Voor de harddenkende Rotterdammer
frame_1203
Beeld door: beeld: OPEN Rotterdam

In de tijd dat Aldo van Kleef werkte bij het gemeentelijke Ontwikkelingsbedrijf Rotterdam (OBR), was het nog een andere stad: “Rotterdam stond in de jaren negentig bovenaan de verkeerde lijstjes. De economische basis van de stad was heel kwetsbaar, het was alleen de haven. De stad had een slechte reputatie: prostitutie, criminaliteit, drugsverslaafden…Dat gold zeker voor de omgeving van de Schiehaven en de Müllerpier.”

In 1990 kwam de oude elektriciteitscentrale aan de Schiehaven leeg te staan. De gemeente greep z’n kans. Deze Schiecentrale moest de spil in de ontwikkeling van het nieuwe Lloydkwartier worden, als creatief cluster voor de audiovisuele industrie. Als gemeentelijk ontwikkelaar was Van Kleef verantwoordelijk voor zowel het creatieve proces als de uitvoering: “We wilden contrair denken – het was makkelijk gedacht om die centrale te slopen en daar gewoon woningen neer te zetten. Maar we wilden de gezichtsbepalende oude gebouwen laten staan.”

Tanden stuk bijten

Transformeren en ontwikkelen is nu de standaard, maar destijds was het nieuw. “De vastgoedwereld is zo traditioneel als de pest”, stelt Van Kleef. “Destijds was alles gericht op sloop-nieuwbouw. Er zijn toen veel mooie gebouwen gesloopt: kerken, bedrijfshallen… Als gemeente hebben we geprobeerd de herontwikkeling van de Schiecentrale in de markt zetten. Maar marktpartijen beten er hun tanden op stuk. Het was te ingewikkeld. Gemeentebestuur en ambtenaren keken met een bedrijfsmatige blik: we wilden een succesverhaal maken, want een succes van bedrijven zou een succes voor de stad betekenen.”

De gemeente besloot de Schiecentrale daarom zélf te ontwikkelen: het werden 2000 woningen en 50.000 m2 herontwikkeling. Al snel bleek het vinden van geschikte ondernemers belangrijker dan de bouwkundige transformatie: “We wilden eerst een werkklimaat neerzetten. Jonge creatieve bedrijvigheid, mensen die wat durven, die van de gebaande paden afstappen. Dat was destijds nieuw beleid”, herinnert Van Kleef zich. “Toen kwam Richard Florida voorbij, met zijn creative cities, en daar heb ik het een beetje aan opgehangen. Maar wij waren er al mee bezig. Ik zeg weleens: Rotterdam werd al een creative city toen Florida nog in de schoolbanken zat.”

Richard Florida en Jane Jacobs

“De invloed van Florida was destijds enorm”, vertelt socioloog Yosha Wijngaarden. Voor haar promotieonderzoek bestudeerde zij creatieve broedplaatsen in Nederland. Volgens Wijngaarden passen de ideeën van Florida perfect bij een project als de Schiecentrale: “Florida vloog als ‘academisch consultant’ de hele wereld over – inclusief Rotterdam – om gemeenten te vertellen dat ze moesten investeren in creatieve gebieden. Creatieve clustering zou leiden tot economische groei. Rotterdam moest ‘op de kaart gezet worden’ als creatieve stad, dan zouden de grote tech-bedrijven vanzelf volgen. Bij deze top-down-aanpak past ook het inzetten op toerisme, festivals en de Culturele Hoofdstad als instrument. Toch bleken grootschalige projecten als de Schiecentrale lastig om sprankelend te houden. Toen de steun van de gemeente wegviel, vooral door de opheffing van het Rotterdamse filmfonds, gingen veel creatieven terug naar Amsterdam.”

frame_13566
Beeld door: beeld: OPEN Rotterdam

De ontwikkeling van de Schiecentrale en het omliggende Lloydkwartier zijn een goed voorbeeld van de top-down-methode. Tegenover deze aanpak staat de ‘organische’ manier, ofwel de bottom-up-methode. Wijngaarden: “Hier is de naam van Jane Jacobs aan verbonden. De Amerikaans-Canadese journalist en activist Jacobs maakte vanaf de jaren zestig furore met haar strijd tegen grootschalige modernisering van stadswijken en haar pleidooi voor diverse, dynamische buurten.”

Jacobs’ organische methode van gebiedsontwikkeling is nog steeds heel invloedrijk. Die gaat uit van bestaande sociale netwerken en stedelijke weefsels. Creatieve buurtbewoners spelen een sleutelrol bij de uitbreiding en versterking van deze elementen. Volgens Jacobs kunnen creatieven nieuwe kennis en technologie omzetten in maatschappelijke vernieuwing. Wijngaarden: “Openbare ruimte wordt opgeknapt, verloederde winkelstraten gerevitaliseerd, oude gebouwen krijgen een nieuwe functie.” 

Placemaking

Als gebiedsontwikkeling en de creatieve sector in beleid samen komen, duikt vaak het begrip placemaking op. Placemaking is het proces waarbij de waarde en identiteit van een locatie wordt versterkt door een creatieve invulling – al dan niet tijdelijk. Het begrip verenigt de tegenstrijdige ideeën van Jane Jacobs en Richard Florida: placemaking vindt plaats op basis van intensieve samenwerking tussen verschillende betrokkenen – wat past in de traditie van Jacobs. Maar het initiatief van placemaking ligt meestal bij ontwikkelaars en overheid – overeenkomstig met de top-down-methode van Florida.

Wijngaarden: “Placemaking is historisch een moeilijk begrip, dat op veel manieren wordt ingezet. Als we spreken vanuit de gemeente heeft placemaking meestal een top-down-insteek. Als je die projecten bekijkt, zoals de Schiecentrale, dan is het erop gericht om een gebied te versterken, een identiteit te geven, de buurt te verbeteren.”

Hoe succesvol kan een project als de Schiecentrale zijn? Dat hangt volgens Wijngaarden af van de doelstelling: “Als de doelen zijn: ik wil in deze wijk een plek realiseren waar creatieven samen kunnen werken, vanuit de lokale structuur van de wijk… waar ze een goedkope werkplek hebben en op die manier hun bedrijf kunnen ontwikkelen, dan zeg ik: ja, dat kan en dat lukt. Als het idee is dat je een hele wijk verbetert door in een post-industrieel gebouw creatieven te laten werken dan is het antwoord: nee, dat is lastig. Dat is mijn ervaring tenminste, en in de literatuur wordt er ook kritisch naar gekeken. Neemt zo’n creatieve plek nou echt de hele wijk mee? Nee. Niet per se.”

Zeg 'ns Aaa

Te top-down of niet, in de jaren ’90 wist Aldo van Kleef met succes de creatieve industrie naar de Schiecentrale te lokken. De belangrijkste vangst was Blue Horse, de productiemaatschappij van Chiem van Houweninge, bekend van de VARA-sitcoms Zeg ‘ns Aaa en Oppassen!. Van Kleef: “We gingen op tournee met mooie verhalen en mooie vergezichten. Chiem van Houweninge was de gebaande paden in Hilversum zat. We gingen programmeren: wat hebben ze nodig? Het werd een productiekantoor en filmstudio’s. We leerden dat programmeren belangrijker is dan ontwikkelen. Niet het gebouw vernieuwen, maar zorgen dat de goede mensen erin kwamen te zitten. Het gebouw zat in no-time vol, en het succes was zichtbaar – het was op tv te zien.”

Na het kantoorgebouw en de turbinehal werd het creatieve verzamelgebouw in nieuwe fases uitgebreid. Van Kleef: “Het volgende gebouwdeel was 25kV. Ik had geleerd van de eerste fase: De media-sector werkt in een blackbox – op straat merk je er geen mallemoer van. Daarom gaf ik de architect als opgave: maak er een communicatief gebouw van. Er is een soort glazen straat aan het gebouw gehangen: een aanbouw met wc’s en pantry’s, zodat de mensen elkaar tegen zouden komen, en de dynamiek zichtbaar was vanaf de straat. Een gebouw met een uitstraling die door jonge creatieven wordt gewaardeerd. Later kwamen er ook nog woningen in het complex, om de ondernemers aan de stad te binden – want veel van hen woonden nog in Amsterdam.”

frame_10663
Beeld door: beeld: OPEN Rotterdam

Een cocktail

In 2001, het jaar waarin Rotterdam Culturele Hoofdstad was, kwamen er ook kunstenaarsateliers in het pand. Van Kleef: “We hebben daar kunst en economie met elkaar verweven. Er was scepsis over, maar: commerciële creatieven voelen zich kunstenaar, en kunstenaars wilden zich steeds commerciëler oriënteren. Je moet het niet splitsen, je moet het naast elkaar programmeren. Als je water met water mengt, blijft het water. Meng je water met iets anders, dan krijg je misschien wel een cocktail.”

Ook op dit vlak was Van Kleef een pionier. Wijngaarden: “Bij veel broedplaatsen is het beleid om een goede mix te maken van commercieel werkende en artistiek werkende creatieven. Ook voor de reputatie van een broedplaats is een mix belangrijk: zonder de artistieke invalshoek verliest zo’n plek z’n creative edge. En als er alleen maar autonoom werkende kunstenaars zitten, dan verliest het z’n professionele uitstraling voor commerciële bedrijven. Vaak worden verschillende tarieven gerekend voor meer en minder commerciële creatieven.”

Volgens Wijngaarden zijn de traditionele kunstenaar en de creatieve ondernemer steeds meer naar elkaar toegegroeid. “Zowel kunstenaars als creatieve ondernemers moeten een balans vinden tussen artistieke en commerciële vaardigheden. Je ziet tegenwoordig op de kunstacademie ook steeds meer aandacht voor ondernemersvaardigheden.” Wijngaarden signaleert bovendien dat de algemene economie “steeds cultureler” wordt: “Geld dat we uitgeven gaat steeds meer naar experience-achtige dingen: festivals, muziek, Netflix-abonnementen, films… Maar ook de producten die we kopen, hebben een steeds sterkere design value: de esthetiek wordt steeds belangrijker. Kunstenaars zetten deze trends, het zijn de pioniers.”

Beleid per discipline

Zelfstandig een creatief cluster als de Schiecentrale ontwikkelen – dat doet de gemeente Rotterdam tegenwoordig niet meer. Maar anders dan twintig jaar geleden is er nu wel gedifferentieerd beleid. Zo wordt het culturele veld per discipline ondersteund. Rotterdam heeft aparte beleidsvisies voor bijvoorbeeld popmuziek, architectuur, de creatieve industrie én atelier- en broedplaatsen.

Wat is het verschil tussen het atelier- en broedplaatsenbeleid en de beleidsvisie creatieve sector? Martijn van der Mark, senior beleidsadviseur Creatieve Industrie en Media bij de gemeente, legt uit: “Het broedplaatsenbeleid is een reactie op vragen in de gemeenteraad in 2015. De stad werd steeds populairder, de prijs van werkruimtes steeg.” De doelstelling van dit beleid was om – ondanks de verhoogde vraag naar vastgoed – ruimte voor creatieven en creativiteit te behouden in de stad. In deze beleidsnota wordt het belang van broedplaatsen onder andere gekoppeld aan innovatie, aantrekken van creatief talent, leefbaarheid van de buurt en “het vasthouden en aantrekken van hoger opgeleiden”. Het broedplaatsenbeleid wordt in 2021 geëvalueerd.

Van der Mark houdt zich voor de gemeente als beleidsadviseur bezig met creatieve industrie. De beleidsvisie is uit 2019. Binnen deze sector vallen bijvoorbeeld productontwerpers, mode-ontwerpers, architecten en game-ontwikkelaars. In het landelijk beleid wordt de creatieve industrie als één van de acht topsectoren van de Nederlandse economie beschouwd. In de woorden van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland: “De creatieve industrie versterkt het innovatievermogen van Nederland. De creatieve industrie heeft flexibele denkkracht, is gewend om over domeinen heen samen te werken en denkt buiten gebaande paden. Deze kenmerken zijn belangrijk om tot antwoorden te komen op de grote opgaven die op de wereld afkomen.” 

frame_6398
Beeld door: beeld: OPEN Rotterdam

Infiltreren

De creatieve industrie is anders, daar moet je op een andere manier mee omgaan dan met de oudere culturele disciplines”, zegt Van der Mark. “Bij de afdeling Cultuur van de gemeente besefte men dat. De creatieve industrie is een zelfredzame sector, die je op het ene moment kan betrappen op enorm ondernemerschap – en die op het andere moment met een artistiek traject bezig is – en soms grijpt dat direct in elkaar”

Net als in Eindhoven en Amsterdam is er in Rotterdam een dusdanige concentratie van creatieve ondernemers, dat je hier echt spreken kunt van een sector. Van der Mark: “Het vraagstuk is dan: hoe verhoud je je als gemeente tot zo’n sector, die aan de ene kant zelfredzaam is, maar die aan de andere kant wat betreft experiment en talentontwikkeling wel ondersteuning nodig heeft? Dat is een kwestie van uitvinden. Als beleidsmaker moet ik infiltreren om te weten wat er in de sector speelt. Soms blijkt dat iets concreets als een nieuwe oven voor glasblazers te zijn.”

Conform het landelijk beleid gelooft Van de Mark in de maatschappelijke relevantie van de creatieve industrie: “Er zit een publiek belang in deze sector. Met dit beleid kan de creativiteit in de ontwerpsector worden toegepast en geactiveerd. Er moeten genoeg agenten zijn en genoeg onderwijzers, maar ook genoeg aandacht voor creativiteit. Een creatieve stad is op de toekomst voorbereid.”

Creatieve stadsnomade

Terug naar Aldo van Kleef. Hoe kijkt hij nu naar de huidige ontwikkelingen in de Schiecentrale? “Inmiddels is er veel verloop, en is het idee van de creatieve sector daar toch wel een beetje losgeweekt. Bovendien is de sector op veel andere plekken geland: Hofbogen, Schieblock, de Kroon… De creatieve sector verhuist steeds. Je creëert stadsnomaden en dat heeft ook wel iets charmants. Maar wat je wil is een locatie met de juiste spin-off voor de stad. Een slim huurbeleid hoort daarbij: zorgen dat de bedrijven kunnen groeien. Daarna moet je het niet aan een makelaar weggeven. Je moet als beleidsmaker onderdeel blijven van de hele machinerie die alles bij elkaar houdt, om je doelstellingen te halen.”

Terugkijkend, was de gemeente in zijn tijd niet te sturend? “Er waait nu een andere wind door gemeenteland. Meer op controle en processen gericht. Wat toen in het Lloydkwartier kon, is nu niet meer te herhalen, niet op die schaal. Maar Rotterdam moest in die tijd iets doen aan werkgelegenheid, uitstraling en creativiteit. En de markt deed het niet, dus moest de gemeente het goede voorbeeld geven. Je moet de ontwikkeling op gang krijgen en houden. Je hebt als gemeente een verantwoordelijkheid. Faciliteer, ondersteun – vertrouw in de creativiteit van de markt, maar zorg dat de doelen gehaald worden. Het moet meer zijn dan alleen de subsidie overmaken.”

Bekijk ook de video 

De oude elektriciteitscentrale aan de Schiehaven moest hét creatief cluster voor de Rotterdamse audiovisuele industrie worden, een alternatief voor het Hilversumse Mediapark. Maar werkt dit soort top-down gebiedsontwikkeling wel om de creatieve sector tot bloei te laten komen? Daarover gaat deel 1 van de bijbehorende videoserie door OPEN Rotterdam.

Bron: beeld: www.youtube.com

Over deze serie

Samen met OPEN Rotterdam onderzoekt Vers Beton het ontstaan van creatieve ecosystemen in de stad, aan de hand van Delfshaven. Wat maakt Rotterdam-West zo aantrekkelijk voor kunstenaars en creatieve ondernemers? Hoe ontstaan broedplaatsen en creatieve netwerken? Welke rol speelt de creatieve sector bij de ontwikkeling van de stad? En biedt Rotterdam nog wel genoeg ruimte? In dit eerste deel van een drieluik gaat Ferrie Weeda in op de strategieën van de gemeente, met als casus de Schiecentrale in het Lloydkwartier. In het tweede deel wordt het ontstaan van bottom-up-initiatieven onderzocht en in het derde deel wordt gekeken wat de buurt eraan overhoudt.

Deze serie is mede mogelijk gemaakt door de Gemeente Rotterdam. Deze organisatie heeft geen invloed gehad op de inhoud van het artikel (lees meer).

Deze banner kun je wegklikken, maar....

..je kunt ook supporter worden! Vers Beton kan alleen bestaan dankzij een bijdrage van lezers. Vanaf 6 euro per maand maak jij onafhankelijke journalistiek in Rotterdam mogelijk.

Nee, ik lees eerst het stuk verder

Ferrie

Ferrie Weeda

Ferrie Weeda (1977) studeerde geschiedenis en Nederlands. Zijn wieg stond aan de Coolhaven – nog steeds zijn domein. Ferrie houdt van publiek en van de stad. Hij is voorzitter van BuurtBestuurt Coolhaveneiland. Als stadsgids en schrijver deelt hij zijn betrokken en bevlogen verhalen over geschiedenis, samenleving en cultuur. Gerrit, Ferries jack-russell uit Tiel, is vernoemd naar Erasmus.

✉ ferrie@versbeton.nl

Profiel-pagina
Nog geen reacties

Om te reageren moet je ingelogd zijn. Inloggen kan je hier. Als je nog geen account hebt meld je nu aan als supporter of maak hier een gratis reageerdersaccount aan.