit de hand was gelopen, sprak burgemeester Sjoerd Vening Meinesz: “Ik heb moeten optreden tot handhaving van orde en veiligheid, en heb mij daaraan strikt gehouden.4” Aan het ingrijpen in de oorzaak van de werk- en leefomstandigheden die tot de staking hadden geleid, wilde hij zich kortom niet wagen.

In schril contrast met Amsterdam, en pleidooien van de gemeentelijke Gezondheidscommissie ten spijt, was deze laissez-fairementaliteit tot in de twintigste eeuw ook de geldende visie op Volkswoningbouw.5 Het duurde lang voordat in Rotterdam de gesubsidieerde woningbouw voor de sterk groeiende bevolking op gang kwam. In 1909 richtte een aantal particulieren de NV Maatschappij voor Volkshuisvesting op en in 1913 de NV Tuindorp Vreewijk, die beide arbeiderswoningen bouwden op Zuid. Pas in 1922 werd het eerste gemeentelijke woningproject voltooid: het Justus van Effencomplex in Spangen.

1918: de kunst om erbij te horen

Temidden van die ontwikkelingen begon de jonge miljonair Willem van der Vorm met het verzamelen van kunst. Rond 1918 kocht hij zijn eerste werken naar eigen smaak: pastorale negentiende-eeuwse stukken van de Barbizon- en Haagse school. Steeds vaker liet hij zich echter adviseren door directeur van Museum Boymans,6 Dirk Hannema (1895-1984). Van der Vorm kocht daarom oude meesters met eeuwigheidswaarde, droeg bij aan museumaankopen en bood aan om aanvullende fondsen te werven. 

In haar boek Omstreden Verleden uit 2018 beschrijft biograaf Ariette Dekker hoe juist in deze tijd schenkers als Van der Vorm en zijn concullega Van Beuningen met open armen werden ontvangen bij Boymans. De economie was door de Eerste Wereldoorlog ingezakt, waardoor de kunstaankopen van de gemeente werden bevroren. Schenkers bundelden hun kapitaal, dat een andere ontwikkeling kende dan de conjunctuur van de Westerse economie. Dit gebeurde vooral op eigen initiatief, of met strikte bemiddeling van museumdirecteur Hannema. Van der Vorm gaf bijvoorbeeld niet aan doelen die ook “uit de gemeenteruif vraten”.7 Verleende hij wél steun, dan wilde hij invloed: een plek aan tafel.

Motieven en belangen

Naar de motieven voor die plek aan tafel is het bij filantropen vaak gissen. Er is de laag van de letterlijke betekenis van filantropie – liefde voor de mensheid. Maar daaronder lopen allerlei persoonlijke, financiële en maatschappelijke belangen door elkaar. Neem SHV-directeur Van Beuningen, die belangrijk was bij de bouw van Stadion Feijenoord. Zijn bemiddeling, schenkingen en leningen voor het stadion waren gul, maar tevens hij had een duidelijk belang bij het ontwikkelen van het stuk grond in Varkenoord waarop al een tijd lang werd gespeculeerd voor woningbouw. Bovendien had hij er baat bij dat veel van zijn werknemers op zondagmiddag niet in de kroeg zaten, maar in het stadion. 

Ook bij Van der Vorm liepen zakelijke en persoonlijke overwegingen door elkaar. Hij volgde vooral zijn eigen liefhebberijen – de schilderkunst en de paardensport – en zette zijn kapitaal en netwerk in om bij te dragen aan de bloei van deze twee takken in Rotterdam. Meer nog dan Van Beuningen had Van der Vorm bovendien baat bij het aanzien dat filantropie en mecenaat hem verschaften. Hij had zijn afkomst niet mee en zijn gereserveerdheid maakte hem niet gemakkelijk in de omgang – in tegenstelling tot de charmante en diplomatieke Van Beuningen. Beiden moesten en wilden hun plek in de Rotterdamse elite bevechten. In zijn boek Stad van Formaat (2000) stelt stadshistoricus Paul van de Laar dat het mecenaat daar bij uitstek geschikt voor was. 

Die dubbelzinnigheid in het zakelijke en persoonlijke blijkt bijvoorbeeld uit een briefwisseling van Van der Vorm met de gemeente Rotterdam. Hierin stelt hij voor de noodlijdende Holland Amerika Lijn over te nemen. Hij benadrukte hierbij dat hij het belang van het behoud van de HAL voor de stad Rotterdam voor ogen had. Dat is hem ontegenzeggelijk gelukt, maar voor een man wiens telegraafadres ‘Profit’ was, lijdt het geen twijfel dat Van der Vorm ook wist dat hij van HAL weer een winstgevende onderneming kon maken.

Dit eigenbelang botste wel eens met de civic pride of het verantwoordelijk burgerschap van het oude geld in Rotterdam. Guus Plate, telg uit een redersfamilie, schreef in 1943: “De leidende personen in de financiële wereld der vorige generatie – ik denk hierbij aan Hintzen, mijn vader (Antoine Plate, red.) en anderen – waren er scrupuleus op niet tegelijkertijd plaatsen in te nemen, waardoor ze voor moeilijkheden konden komen te staan tegenstrijdige belangen te dienen. Voor hen was dit een kwestie van publieke moraal. Bij de generatie Van Beuningen werd hierop veel minder gelet (…), zagen het soms als nuttig commissariaten en andere plaatsen, vanwaar ze invloed konden uitoefenen, te bezetten, welke volgens de oude opvatting niet door eenzelfde persoon bezet mochten worden.” 8

NL-HaNA_2.24.01.04_0_910-0069
Na de dood van Willem van der Vorm (1873-1957) werd zijn kunst tentoongesteld in zijn woonhuis aan de Westersingel. Beeld door: beeld: Herbert Behrens, Nationaal Archief / Anefo

Boymans-directeur Hannema had op zijn beurt belang bij het faciliteren van zijn mecenassen. Door hen te stimuleren tot de koop van oude meesters, verzekerde hij dat de stukken een plek kregen in Rotterdam. Helemaal in een periode van economische malaise was dat belangrijk: niet alleen het gemeentelijke budget was bevroren, ook de Rijksoverheid wilde niet bijdragen, bijvoorbeeld aan de aankoop van het schilderij de Emmaüsgangers. Deze vervalsing werd destijds niettemin gezien als tegenhanger van Rembrandts Nachtwacht. 

Ter waarborging van het “strikt partikuliere karakter” van aankopen door het mecenaat, werd in 1939 op initiatief van Van der Vorm de Stichting Museum Boymans opgericht. Naast de gemeentelijke Commissie van Toezicht was er nu een particulier curatorium, waarin “ambtelijk overwicht zou zijn uitgesloten”, zei Van der Vorm hier later over. 

Toch was Museum Boymans wel degelijk afhankelijk van de gemeente. Het nieuwe gebouw, dat in 1935 was afgerond, was tot stand gekomen dankzij een gift van Gerrit W. Burger aan de gemeente, die zij vrij mocht besteden aan een instituut dat de publieke zaak ten goede zou komen. Ondanks de rol van de gemeente werd het gebouw vooral gezien als icoon van een traditie van filantropie en mecenaat in Rotterdam, stelt socioloog Erik Hitters in zijn boek Patronen van Patronage (1996): “Men wilde in Rotterdam een cultureel monument, dat de nieuwe industriële status onderstreepte en de rijkdom van de schenkers met een eeuwenoud aureool van prestige omringde.”

1928: andere vormen van invloed

De jaren twintig en dertig stonden in het teken van de modernisering van de stad en de haven. Gemeentelijke diensten werden vernieuwd en werden actiever in het uitvoeren van landelijke wetgeving voor wonen en sociale zekerheid.

Tegelijkertijd werden semi-formele overlegorganen als de Kamer van Koophandel, de Scheepvaartvereniging Zuid (voor werkgevers) en de netwerkvereniging De Club Rotterdam steeds belangrijker om deals te sluiten, maar ook om afspraken te maken over de rol van ondernemers in het publieke domein. In haar boek over De Club Rotterdam (2008) noemt Ariette Dekker als reden voor die organen dat de elite met het invoeren van het algemeen kiesrecht (voor mannen in 1917, voor vrouwen in 1919) hun belangen niet genoeg meer vertegenwoordigd zag in zowel het stadsbestuur als in de landelijke politiek.

Maar dat doet niet helemaal recht aan de oprechte motieven van de stedelijke elite. Weldoeners hielden zich vanaf de jaren twintig steeds vaker bezig met structurele sociale verbeteringen, en begonnen daarmee in hun eigen bedrijf. Een voorbeeld van deze beweging is zichtbaar bij industrieel C.H. van der Leeuw (1890-1973), wiens Van Nelle-fabriek in 1928 werd voltooid. Door de nieuwste architectonische technieken was de fabriek licht, ruim en goed geventileerd: een grote verbetering ten opzichte van de ongezonde omstandigheden waarin de koffie, thee en tabak van Van Nelle tot dan toe werden verwerkt. 

Om het werk in het stukgoedbedrijf veiliger te maken volgde ook stuwadoor J. Ph. Backx (1903-1982) de nieuwste wetenschappelijke ontwikkelingen. Hij vond dat werkgevers daartoe een verantwoordelijkheid hadden en deinsde er niet voor terug de gevestigde orde streng toe te spreken. De havenbaronnen trokken zich volgens hem te weinig aan van de grote problemen van de jaren dertig, zoals oorlogsdreiging en werkloosheid. Hij pleitte voor een hervorming van salarissen en sociale zekerheden: “Gerechtigheid binnen het bestaand economische systeem realiseren (…), als het moet tegen dat systeem in.” 9

Backx zette zich ook in voor de modernisering van de havenstad door de oprichting van het Gemeentelijke Havenbedrijf in 1932.10 Het havenbedrijf was een gemeentelijke dienst die de taken voor de haven, voorheen bij verschillende departementen ondergebracht, bij elkaar moest brengen. Om de oprichting goed te laten verlopen, werd een ‘Commissie voor het Havenbedrijf’ opgericht. Hierin namen naast de burgemeester en de directeur van het Havenbedrijf tal van havendirecteuren plaats. En hoewel de commissie was bedoeld als tijdelijk orgaan bleef deze tot 1970 actief invloed uitoefenen op het gemeentelijk havenbeleid van Rotterdam.

Ook in de ontwikkeling van de stad werd het particuliere initiatief steeds beter verankerd. Zo hield De Kleine Commissie van De Club Rotterdam (waarvan ook Van der Mandele, Van der Leeuw en Backx lid waren) zich bezig met de vraag hoe de stad Rotterdam het visitekaartje kon worden van de haven. Ze kwamen samen in de theekoepel van de Van Nellefabriek, een plek waar ze zich na het bombardement van 14 mei 1940 bijvoorbeeld bezighielden met het wederopbouwplan.

Tegelijkertijd vond de filantropie zich opnieuw uit. Cargadoor Willem Burger richtte Stichting Volkskracht op. Na zijn overlijden in 1933 mocht zijn vermogen van zo’n 11 miljoen gulden beheerd en besteed worden aan ‘bevordering der volksontwikkeling’ in het algemeen. Oftewel: verbetering van onderwijs en woningtoestanden, aanleg en instandhouding van speelterreinen, en voor die tijd cruciaal: werkverschaffing aan werkwilligen. De stichting was uniek in die tijd. Nog afgezien van het astronomische budget wilde Burger in eerste instantie anoniem blijven. Hij liet optekenen dat het bestuur (waar bankier K.P. van der Mandele voorzitter van werd) volledige vrijheid had bij het initiëren van projecten en het honoreren van aanvragen.11

NL-HaNA_2.24.01.04_0_910-0073
Na de dood van Willem van der Vorm (1873-1957) werd zijn kunst tentoongesteld in zijn woonhuis aan de Westersingel. Beeld door: beeld: Herbert Behrens, Nationaal Archief / Anefo

1940: Van der Vorm tijdens de oorlog

Museum Boymans had een omstreden rol tijdens de oorlog. Van Beuningen kocht – zoals afgesproken met Van der Vorm en Hannema – een grote collectie prenten van de Duitse zakenman en kunsthandelaar Franz Koenigs. Maar in plaats van de hele collectie aan Museum Boymans te schenken, verkocht hij de meest waardevolle prenten door aan de Duitsers. Dit leidde tot woede bij Van der Vorm en Hannema, en Van Beuningen trok zich in 1941 geruisloos terug uit de Commissie van Toezicht van de Stichting Museum Boymans.

Directeur Hannema nam op zijn beurt op verzoek van NSB-leider Mussert plaats in het Secretarie van Staat – Musserts regering – als gemachtigde voor het museumwezen. Van der Vorm was verontwaardigd over het gedrag Van Beuningen en riep ook Hannema tot de orde om zijn rol binnen de NSB. Maar hij liet geruisloos passeren dat burgemeester Oud en twee wethouders in de Commissie van Toezicht van Museum Boymans werden vervangen door NSB-bestuurders.12

1948: de gemeente trekt de teugels aan

Na de oorlog werd de rol van de overheid binnen de Nederlandse samenleving steeds groter. Zo trok zij de teugels aan van de Rotterdamse kunstwereld. Directeur Hannema moest vanwege zijn positie in de oorlog plaatsmaken voor directeur Ebbinge Wubbens, met wie Van der Vorm regelmatig in de clinch lag over aankoopbeleid en de uitbreiding van het museum. Toch bleef hij tot 1956, een jaar voor zijn dood, lid van de Commissie van Toezicht van Museum Boymans. 

Ook elders in de stad bleef Van der Vorm lang actief. Een van de meer opmerkelijke doelen waar hij zich voor inzette was de wederopbouw van de tijdens de oorlog verwoeste Schotse Kerk aan de Schiedamsevest. Omdat een groot deel van de Britse steenkool werd gewonnen in Schotse kolenmijnen, is het aannemelijk dat hij de kerk bezocht met zijn Britse zakenrelaties.13

Bij de herbouw van de kerk in 1948 zette Van der Vorm zich in als fondsenwerver. Hij zegde zelf 2500 gulden toe en maande zijn zakelijke contacten hetzelfde te doen. De herbouw leidde tot een totaal van 193.583 gulden aan giften, waarvan het bedrag van 161.150 (83 procent) was opgehaald door Van der Vorm. Ter vergelijking: andere contacten van de kerk uit de wereld van de handel en scheepvaart wisten in totaal slechts 1760 gulden op te halen. 

De betrokkenheid bij de Schotse Kerk geeft tegelijkertijd een inkijkje in de problematische oorsprong van het fortuin van Van der Vorm. De steenkoolindustrie stond bekend als ongezond en levensgevaarlijk. De marge op steenkool was deels zo hoog omdat de lonen zo laag waren. Dit veranderde in 1940 toen de Britse mijnen staatseigendom werden en de arbeidsvoorwaarden voor de mijnwerkers verbeterden. Tegen die tijd had Van der Vorm zijn kansen al gespreid en kwam zijn winst vooral uit de andere bedrijven waar hij grootaandeelhouder was, zoals de Holland Amerika Lijn.

Nalatenschap

Van der Vorms levenslange collega-concurrent Van Beuningen overleed in 1955. In 1958 verkochten zijn nazaten diens kunstcollectie aan Museum Boymans, waarbij ook Van Beuningen aan de naam werd toegevoegd. Van der Vorm regelde het anders: op 12 juli 1956 liet hij in zijn testament opnemen dat zijn kunstverzameling na zijn overlijden in de Stichting Willem van der Vorm zou worden ondergebracht. De regenten hiervan waren Dirk Hannema, zijn neef W.N.H. (Willy) van der Vorm en zijn advocaat Mr. A. Loeff. 

Na Van der Vorms dood in 1957 werd zijn woonhuis aan de Westersingel, onder toeziend oog van het stichtingsbestuur, omgebouwd tot museum en al snel werd zijn collectie daar tentoongesteld. Bezoekers konden de collectie en zijn door Boymans-architect Van der Steur ingerichte werkkamer gratis bekijken. Door de aanleg van de metrolijn ging het huis begin jaren tachtig tegen de vlakte. Daarop werd de collectie in bruikleen gegeven aan Museum Boymans Van Beuningen.

NL-HaNA_2.24.01.04_0_910-0067
Na de dood van Willem van der Vorm (1873-1957) werd zijn kunst tentoongesteld in zijn woonhuis aan de Westersingel. Beeld door: beeld: Herbert Behrens, Nationaal Archief / Anefo

De jaren vijftig en zestig waren een tijd waarin particulier initiatief langzaam minder werd en de families van weleer nauwelijks meer invloed hadden in de stad. Het familiebedrijf van Van der Vorm bleef niettemin een unicum. Neef Willy van der Vorm, die ook in het bestuur van HAL zat, bleef tot zijn dood in 1963 regent van de Stichting Willem van der Vorm. Hij zette zich tevens in voor Scheepvaartvereniging Zuid, waar ook zijn oom actief was.

Na zijn overlijden nam zoon Nico zijn rol over in de HAL, maar hij was niet meer betrokken bij de stad. Halverwege de jaren zeventig verhuisde hij het hoofdkantoor naar New York. Hij en zijn gezin verhuisden mee, waarmee de familie Van der Vorm uit Rotterdam verdween. In 1989 verkocht hij de onderneming aan een Amerikaans bedrijf. Met de opbrengst van 1,2 miljard gulden begon hij samen met zijn zoon Martijn het bedrijf HAL Investments. 

1970: het einde der havenbaronnen

In februari 1969 publiceerde de Rotterdamse krant Het Vrije Volk onderdelen van een nieuw uitbreidingsplan voor de haven. ‘Plan 2000+’ moest de haven en omstreken klaarstomen voor een volgende fase van expansie, met havens op Voorne-Putten en een stad van 500 duizend inwoners op eiland Goeree.

Rotterdammers hadden het beleid van ‘eerst werken, dan wonen’ lange tijd geslikt, en ook de kranten waren nauwelijks kritisch op het stadsbestuur. Het artikel over het uitbreidingsplan verwoordde niettemin de sluimerende onvrede over woningnood, verpaupering in de oude wijken, luchtvervuiling en achterkamertjespolitiek. Die structurele problemen werden door het stadsbestuur slechts als nevenschade gezien van het economische succes van de stad. Verantwoordelijk burgemeester Thomassen was woedend dat Het Vrije Volk het beleid zo plotseling had laten vallen.

Het artikel had effect. In 1970 werd de Adviescommissie voor het Havenbedrijf opgeheven en in 1974 werd de klassieke bestuurder Thomassen opgevolgd door de joviale André van der Louw. Als burgemeester voelde hij feilloos aan wat de bevolking van Rotterdam wilde: een woning en schone lucht, maar ook inspraak, openheid en openbaarheid van bestuur. In de stad was geen plaats meer voor de paternalistische havenbaron.

Toenadering

Niet dat het toen helemaal afgelopen was met filantropen en private initiatieven. Fondsen als Volkskracht bleven hun werk doen, maar veranderden hun koers van sociale initiatieven naar projecten op cultureel vlak. Onder het bewind van burgemeester Bram Peper, die Van der Louw in 1982 opvolgde, kwam er langzaam weer ruimte voor meer private inmenging in het publieke domein. Projectontwikkelaars kregen bijvoorbeeld ruimte om op het Weena te bouwen, een gebied dat in het wederopbouwplan al bestemd was als zakendistrict met hoogbouw. Het college van Van der Louw had deze plek bewust links laten liggen, aangezien woningen belangrijker waren dan kantoren.

In de jaren tachtig werd, onder invloed van bezuinigingen en privatisering, weer heel voorzichtig naar de markt gekeken voor schenkingen aan kunst en cultuur. Burgemeester Peper vroeg Stichting Volkskracht bijvoorbeeld om tijdens een brainstormsessie in 1987, samen met wethouders, ambtenaren en burgers, doelen te formuleren voor de stad waaraan de stichting kon bijdragen. Vraag en aanbod waren alleen nog niet goed op elkaar afgestemd. Toen oud-wethouder Joop Linthorst probeerde ondernemers te interesseren voor kunst en cultuur in het initiatief Rotterdamse Kringen, was daarvoor weinig animo.

Begin jaren negentig concludeerde filantropiehoogleraar Theo Schuyt dat de aard van de filantropie in een kleine eeuw was veranderd. Waar voorheen vermogens vaak pas beschikbaar kwamen na de dood van de schenker, ontstond bij filantropen een steeds grotere behoefte om bij leven mee te bepalen hoe hun geld werd besteed.14

2008: De Warme Hand keert terug

Toen er tijdens de financiële crisis van 2008 weer flink bezuinigd moest worden op kunst en cultuur, wilde de gemeente wederom werk maken van het vermogen van gegoede Rotterdammers. De Rotterdamse Raad voor Kunst en Cultuur (RRKC) inventariseerde daarom namens de gemeente hoe instellingen beter een ingang konden vinden bij filantropen, maar ook hoe particuliere gevers konden bijdragen aan de stad. Dit leidde in 2009 tot het rapport De warme hand. Cultuurmecenaat in Rotterdam.

In het rapport signaleerde de RRKC dat de ‘Rotterdamse traditie van mecenaat’ niet meer bestond. Waar Boymans-directeur Hannema tussen de twee wereldoorlogen industriëlen wist te verleiden tot grote schenkingen, gedroegen instellingen zich begin eenentwintigste eeuw horkerig tegenover geldgevers. “Ze hebben nog geen art of asking ontwikkeld”, citeert het rapport een teleurgestelde mecenas. “Museumdirecties liggen permanent aan het subsidie-infuus en hebben in principe geld genoeg om niet aan te hoeven kloppen bij derden. Dit laatste vinden ze maar lastig en omslachtig.” En dat terwijl het aankloppen bij derden intussen dus wel noodzaak was geworden.

Argwaan

Bij het verschijnen van het RRKC-rapport had de gemeente in haar stoutste dromen niet kunnen voorzien welke vlucht de geefcultuur zou nemen. Die vlucht ontstond met name door de komst van de stichtingen die het kapitaal van de familie Van der Vorm beheren: De Verre Bergen sinds 2011 en Droom en Daad sinds 2016. 

Vers Beton – Nora Mabrouki – vd Vorm – Header Artikel1 – 2020

Lees meer

Hoe de steenrijke familie Van der Vorm macht en invloed koopt in Rotterdam

Over de contacten van de familie Van der Vorm met het Rotterdamse stadhuis.

Hoewel deze stichtingen over het algemeen met open armen werden ontvangen, was er ook argwaan vanuit de gemeenteraad, zoals blijkt uit deze analyse op Vers Beton. Die argwaan is al zo oud als filantropie bestaat. Want of nu gaat om betutteling van negentiende eeuwse fabrieksdirecteuren, de civic pride van de mecenassen in de jaren twintig en dertig, het oog voor winst door de fantasiejongens of de dubieuze opstelling tijdens de Tweede Wereldoorlog: naar de motieven en belangen achter de filantropie blijft het gissen. Gebleken is dat een filantroop (of overheden en andere publieke organisatie die daarmee samenwerken) in ieder geval niet voorbij kan gaan aan de negatieve connotaties die het woord in de loop van de geschiedenis heeft opgedaan.

Het vermogen waarmee stichtingen De Verre Bergen en Droom en Daad investeren in de stad kan bovendien wrevel oproepen. Niet alleen de grote winsten van Willem van der Vorm in de Britse steenkool, maar ook het vermogen dat de familie Van der Vorm vervolgens creëerde via investeringsmaatschappij HAL is niet onomstreden. Zulke kapitalen zijn onlosmakelijk verbonden met wereldwijde inkomensongelijkheid die niet alleen linkse academici en activisten aankaarten, maar waar bijvoorbeeld ook Christine Lagarde als directeur van het Internationaal Monetair Fonds zich meermaals tegen verzette. En nee, filantropie is niet de oplossing voor die ongelijkheid, zei historicus Rutger Bregman vorig jaar op het World Economic Forum in Davos: “We kunnen lang praten over die stomme filantropische plannen, maar we moeten het hebben over belastingen, belastingen, belastingen.”

Kritiek en argwaan zijn daarmee niet alleen op filantropen gericht, maar ook op de overheid. Net als in de jaren zestig geeft zij private partijen zoals filantropen de ruimte, maar schiet ze tekort als het gaat om inspraak voor de ‘gewone’ burger op plannen voor hun stad. Dat blijkt bijvoorbeeld uit hoe deelnemers aan het Stadmakerscongres van 6 november 2020 zich in NRC beklaagden zich over de beperkte invloed die zij hebben. Architect Piet Vollaard, die meerdere initiatieven ontplooit in de stad, zegt daarover: ”Het (Stadmakerscongres, red.) is natuurlijk meer kermis en een Poolse landdag dan een plek voor debat. Dat is symbolisch voor hoe het in de stad gaat. Er is ontzettend veel energie, waanzinnig veel projecten, maar er komt niet echt een dialoog tot stand met de gemeente, laat staan dat je samen optrekt. Je mag wel meepraten, maar niet meedoen.” 

Rotterdam kent een traditie in adviesorganen die niet democratisch gekozen zijn en toch direct invloed hebben op het stedelijke beleid

De positie van Vollaard en andere stadmakers staat in scherp contrast met de ‘plek aan tafel’ die stichtingen De Verre Bergen en Droom en Daad bij het stadsbestuur opeisen én krijgen, in de projecten die ze financieren. De in 2017 door ambtenaren opgerichte stuurgroep Filantropie in Rotterdam is daar een voorbeeld van. Daarin zijn enkel de twee stichtingen van de familie Van der Vorm vertegenwoordigd en geen enkele van de overige Rotterdamse fondsen. Ook zit de adviesfunctie van dit orgaan op het randje van wat democratisch is: er bestaat geen openheid over de invloed en daarmee kan er niet gecontroleerd worden door de gemeenteraad. Rotterdam kent daarmee een traditie in adviesorganen die niet democratisch gekozen zijn en toch direct invloed hebben op het stedelijke beleid, zoals de Adviescommissie voor het Havenbedrijf tussen 1930 en 1970.

2020: een plekje aan tafel

Tradities bestaan bij de gratie van hen die de geschiedenis schrijven. In het voorwoord dat Boymans-directeur Hannema schreef voor een catalogus van de collectie van Willem van der Vorm in 1950, plaatste hij de verzamelaar in een haast directe lijn met de prinsen-verzamelaars uit de Renaissance en de mecenassen uit de zeventiende eeuw. En ook in 2015 repte het voorwoord van een bundel die verscheen bij het Stadmakerscongres van de “rijke traditie van privaat initiatief dat zich verbindt met de ruimtelijke ontwikkeling van de stad”. 

Maar neem die traditie onder de loep en je ziet dat ze een allesbehalve homogeen geheel vormt. Filantropie in Rotterdam bestaat uit losse delen die aan elkaar zijn geweven door mooie en soms mythische verhalen, maar waarin de minder mooie kanten van de geschiedenis gevoeglijk zijn weggelaten.

Toch kunnen we wel naar het verleden van filantropie in Rotterdam kijken om beter grip te krijgen op hoe filantropie vandaag de dag ingebed kan worden. De parallellen zijn onmiskenbaar, en daarbij vallen drie paradoxen op.

De eerste is dat Rotterdam zowel een traditie kent van filantropie, als van verzet daartegen. Beide zijn belangrijk geweest voor de ontwikkeling van de stad. De filantropie door vernieuwende projecten te initiëren en financieren, het verzet daartegen om aan te kaarten welke taken de overheid beter op zich kan nemen. 

Ten tweede: filantropie is per definitie niet democratisch, maar kan wel binnen een democratisch systeem opereren. Juist omdat het systeem in zichzelf nauwelijks checks and balances kent, zijn met het geld van de filantroop projecten en experimenten mogelijk waar belastinggeld minder snel aan besteed kan worden. 

De laatste paradox is de meest ingewikkelde: dat een stadsbestuur de filantropen het beste beperkt vrij kan laten. Bestuurders hebben de moeilijke taak te laveren tussen het moois dat hen wordt voorgehouden en tegelijk het democratisch proces waarborgen.

Het is verleidelijk om snel in een kramp te schieten. Te stellen dat kapitaal en overheid tegengestelde belangen hebben, of juist dat je een gulle gever niet argwanend mag behandelen. Maar zie het eens als de ingewikkelde dynamiek van een gezin. De filantroop is de broer die lang op reis is geweest. Bij terugkeer heeft hij een flink fortuin verdiend, maar ook andere gewoonten en waarden aangenomen. 

De burgervader is blij dat hij weer aanschuift. Zijn blik is verfrissend en hij heeft nieuwe ideeën. Zijn rijkdom deelt hij graag met zijn ouders, broers en zussen. Toch verwacht je niet dat het gezin op stel en sprong zijn normen en waarden aanpast op die van de teruggekeerde zoon. Bovendien: hij is ooit zomaar weggegaan, dus het vertrouwen is nog broos en moet langzaam groeien.

De rol van het stadsbestuur – en van de burgemeester in het bijzonder – is cruciaal voor het op een gezonde en democratische wijze inbedden van filantropie en particulier initiatief in Rotterdam. Van die burgervader mogen de stedelingen verwachten dat hij de andere broers en zussen – de partijen die misschien geen zak geld maar sociaal en cultureel kapitaal meebrengen – ook aandacht gunt. En hen ook een plek aan tafel geeft.

Dit onderzoek is een samenwerking van Vers Beton en OPEN Rotterdam, en is tot stand gekomen met steun van het Stimuleringsfonds voor de Journalistiek en de supporters van Vers Beton.

Vers Beton – Nora Mabrouki – vd Vorm – Header Artikel1 – 2020

Lees meer

Hoe de steenrijke familie Van der Vorm macht en invloed koopt in Rotterdam

Over de contacten van de familie Van der Vorm met het Rotterdamse stadhuis.

Deze banner kun je wegklikken, maar....

..je kunt ook supporter worden! Vers Beton kan alleen bestaan dankzij een bijdrage van lezers. Vanaf 6 euro per maand maak jij onafhankelijke journalistiek in Rotterdam mogelijk.

Nee, ik lees eerst het stuk verder

  1. De Amerikaanse Maureen Callahan schreef in 1981 een uitgebreide studie naar de oorspronkelijke havenbaronnen: het lijvige werk Harbour Barons is op te vragen bij de Bibliotheek en het Stadsarchief. De term Transitopolis is gemunt door stadshistoricus Paul van der Laar, die veel schreef over de ontwikkeling van Rotterdam tot overslaghaven. Zie bijvoorbeeld dit artikel ↩︎
  2. Elly de Leeuw-Hilberts, een aangetrouwde achternicht van Van der Vorm, schreef in 2006 de scriptie: Willem van der Vorm, een boegbeeld belicht ↩︎
  3. Venture philanthropy is een van oorsprong Amerikaanse vorm van filantropie, waarbij de gever projecten in het sociale domein als ventures, ofwel ondernemingen ziet. ↩︎
  4. Uit het verhoor van Meinesz tijdens de zogeheten Enquête, gehouden door de staatscommissie, benoemd krachtens de wet van 19 januari 1890 (Staatsblad no. 1): (derde afdeling) los- en laadwerk bij zeeschepen te Rotterdam en Amsterdam. 
    Het verslag is in te zien bij het Stadsarchief. Deze Staatscommissie was opgericht om onderzoek te doen naar arbeidsomstandigheden in het algemeen. Tijdens de verhoren, die plaatsvonden in het najaar van 1890, werden naast de burgemeester ook vakbondsleiders en werkgevers ondervraagd.
    ↩︎
  5. Planoloog Len de Klerk beschreef de moeizame start van de Rotterdamse volkswoningbouw uitgebreid in zijn boek: Particuliere Plannen. Denkbeelden en initiatieven van de stedelijke elite inzake de volkswoningbouw en de stedenbouw in Rotterdam, 1860-1950 uit 1998. Meer info ↩︎
  6. Museum Boijmans Van Beuningen heette tot 1956 Museum Boymans. In 1996 werd de spelling gewijzigd van Boymans in Boijmans, dit artikel houdt zich aan die chronologie. ↩︎
  7. Dekker 2018, p. 22 ↩︎
  8. In zijn boek over reders Frédéric en Antoine Plate (2019) koppelt planoloog Len de Klerk dit citaat nadrukkelijk ook aan Van der Vorm om zijn commissariaten bij onder meer de Holland Amerika Lijn. Meer info ↩︎
  9. Vrijplaats en links- liberaal alternatief, Woodbrookers Cahier, 1e jaargang (2009) nummer 1, p. 7 ↩︎
  10. Backx voltooide in 1929 zijn proefschrift De Haven van Rotterdam, waarin hij de zwakke punten van de haven analyseert en aanbevelingen doet voor modernisering, onder meer door een gemeentelijke dienst op te richten. ↩︎
  11. Voor een uitgebreide geschiedenis van Stichting Volkskracht en haar veranderende rol in Rotterdam, zie Paula van der Houwen, Stimuleren van Ontwikkeling (1998) ↩︎
  12. Voor een uitgebreide analyse van Van Beuningen, Van der Vorm en Museum Boymans in de Tweede Wereldoorog, zie Omstreden verleden (2018) van Ariëtte Dekker. ↩︎
  13. De Scots International Church is nog steeds in gebruik. Op de website staan fotos van de bouw en de opening in 1951, waarbij ook Willem van der Vorm en burgemeester Oud aanwezig waren. ↩︎
  14. Theo Schuyt, Geven in Nederland, jaarlijkse uitgave vanaf 1997 ↩︎
Filantroop Van der Vorm
0

Hilde Sennema

Hilde Sennema (1985) is bedrijfshistoricus met een voorliefde voor havensteden. Ze schrijft over de noodzakelijke maar vaak moeizame relatie tussen overheid en bedrijfsleven – in het bijzonder in Wereldhavenstad Rotterdam. Ze promoveert aan de EUR en schrijft onder andere voor het FD.

Profiel-pagina
foto

Nora Mabrouki

Illustrator

Nora Mabrouki is een grafisch illustrator die woont en werkt vanuit haar huis in Rotterdam.
Met haar illustraties probeert ze te ontsnappen aan de realiteit en verdwaald ze samen met de kijker naar een ongrijpbare en vaak dromerige wereld.

Profiel-pagina
Nog geen reacties

Om te reageren moet je ingelogd zijn. Inloggen kan je hier. Als je nog geen account hebt meld je nu aan als supporter of maak hier een gratis reageerdersaccount aan.