Voor de harddenkende Rotterdammer
frame_2252
Beeld door: beeld: OPEN Rotterdam

Delfshaven oefent een grote aantrekkingskracht uit op kunstenaars en creatief ondernemers. Volgens socioloog Yosha Wijngaarden, die onderzoek deed naar creatieve broedplaatsen, komt dat doordat Delfshaven heel uniek is – en tegelijkertijd ook helemaal niet. Veel kenmerken die Rotterdam-West aantrekkelijk maken voor creatievelingen, zijn namelijk identiek aan soortgelijke stedelijke gebieden wereldwijd. Maar wat dit stadsdeel volgens Wijngaarden wél bijzonder maakt, is dat het ‘Rotterdam in het klein’ is. 

Wicker Park in Chicago

“Overal ter wereld zijn er gebieden die heel erg op Delfshaven lijken,” vertelt Wijngaarden, “Het zijn oude, voorheen industriële wijken aan de rand van het centrum, waar creatieve mensen voor een lage prijs kunnen huren als bewoner of ondernemer. Er is een goede connectie met de stad en met kunstacademies, waardoor zo’n wijk op kan bloeien tot creatieve plek.” 

Het proces van gentrificatie komt vervolgens snel op gang. Wijngaarden verwijst naar een studie over de wijk Wicker Park in Chicago: “De creatieve atmosfeer trekt investeerders, de middenklasse wil ook in zo’n wijk wonen, en uiteindelijk volgen ook de rijke hippe techbedrijven. Als ik één stadsdeel in Rotterdam moet aanwijzen die voor zo’n ontwikkeling in aanmerking komt, dan is het Delfshaven.”

Wat Delfshaven toch bijzonder maakt, stelt Wijngaarden, heeft met ‘de symboliek van Rotterdam’ te maken: “Het belichaamt in een klein stadsdeel alles wat Rotterdam is: een oud havengebied en oude industrie, veel oude woningen – maar ook fantastische wederopbouwarchitectuur. Je vindt hier een mix van verschillende groepen mensen; van allerlei nationaliteiten maar ook verschillende sociaal-economische status.” 

Wijngaarden koppelt dit aan de ideeën van de Amerikaanse journalist en activist Jane Jacobs: “De sociale diversiteit is de basis voor een creatieve wijk. Hetzelfde geldt voor de mix aan woningen:  dure huizen aan de Heemraadssingel, mooie VOC-achtige gebouwen in het meest historische deel, maar daartussen ook veel sociale woningbouw – aantrekkelijk voor creatieven die een betaalbare vestigingsplek zoeken.”

Mix van mensen en gebouwen

Delfshaven onderscheidt zich ook van andere stadsdelen door de verbinding met het centrum, en de mix van mensen en gebouwen, stelt Wijngaarden: “Delfshaven ligt aan de rand van het centrum en er zijn veel geschikte gebouwen die omgevormd kunnen worden.” Andere wijken die het centrum omringen, zoals Blijdorp, hebben dat minder. 

In Delfshaven vind je een gemengde wijkfunctie: wonen én werken. In bijvoorbeeld Overschie is die mix er ook wel, maar die wijk heeft niet zo’n sterke connectie met de stad en te weinig eigen identiteit. “Delfshaven is symbolisch echt een onderdeel van de stad – en je hoeft niet de psychologische grens van de Maas over. Ik weet dat het gek is, maar zodra je Erasmusbrug over moet voelt het als ‘ver’ voor veel Rotterdammers op de rechter Maasoever.”

Betaalbaarheid, infrastructuur en uitstraling bepalen dus het ontstaan van een ‘creatief stadsdeel’. Maar wat maakt zo’n creatief gebouw of broedplaats dan zo aantrekkelijk als werkplek voor een ondernemer? Volgens Wijngaarden speelt ook hierbij betaalbaarheid en uitstraling een hoofdrol, samen met reuring en mogelijkheid tot interactie: “De plek moet creativiteit uitstralen – en dat mag een beetje gritty zijn, niet te gelikt”, aldus Wijngaarden. “Flexibiliteit is ook van belang. In de creatieve sector kan een ondernemer heel snel groeien, maar ook snel krimpen. Huurcontracten moeten niet te vast zijn. Bovendien wil je je omringd zien door mensen die met hetzelfde bezig zijn, dat motiveert en versterkt je netwerk.”

Alsof je collega's hebt

Animator Hans Wessels herkent de analyse van Wijngaarden. Van 2001 tot 2018 huurde hij een ruimte in de Schiecentrale, destijds een ontwikkeling van de gemeente: “In het 25kV-gebouw had ik heel veel contacten met buren, er was veel samenwerking. Dat kwam ook door de architectuur van het pand: het atrium fungeerde als een tamtam. Ik riep gewoon dingen naar de andere verdiepingen: Hé Luuk! Kom je effe koffie drinken?!” 

frame_1203

Lees meer

Hoe Rotterdam met de Schiecentrale de creatieven naar Delfshaven trok

Driedelige serie over het creatieve ecosysteem in Rotterdam-West.

Maar toen het Filmfonds werd opgeheven, resulteerde dat direct in leegstand. De meeste bedrijven in de Schiecentrale waren destijds financieel verbonden aan dat fonds. Wessels: “Het stortte als een kaartenhuis in elkaar. De synergie, het leven op de gangen was weg. Dat ik nog zo lang gebleven ben, was meer uit gemakzucht.”

Voor illustrator Ez Silva was de nabijheid bij haar huis een belangrijke factor om voor De Kroon als werkplek te kiezen, een semi-commerciële creatieve hub. “Ik loop er vanaf mijn huis in vijf minuten naartoe. Doordat ik mijn woonbuurt niet verlaat heb ik in De Kroon het gevoel thuis te zijn en thuis te werken.” Eerst huurde Ze een bureau in de ‘co-work’, de gezamenlijke kantoortuin van het gebouw. “De inrichting gaf een heel fijn gevoel: een industrieel uiterlijk met speelse inrichting. Het heeft charme.” 

Silva waardeert ook de collectieve sfeer. “Het is niet per se een gemeenschap, maar zo voelt het wel. Mensen helpen elkaar. Je bent allemaal freelancer, maar het voelt alsof je collega’s hebt.” Nu huurt ze een privé-ruimte in De Kroon. “Voor mij als kunstenaar is dat echt nodig, voor de concentratie. En ik hou van een opgeruimde omgeving. Ik heb mijn ruimte ingericht als een soort huiskamertje.”

Daar woont Spiderman!

Silva kwam op haar achtste uit Kaapverdië naar Delfshaven. “Rotterdam is heel bijzonder voor me. Ik heb alles hier meegekregen. Ik hou heel erg van grote steden, van wolkenkrabbers. En Rotterdam is een wolkenkrabberstad in het klein. Ik denk nu over een illustratiereeks waarin de stad heel erg naar voren komt. Daarin verwerk ik dan mijn ding: het thema vrouw.” 

Delfshaven an sich is niet per se een inspiratiebron voor Silva. Maar sinds ze vanuit De Kroon werkt, ervaart ze wel de kwaliteiten van het gebied: “Het uitzicht is zo mooi met de haven aan de ene kant en de molen aan de andere kant. De zonsondergang boven de Maas is prachtig – en historisch Delfshaven ook. Dat heb ik vroeger niet gezien, toen ik jong was.”

Animator Wessels woont in Kralingen, maar vindt Delfshaven absoluut inspirerender dan zijn eigen woonbuurt: “Ik heb voor mijn werk altijd te maken met mensen – en de Kralingers zijn meer naar binnen gericht. In Delfshaven gebeurt het gewoon op straat. Het heeft een andere dynamiek, het is meer urban. Delfshaven is een plek waar ik sneller word verrast. En het is zó groot… Als ik bijvoorbeeld op de hoek zit bij de Lage Erfbrug, bij café Soif, dan denk ik: wow, als je dit in New York zou hebben!”

Ook hij ontleent inspiratie aan architectuur en stedenbouw: “Kijk naar Little C, bij de Coolhaven, dat is zo goed gedaan. Dat is Lower Manhattan, met die brandtrappen. Mijn zoontje van tien herkent dat gewoon: ‘Kijk, daar woont Spiderman!’ En de ontwikkeling van het havengebied vind ik ook heel spannend: M4H, waar Joep van Lieshout zit. Maar ik hou ook veel van Kralingen hoor, haha.”

frame_1627
Beeld door: beeld: OPEN Rotterdam

Schakel tussen rauw en creatief

Het M4H-gebied, het havengebied tussen Marconiplein en de Maas, is de werkplek van designer Sven Schouten. Als werknemer van architectenbureau Group A werkt hij vanuit het Keilepand, een collectief van creatieve ondernemers. Hier presenteerde hij afgelopen najaar ook een expositie over het gebied: The past futures of M4H. Schouten is gefascineerd door de geschiedenis, de identiteit en de huidige ontwikkelingen van het gebied. Hij beschouwt zijn werkplek als scharnierpunt in deze ontwikkelingen. 

“Het Keilepand is de schakel tussen de oude ‘rauwe’ haven en de nieuwe ‘creatieve’ haven. Aan de ene kant zitten Joep van Lieshout en Daan Roosegaarde, aan de andere kant de koelloodsen van de fruithaven. Ik vind dat M4H niet ineens moet transformeren van een industriegebied in een vrolijke woonwijk. Er zit heel veel verborgen kwaliteit in de rauwheid van het gebied.”

Volgens Schouten zit dat met name in de grote schaal van M4H: “De lange uitgestrekte kades, de stoere gebouwen die daar staan, de enorme havenkranen, de dikke grote kademuren. Je ziet overal forse constructies die alles moesten kunnen dragen. Ook de Marconitorens hebben die enorme schaal. Het is een overweldigend industrieel landschap. De kwaliteit zit ‘m ook in de beweging en activiteit. Goederen die af en aan gaan, boten die ineens je zicht volledig blokkeren. Ze toeteren, roken, stomen…”

Het Keilepand zelf vindt Schouten ‘supervet’. “De havengeschiedenis ademt door het gebouw. Het Keilepand werd een paar jaar na de aanleg van de Vierhavens gebouwd, in 1922. Het was een revolutionair gebouw, de geest van innovatie en experiment hangt nog in de gangen. Voor mij is dit gebouw echt een persoon. Elke verdieping in het pand heeft ook een ander karakter. De bovenverdieping is ruim en open, de kelder heeft een heel lompe betonconstructie.”

Sandwich van makers

Het oorspronkelijke ontwerp van het Keilepand leent zich goed voor de verschillende soorten huidige gebruikers. Schouten noemt dat ‘de natuurlijke indeling’ van het gebouw. “Boven komt heel veel licht binnen: daar zitten architecten en maquettebouwers, een boulderhal en een expositieruimte. Daaronder is een verdieping met laadperrons. Daar zijn meubelmakers en houtwerkplaatsen gevestigd. In de kelder is het donker en koel. Daar zitten voedselbedrijven, zoals een ciderbrouwer, bierbrouwer, koffiebrander en een streekproductenwinkel.”

Volgens Schouten stimuleert het gebouw de wisselwerking tussen de gebruikers: “Het is een leuke sandwich van makers. Iedereen maakt deel uit van het Keilecollectief: er wordt samen gewerkt aan onderhoud van het pand. En er zijn veel onderlinge opdrachten.” Vallen de voedselbedrijven beneden niet uit de toon, tegenover de creatieve sectoren erboven? “Nee! De link is juist sterker. Er wordt heel veel gegeten en heel veel koffie gedronken, haha.” 

Schouten verhuisde voor zijn studie van Breda naar Delfshaven. “Voor HBO Bouwkunde had ik de keuze tussen Rotterdam en Tilburg. Dat was niet moeilijk: Rotterdam is een stuk sexier dan Tilburg!” In 2014 was het nog makkelijk om goedkope woonruimte te vinden. “Qua woningmarkt was dat een heel andere tijd. Ik vond via-via een studentenhuis aan de Coolhaven. Krap, maar héél goedkoop.”

Rotterdam of Berlijn

Betaalbare woonruimte was ook voor fotograaf Sander van Wettum een belangrijke reden om naar Rotterdam te verhuizen: “Ik heb in Enschede gestudeerd. Het was zo’n beetje de regel toen ik afstudeerde: of je ging naar Rotterdam, of naar Berlijn. In Rotterdam kon je makkelijk aan een studio komen en een betaalbare woning.” Via Amsterdam, waar hij een Masteropleiding deed, kwam Van Wettum in 2012 in Rotterdam terecht: “Voor de prijs van een kamer in Amsterdam kon ik hier een complete woning krijgen. Er was veel beschikbaar in Delfshaven en in Zuid, in gebieden die aanschuurden tegen de haven. Daar kwamen de meeste kunstenaars terecht. Niet de meest aantrekkelijke woonwijken, maar je kon er wel een prima woning vinden.”

De keuze van Van Wettum voor Rotterdam had dus met woonruimte te maken, maar ook met de culturele infrastructuur: “Als kunstenaar kun je in principe overal gaan zitten. Maar er moet wel wat infrastructuur zijn: een plek waar andere kunstenaars zijn, waar wat gebeurt, waar tentoonstellingen zijn.” 

Delfshaven vindt hij niet inspirerender dan andere wijken: “Ik hou niet zo van clichés als ‘het is hier wat rauwer en dat inspireert meer’. Ik zou prima in Lombardijen kunnen werken, als ik daar dichtbij zou wonen. Voor mijn werk doe ik niet zoveel met de buurt. Ik reis altijd buiten Rotterdam, buiten Nederland. Maar het hangt af van wat voor werk je maakt. Ik ken ook fotografen die juist in Rotterdam fotograferen en hun buurt superbelangrijk vinden.”

frame_13588
Beeld door: beeld: OPEN Rotterdam

Antikraak

In 2012 was het ook makkelijk om atelierruimte te vinden. Van Wettum vond een mooi pand in Delfshaven, in een voormalig buurthuis aan de Havenstraat, eigendom van de gemeente. Met vijf kunstenaars zaten ze er antikraak. Hieruit zou een collectief ontstaan, en ontwikkelde Van Wettum zijn netwerk: “Toen ik net begon, kende ik helemaal niemand in de stad. De mensen met wie ik in dat antikraakpand zat, dat waren de eersten die ik in Rotterdam leerde kennen, en via hen weer anderen. Je leert ook ván elkaar. Je vraagt elkaar over het werk, je helpt elkaar met de skills die je hebt. We konden elkaar helpen bij tentoonstellingen: de ene schreef teksten, de andere kon goed kisten bouwen. Er zijn hechte samenwerkingen uit voortgekomen.”

“In de zomer stond er ineens een fotograaf op de stoep: ‘ik kom foto’s maken voor Funda’”

De schrik was groot toen de kunstenaars het pand aan de Havenstraat vorig jaar plotseling moesten verlaten. Van Wettum: “In de zomer stond er ineens een fotograaf op de stoep, die zei ‘ik kom foto’s maken voor Funda’. De gemeente, die eigenaar van het pand is, ging het verkopen. Ik was inmiddels verhuisd naar een groter antikraakpand in Crooswijk – en daar gebeurde precies hetzelfde.”

Van Wettum ging rondvragen en kwam erachter dat op dat moment opvallend veel gemeentelijke panden met leegstandsbeheerders erin, werden verkocht: “Maatschappelijk vastgoed wordt in rap tempo van de hand gedaan. De gemeente verkoopt de panden aan commerciële partijen, die er luxe woningen van maken. De huidige gebruikers die er antikraak zitten – vaak kunstenaars of maatschappelijke initiatieven – verliezen massaal hun werkplek.”

Atelierruimte onder druk

De atelierruimte in Rotterdam staat onder inderdaad druk. Dat was de uitkomst van een enquête die Van Wettum – samen met andere betrokkenen – hield onder 369 creatieven. Volgens Van Wettum bevestigde het onderzoek wat hij al vermoedde: “Twee op de drie respondenten is op zoek naar een ruimte. Eén op de drie heeft helemaal geen ruimte en één op de drie heeft een tijdelijke of te dure ruimte. Eigenlijk zegt maar dertig procent: ‘ik hoef niet te verhuizen’.” 

Veel creatieven verloren in de afgelopen vijf jaar hun werkruimte, zo blijkt uit Van Wettums onderzoek. Ze moesten hun antikraak-locatie verlaten, hun huur werd verhoogd of thuiswerken werd moeilijk door een thuiswerkende partner. Met het rapport trok Van Wettum aan de bel bij de gemeente, en ging hij in gesprek met de Stichting Kunstaccommodatie Rotterdam (SKAR), de stichting die namens de gemeente het atelierbeleid uitvoert.

Van Wettum is zeer kritisch op het beleid van de gemeente: “In het beleid zijn nu alle pijlen gericht op de SKAR, en dat snap ik ook. De SKAR krijgt meer ruimte, maar ze hebben een wachtlijst van 780 mensen, terwijl het antikraak-aanbod in hoog tempo verdwijnt. De Stichting krijgt een hoge waardering in onze enquête, maar kan niet alles bieden wat de sector wil. Veel kunstenaars willen het zélf iets kopen of een eigen collectief starten.” 

Volgens Van Wettum heeft de gemeente de oplossing zelf in handen: “Er zijn heel veel ruimtes. Rotterdam heeft zo’n 600 panden met een maatschappelijke functie, die de gemeente zelf ziet als niet meer belangrijk. Verkoop die panden niet aan de markt, maar zet ze in waar ze voor bedoeld zijn. Het is maatschappelijk vastgoed, van de gemeente. Dat is van ons: de Rotterdammers.”

Geld gaat in stenen zitten

Olof van de Wal, directeur van de SKAR, begrijpt de kritiek Van Wettum, maar vindt ook dat de gemeente credits moet krijgen voor haar investeringen in het Atelier- en Broedplaatsenbeleid: “Kunstenaars voelen zich verdrongen uit hun werkruimtes en ik denk dat dat klopt. Het ene na het andere gebouw wordt verkocht. Rotterdam wordt veel interessanter, dat trekt geld aan, en dat geld gaat in stenen zitten. De gemeente zag in 2017 al die urgentie, en heeft er beleid op gemaakt. We zijn gegroeid van 23 naar 41 locaties: het aantal vierkante meters atelierruimte van de SKAR is in de afgelopen jaren door de gemeente verdubbeld. Ik vind de focus op de gemeentepanden wat vreemd: hier moet niet alleen de gemeente aan de bak. Ook voor de private eigenaars en – moet ik zeggen – voor de kunstenaars zelf ligt hier een taak.” 

Van het dertigjarig bestaan van de SKAR is Van de Wal is nu ongeveer vijf jaar directeur. Sinds zijn aantreden is er een verandering ingezet. “De vorige directeur is in het zadel gestorven. Ik kon geen stokje overnemen, ik ben gewoon uitgegaan van wat ik aantrof. De ateliergebouwen waren stoffige plekken: 23 gebouwen, tot de nok toe gevuld met kunstenaars die er allemaal al heel lang zaten, met een hoge gemiddelde leeftijd.” Van de Wal constateerde dat de wachtlijst even lang was als het totale aantal plekken in zijn bezit. Op basis van dit gegeven voerde hij gesprekken met de gemeente, waarna vrij snel nieuw atelier- en broedplaatsenbeleid werd ingevoerd.

frame_5197(1)
Beeld door: beeld: OPEN Rotterdam

Een keten maken

Het doel van Van de Wal is om meer werkruimte voor creatieven te realiseren en de kwaliteit ervan te verbeteren: “Ik probeer te kijken: hoe heb je het meest aan elkaar? Hoe kan een broedplaats het meest opleveren, in creatieve zin?” Van de Wal verwijst naar het project De Wasserij, een broedplaats voor de textiel- en modesector: “Je moet een keten maken. Het gaat niet alleen maar over de ontwerper, je hebt ook mensen nodig die de kleren maken – en die kleermakers moeten op hun beurt weer worden opgeleid. Daarnaast heb je mensen nodig die het naar de markt kunnen brengen, om het van een artistiek ook een economisch succes te maken. De stylisten en fotografen, die met de marketing bezig zijn, halen veel meer omzet. Daarom betalen ze twee keer zoveel huur als de kunstenaars.”

Volgens Van de Wal is Rotterdam-West een creatief ecosysteem, maar staat dit onder druk door de vastgoedmarkt. “Er gebeurt wel heel veel in Delfshaven, met name in de creatieve- en welzijnshoek. Zoiets als de Zorgvrijstaat, Huize Middelland – dat gebeurt daar gewoon. Vanuit de buurt ontstaan communities. Maar plekken waar ik kunstenaars kwijt kan, die zijn er steeds minder. SKAR heeft in Delfshaven relatief meer plekken ingeleverd dan in andere stadsdelen en het wordt er steeds moeilijker om betaalbare locaties te vinden. In Delfshaven zijn de vastgoedprijzen heel erg gestegen. Als ik iets ga kopen, dan moet ik zo’n hoge vierkante-meterprijs vragen – daar kan ik geen kunstenaars meer instoppen. Ik ben nu wel in samenwerking met Joep van Lieshout, aan het kijken of we de broedplaats Kunst & Complex kunnen aankopen. Maar ik denk niet dat we kunnen opbieden tegen het geweld van de markt.”

Kitschmeubelwinkels

En zo zijn we toch weer bij het onderwerp van gentrificatie aangekomen. Hoe kijken de geïnterviewde creatievelingen daar naar? Sven Schouten ziet het in Bospolder-Tussendijken intussen nog niet zo vaart lopen met die gentrificatie: “Ik ben blij dat je op de Schiedamseweg geen hippe koffietenten hebt, maar wel veel döner-zaken en een paar kitschmeubelwinkels!”

Hans Wessels trekt de vergelijking met hoe kunstenaars in New York vanaf de jaren negentig de voorhoede van gentrificatie vormden: “Kunstenaars zijn arm – ze kraken iets of zitten ergens antikraak. Dan hebben ze tijdelijk een leuke plek. Het wordt een leuke omgeving – dan zijn er partijen die daarin gaan investeren en krijg je verdringing. Ik ben erop tegen, maar zo werkt kapitalisme, zo werkt onze maatschappij.” 

Sander van Wettum ziet kansen in de top-down-benadering van de gemeente: “In Rotterdam is het gentrificatieproces een beleid, dat heel actief vanuit de gemeente wordt gestuurd. Dat geldt voor de Rotterdamwet, waarbij lage inkomens uit wijken worden geweerd, maar ook voor het maatschappelijk vastgoed dat wordt verkocht om er dure woningen van te maken. Dat zou betekenen dat ze ander, sociaal beleid ook weer heel kordaat kunnen aanpakken – als ze zouden willen.”

Ez Silva tenslotte, bekijkt de veranderingen veel positiever. Ze vergelijkt het huidige Delfshaven met de wijk waarin ze opgroeide: “Het was als meisje toen niet fijn om over straat te lopen. Nu voelt het veiliger. Toen was het verpauperd, nu is het netjes en schoon. Vroeger dacht ik: ik ga weg en ik kom nooit meer terug. Maar het is nu een ander Delfshaven geworden.”

Bekijk ook de video

OPEN Rotterdam ging in gesprek met kunstenaars en creatieve ondernemers die hun omgeving en buurtbewoners actief betrekken bij hun werk. Wat zijn hun drijfveren? Wat kunnen zij betekenen voor de omgeving? En krijgen ze daar voldoende ruimte voor? 

Bron: beeld: www.youtube.com

Over deze serie

Samen met OPEN Rotterdam onderzoekt Vers Beton het ontstaan van creatieve ecosystemen in de stad, aan de hand van Delfshaven. Wat maakt Rotterdam-West zo aantrekkelijk voor kunstenaars en creatieve ondernemers? Hoe ontstaan broedplaatsen en creatieve netwerken? Welke rol speelt de creatieve sector bij de ontwikkeling van de stad? En biedt Rotterdam nog wel genoeg ruimte? In dit eerste deel van een drieluik gaat Ferrie Weeda in op de strategieën van de gemeente, met als casus de Schiecentrale in het Lloydkwartier. In het tweede deel wordt het ontstaan van bottom-up-initiatieven onderzocht en in het derde deel wordt gekeken wat de buurt eraan overhoudt.

Deze serie is mede mogelijk gemaakt door de Gemeente Rotterdam. Deze organisatie heeft geen invloed gehad op de inhoud van het artikel (lees meer).

Deze banner kun je wegklikken, maar....

..je kunt ook supporter worden! Vers Beton kan alleen bestaan dankzij een bijdrage van lezers. Vanaf 6 euro per maand maak jij onafhankelijke journalistiek in Rotterdam mogelijk.

Nee, ik lees eerst het stuk verder

Ferrie

Ferrie Weeda

Ferrie Weeda (1977) studeerde geschiedenis en Nederlands. Zijn wieg stond aan de Coolhaven – nog steeds zijn domein. Ferrie houdt van publiek en van de stad. Hij is voorzitter van BuurtBestuurt Coolhaveneiland. Als stadsgids en schrijver deelt hij zijn betrokken en bevlogen verhalen over geschiedenis, samenleving en cultuur. Gerrit, Ferries jack-russell uit Tiel, is vernoemd naar Erasmus.

✉ ferrie@versbeton.nl

Profiel-pagina
Nog geen reacties

Om te reageren moet je ingelogd zijn. Inloggen kan je hier. Als je nog geen account hebt meld je nu aan als supporter of maak hier een gratis reageerdersaccount aan.