Advertentie

VB – vacaturebank – banners – Hardwerkende – klik hier! – 1456×180
Voor de harddenkende Rotterdammer
HUGO_BONGERS-VERS_BETON-JANUARI_2021-LISA_DIEDERIK(C)lowres-1
Beeld door: beeld: Lisa Diederik

We staan aan het begin van een nieuwe Cultuurplanperiode 2021-2024. Jij hebt sinds het  midden van de jaren zeventig al een heleboel van die vierjarenplannen meegemaakt. Als je terugkijkt, wat is dan de optelsom van al die plannen?
“Dat het kunstbeleid in golfbewegingen gaat, met een komen en gaan van wat belangrijk wordt gevonden. Tussen 1945 en 1957 gebeurde er nog maar weinig in Rotterdam: er was wel een Rotterdams Philharmonisch Orkest, er was een Luxor Theater en ook een Schouwburg, maar per saldo stond alles in dienst van de haven en de industrie. Werk ging voor alles. 

Dat veranderde voor het eerst met een nota in 1957. Kunst werd vanaf dat moment een rol toegedicht bij de wederopbouw van de binnenstad, en ook voor de wijken werd het als nuttig gezien. Dat duurde grofweg tot in de jaren zeventig, waarna in de jaren tachtig en negentig het roer omging: wijken deden er niet meer toe, wat daar is opgebouwd werd weer afgebroken. Dat kwam ook doordat de gemeente onder ogen moest komen dat het de binnenstad verwaarloosd had. Je zag toen de ene kunstnota na de andere verschijnen die hamerde op het belang van investeringen in de binnenstad. 

Met Bram Peper kregen we een intellectueel als burgemeester, iemand die in persoon het denkende deel van PvdA belichaamde. Gekoppeld aan de mateloosheid van de jaren negentig werden de ambities in die tijd steeds groter geformuleerd. Rotterdam waande zich het centrum van de wereld en zag op zijn minst anderhalf miljoen zuidelijke randstedelingen als potentieel publiek voor zich. Het nieuwe Luxor werd opgeleverd met liefst 1600 zitplaatsen. De internationale uitstraling stond voorop – niet de concurrentie met Amsterdam, maar eigenlijk die met Londen en Parijs, moest de inzet zijn. 

Die gedachtegang zag je ook terug in de benoeming van Simon Field als directeur van het IFFR in 1996, een man met een keur aan internationale contacten. Inhoud en prestige waren doorslaggevend. De vraag wie er eigenlijk in zaal zat, deed er daarbij niet toe: het ging alleen maar om de inhoudelijke waardering voor de films. De kunstensector werd gezien als motor van de vernieuwing in de stad en het sociale perspectief was daaraan ondergeschikt. Het ging om toerisme, economie, prestige. Daarom moesten en zouden we in 2001 Europees Culturele Hoofdstad worden.”

De verwachting was dus dat Rotterdam zich zou gaan meten met het Holland Festival in Amsterdam: alles groot en internationaal. Maar toen het jaar 2001 dichterbij kwam, doken er steeds meer berichten op dat de Rotterdammer zelf niet vergeten mocht worden. Wat gebeurde daar?

“Je zag het roer weer om gaan. Een aantal jonge mensen in de organisatie van Culturele Hoofdstad zag wel in dat je zo’n jaar niet alleen voor de intellectuele voorhoede van Nederland kunt organiseren. De roep om de wijken, en daarmee de eigen bevolking, niet te vergeten kwam weer terug. In het huidige Cultuurplan is dat gegeven eigenlijk weer doorslaggevend: wie zitten er in de zaal? Waar komen ze vandaan? Uit welke wijk?

Dat is voor een aanzienlijk deel toe te schrijven aan de inspanningen van Rotterdam Festivals: die instelling heeft onder leiding van Johan Moerman echt werk gemaakt van het vraagstuk hoe de kunsten in Rotterdam hun eigen bevolking beter kunnen bereiken. Waarbij we niet moeten vergeten dat Rotterdam Festivals in het leven werd geroepen na een faliekante mislukking: de viering van 650 jaar Rotterdam in 1990, een festival bijna geheel bedacht en uitgevoerd vanuit het stadhuis. Er kwam niemand. Dat was een natuurlijk een dure les, maar zorgde er wel voor dat Rotterdam als eerste en enige stad in Nederland al heel tijdig voorsorteerde op een eigen festivalbeleid.”

HUGO_BONGERS-VERS_BETON-JANUARI_2021-LISA_DIEDERIK(C)lowres-2
Beeld door: beeld: Lisa Diederik

Het huidige kunstbeleid wordt landelijk uitgedragen door minister van Engelshoven en hier in Rotterdam door wethouder Kasmi, beiden van D66. Een leidraad bij hun plannen is ‘kunst van iedereen, voor iedereen’: de hele kunstsector moet bereikbaar zijn voor alle bevolkingsgroepen. Hoe nieuw is dat?

“Je zag dat eerder begin jaren zeventig. Die, zeg maar, sociaal-culturele invalshoek kreeg toen in 1973 vorm onder minister van Doorn van de PPR. Die schreef samen met zijn PvdA-staatssecretaris Wim Meijer revolutionaire nota’s waarin ze kunst en cultuur onderdeel maakten van een breed welzijnsbeleid, met een hoofdrol voor de wijken. In Rotterdam kregen we toen overal wijkcentra, waar vrijwilligers kleinschalige voorstellingen verzorgden en daarvoor ook subsidie ontvingen. 

Nu zie je eenzelfde beweging: grote instituten worden kritisch bekeken, kleinschalige initiatieven in de wijken gelden als voorbeeld. Het maakt allemaal onderdeel uit van diezelfde golfbeweging, al heb je wel bewindslieden nodig die daarbij het verschil durven te maken. Je zag de afgelopen jaren dat nieuwe, jonge makers van kleur een plek in het bestel wilden, dat toen nog teveel op slot zat. Er moet dan een wethouder zijn die zoiets ook vanuit een persoonlijk belang onderkent: pas dan wordt er werk van gemaakt. In dat opzicht is wethouder Kasmi de juiste man op de juiste plaats, op het juiste moment – ook al gaat het hier natuurlijk om ontwikkelingen die niet alleen in Rotterdam, maar die ook landelijk spelen. Zoals er landelijk wordt gezegd: er moet geld naar dansgezelschap Guy en Roni in Groningen, want spreiding is essentieel, zo zeggen we in Rotterdam: er moet geld naar jonge makers in de wijken.”

In deze nieuwe Cultuurplanperiode is besloten tot de invoering van een basisinfrastructuur,  de Rotterdamse Culturele Basis. Een basisinfrastructuur biedt op voorhand bestaanszekerheid voor de grote instellingen, die in ruil daarvoor aan extra prestaties worden gehouden – in Rotterdam specifiek op het gebied van ‘de drie I’s’: inclusiviteit, innovatie en interconnectiviteit. Vervolgens verliep dat erg stroef. Waar lag dat volgens jou aan?

“Er zijn nieuwe problemen blootgelegd, waarbij de betrokkenen partijen hun eigen stelling betrekken. De Rotterdamse Raad voor Kunst en Cultuur (RRKC) zegt: deze grote instellingen – op de Kunsthal en Theater Zuidplein na – zijn niet in gesprek met de samenleving, terwijl dat nou net hun kerntaak is. De gemeente zegt: gun ze de tijd, dat gesprek begint nog maar net. 

Maar de instellingen kunnen op hun beurt met goed fatsoen aanvoeren dat ze nogal veel gesprekken te voeren hebben. Want ze moeten niet alleen dit Rotterdamse belang dienen, maar zijn ook onderdeel van grote, internationale netwerken die hun heel eigen, niet geringe eisen stellen. En die eisen staan soms op gespannen voet met de lokale belangen. Dat betekent ook dat je als gemeente echt op de koop toe moet nemen dat er soms moeilijke tentoonstellingen zijn. Of dat er een componist wordt uitgevoerd die niet populair is. Aan een tentoonstelling in Boijmans worden niet alleen eisen gesteld door de gemeente, maar ook door bruikleengevers van over de hele wereld. Daar kun je je onmogelijk aan onttrekken. 

Je bent als grote instelling dus onderdeel van een aantal werelden, waarbij de wereld van Rotterdam met zijn bevolking en zijn gemeentebestuur en zijn kunstraad slechts een van de vele is – terwijl je ze allemaal tevreden moet zien te houden. Want als het Rotterdams Philharmonisch Orkest met onze burgemeester naar Amerika gaat, is alleen het allerbeste goed genoeg. Die instellingen moeten dus constant laveren tussen dergelijke tegengestelde belangen, en dat is echt moeilijk – juist omdat je dus als grote instelling ook nog een extra verantwoordelijkheid draagt voor inclusiviteit, interconnectiviteit en innovatie. Volgens mij kun je dat alleen maar goed doen als je zakelijk en artistiek leiderschap goed op elkaar afstemt. De zakelijk leider zorgt voor de lokale inbedding, de artistiek leider kijkt naar het internationale niveau en de hele staf is op de hoogte van die verdeling en het belang daarvan.”

Vers Beton – Nina Fernande – Museum Rotterdam – header – 2020

Lees meer

Hoe Rotterdam haar stadsmuseum liet doormodderen tot het doek viel

Reconstructie hoe het zover kon komen dat Museum Rotterdam definitief moest sluiten

Wie door de jaren heen kijkt ziet dat er in Rotterdam met schijnbaar gemak instellingen worden opgeofferd – denk aan Watt, De Nieuwe Oogst, Kosmopolis, de Unie en Onafhankelijk Toneel – met Museum Rotterdam als meest recente slachtoffer. Het doet soms denken aan de eeuwige drift tot slopen in de bouw van de stad. Hoe komt dat? 

“Er bestaat hier een zekere traditie om de stekker eruit te trekken, ook uit dingen die op zich prima functioneren. Ik heb afgelopen jaar een geschiedenis geschreven van het toenmalige theater Hal 4. Directeur Evan van der Most bouwde daar in de loop der tijd een heel helder profiel op. De SKVR hield er meerdere voorstellingen per dag waar een VMBO- en MBO-publiek op af kwam. En juist toen besloot de toenmalige wethouder, in 2009, dat het maar gesloten moest worden. 

Iets soortgelijks is gebeurd met de SKVR zelf: het volwassenenaanbod moest kostendekkend worden en de wijkvoorzieningen moesten verdwijnen – terwijl je toch moeilijk van een achtjarige kunt verwachten naar de andere kant van de stad te fietsen voor trompetles. Er waren ooit 62 onderkomens, verspreid over de stad, waar muziek en dansonderwijs kon worden genoten. Daarvan zijn er nu nog maar een paar over. 

In dat opzicht is het ook geen wonder dat de Rotterdamse hiphopscene vooral schatplichtig is aan de sportaccommodaties in onze stad. Want ga maar na: de kunstgebouwen waren niet beschikbaar en de wijktheaters waren al lang en breed gesloten. Maar dan krijg je dus wel dat de hele sector hiphop niet aan ziet komen, laat staan dat er zich ideeën kunnen vormen over hoe je hiphop een goede plek in het bestel kunt geven. Je hobbelt daardoor achter de feiten aan.”

“Tegelijkertijd lees ik ook momenteel geen slimme analyses over hoe we de huidige generatie jongeren een plek gaan geven. Ik lees verhalen van dertigers en ik zie hoe hiphop en grootstedelijke jongerencultuur in het huidige cultuurplan een aanzienlijke plek hebben gekregen – maar dat is iets anders dan inspelen op de noden en het kunnen van de aanstormende generaties. Daarvan hebben we eigenlijk geen idee, terwijl we in Rotterdam toch 52.000 MBO-studenten opleiden, die straks allemaal op de arbeidsmarkt komen met allerhande audiovisuele vaardigheden en een enorm artistiek potentieel waarvan wij amper weet hebben. Daar moeten we iets mee doen, zeker nu door corona dingen niet alleen anders moeten, maar ook anders kunnen. Misschien moeten ze wel voor Theater Rotterdam een Youtube-kanaal gaan uitbaten. Of iets soortgelijks.

Dat was de les van wijlen Doro Siepel, directeur van Theater Zuidplein: zij heeft de boel aan de praat gekregen op ongekende, nooit eerder vertoonde wijze, waarbij ze heel bewust optimaal gebruik heeft gemaakt van het artistieke potentieel dat deze stad heeft. Volgens mij is dat de opdracht voor onze sector in de komende periode: hoe zorg je ervoor dat aan de ene kant internationale hoogvliegers als Poetry International en IFFR, maar ook Boijmans en het Rotterdams Philharmonisch op het hoogste niveau blijven draaien, en hoe zorg je er tegelijk voor dat het artistieke potentieel van deze stad zelf de best denkbare plekken in het bestel krijgt.”

HUGO_BONGERS-VERS_BETON-JANUARI_2021-LISA_DIEDERIK(C)lowres-4
Beeld door: beeld: Lisa Diederik

Waar voorheen het autonome podium – in de breedste zin van het woord – centraal stond, heeft kunst zich nu te bekommeren om maatschappelijke kwesties als integratie, inclusiviteit en innovatie. Komt de kunst daarmee op gespannen voet te staan met de zogenaamde Thorbecke-doctrine, die bepaalt dat de politiek zich niet met de kunsten heeft te bemoeien? 

“Ik geloof niet dat de band tussen de politiek en de kunsten momenteel inniger is dan voorheen. De Thorbecke-doctrine is in dat opzicht springlevend, in mijn optiek. Wie vroeger in de kunsten zat, werkte voor de gemeente: de directeur van het Boijmans moest om de paar maanden aan een handvol gemeenteraadsleden uitleggen hoe het ging, wat hij deed, wat hij aankocht. Bij andere instellingen zat er bij elke bestuursvergadering een beleidsambtenaar van de gemeente aan tafel mee te schrijven. Dat is tegenwoordig ondenkbaar. 

Er werd in die tijd vanuit het stadhuis echt gestuurd op die instellingen, ook op inhoud, ook op kwaliteit. Dat laatste, kwaliteit, kom je in de tegenwoordige cultuurplannen eigenlijk niet meer tegen. De politiek kijkt nu naar het publiek en de producenten, naar de kunstenaars en kunstorganisaties en of die een getrouwe afspiegeling vormen van de Rotterdamse samenleving. 

Ook dat onderstreept dat de Thorbecke-doctrine, en daarmee de scheiding tussen politiek en kunst, feitelijk belangrijker is geworden: de politiek voert beleid, over onder andere een eerlijke verdeling van de gelden onder de bevolking. En de politiek stelt eisen aan de instellingen, zonder dat die betrekking hebben op de inhoud als zodanig. Ik vind ook het verhaal van die drie I’s – inclusiviteit, interconnectiviteit, innovatie – in politiek opzicht heel zuiver: de politiek stelt nu eenmaal prioriteiten, en voor de uitvoering daarvan worden aan de instellingen plichten opgelegd, zonder dat er uitspraken worden gedaan over de inhoud. Daar is niets mis mee. Er zit geen visie achter de drie I’s op wat kunst is. Boijmans mag elke tentoonstelling maken die het wil, maar moet wel z’n best doen daarbij ook bepaalde bevolkingsgroepen te betrekken. Die eis mag je als politiek best stellen.”

KADER

Hugo Bongers (1950) zit sinds midden jaren tachtig in tientallen besturen van culturele instellingen. In Rotterdam onder meer NOK IFFR, SKAR, WORM, Witte de With, de Foto Biënnale, Verborgen Tuinen, Moois Media en het Nederlandse Fotomuseum. 

Bongers woont sinds 1977 in Rotterdam en werkte tien jaar bij de afdeling Kunstzaken van het Stadhuis. Bongers was daarna zakelijk leider bij het Stedelijk Museum in Amsterdam en zakelijk directeur van Museum Boijmans Van Beuningen en later, tot zijn pensionering, secretaris van de Rotterdamse Raad voor Kunst en Cultuur. Tussen de bedrijven door studeerde hij rechten en wijsbegeerte. Sinds 2013 geeft Bongers het tijdschrift Puntkomma uit, dat zich richt op de wisselwerking tussen kunst, geschiedenis en beeld. 

mbo_cultuurscene_sfeer_lvd_3

Lees meer

“Oog voor diversiteit? Zorg dan ook voor mbo’ers ín je organisatie”

Culturele instellingen in Rotterdam proberen meer met het mbo samen te werken

Verder lezen?

Word supporter van Vers Beton! Vanaf 6 euro per maand maak jij financieel onafhankelijke journalistiek in Rotterdam mogelijk.

Nee, ik lees eerst het stuk verder

image_6483441

Jan Hiddink

Jan Hiddink schrijft voor Vers Beton over cultuurpolitiek. Hij woont sinds 1994 in Rotterdam en wil weten wat zich achter de schermen van de Rotterdamse werkelijkheid afspeelt. In het dagelijkse leven is hij o.a. programmacoördinator van WORM.

Profiel-pagina
LISA-DIEDERIK-PORTRET-2019

Lisa Diederik

Fotograaf

Het werk van Lisa Diederik (1990) draait om het tonen van authenticiteit en andere werelden. Daarin ziet zij het als uitdaging het uitzonderlijke in het gangbare weer te geven, het liefst met een vleugje humor. Ze studeerde aan de Willem de Kooning en is sindsdien naast fotograaf ook werkzaam in de Rotterdamse kunstwereld.

Profiel-pagina
Nog geen reacties

Om te reageren moet je ingelogd zijn. Inloggen kan je hier. Als je nog geen account hebt meld je nu aan als supporter of maak hier een gratis reageerdersaccount aan.