Voor de harddenkende Rotterdammer
Vers Beton – Lucia Lenders – Solidariteit – 2020
Beeld door: beeld: Lucia Lenders

Solidariteit is een beetje een hoera-woord. Het heeft voor velen de gevoelswaarde van een warm bad, maar het is geen begrip waarvan we een eensluidende definitie hebben. De betekenis van het woord is stevig verknoopt met een zeer divers pallet aan onderliggende mens- en wereldbeelden. De diversiteit aan deze beelden wordt weerspiegeld in de diversiteit van de definities.

Solidariteit verwijst naar insluiting, het verenigen van verschillende individuen met verschillende eigenschappen, behoeften en overtuigingen, maar het draagt ook uitsluiting met zich mee. Het is nooit onbegrensd. Solidariteit is dus niet altijd iets om voor te juichen. De maffia is bijvoorbeeld ook erg solidair, een belangrijke succesfactor voor georganiseerde misdaad.

Daarbij is solidariteit nogal modegevoelig. Sinds de term solidariteit in de jaren dertig van de vorige eeuw voor het eerst gebezigd werd, is het op veel verschillende manieren beargumenteerd; als goddelijk gebod, als onderlinge verzekering, als lotsverbondenheid op basis van groepseigenschappen en om recht te doen aan een ongelijke verdeling als gevolg van pech. 

Hoewel solidariteit altijd een morele connotatie heeft gehad, werd het na de laatste eeuwwisseling ook aangevuld met argumenten van eigenbelang, efficiëntie en doelmatigheid. Dat kan het politieke karakter van het begrip ‘solidariteit’ versluieren. Deze depolitisering past in een veel bredere trend, die al decennialang het debat over de richting die de samenleving zou moeten krijgen kenmerkt. Het vloeit voort uit een staatsopvatting die de staat de rol van marktmeester toebedeelt en waarbij de overheid zelf steeds meer gerund wordt als een bedrijf. Dit biedt niet het vocabulaire om onderliggende ideeën over solidariteit te bespreken. 

Nu solidariteit echter op zoveel plekken scheuren vertoont, is het hard nodig om het gesprek over het fundament onder solidariteit weer nieuw leven in te blazen. 

De bijstand in Rotterdam

Wie een dieper begrip wil krijgen van de grondslagen van solidariteit doet er goed aan om naar de ontwikkeling van de bijstand te kijken – en dan met name naar de Rotterdamse praktijk. Want hoe kwam de bijstand tot stand, en waartoe werd het in het leven geroepen? Hoe is de bijstand door de jaren heen veranderd, en hoe werd er over gesproken?

Op 16 februari organiseerden Stichting LOKAAL en debatpodium Arminius een debat over solidariteit en de bijstand. Aanleiding was de publicatie Streng maar onrechtvaardig, waarin bijstand-onderzoekers zich afvragen hoe rechtvaardig de bijstand nog is. Sprekers bij dit debat waren emeritus hoogleraar Sociale Wetenschappen Trudie Knijn, een van de auteurs van de publicatie, wethouder Werk en Inkomen Richard Moti (PvdA), gemeentelijk ombudsman Anne Mieke Zwaneveld en filosoof Gijs van Oenen. 

De bijstand dateert uit 1965. Marga Klompé – de eerste vrouwelijke minister – was een van de belangrijkste architecten van de nieuwe wet. Zij meende dat de bijstand als doel moest hebben dat hulp voor werklozen moest veranderen ‘van genade naar recht’

Klompé zei: “Een bloemetje op tafel hoort erbij”

De wet beschermde niet alleen tegen armoede, maar maakte het bijvoorbeeld mogelijk dat vrouwen konden scheiden, omdat ze financieel onafhankelijk konden worden van hun man. Ook moest de bijstandsuitkering in de ‘noodzakelijke kosten van levensonderhoud’ voorzien. Klompé zei: “Een bloemetje op tafel hoort erbij.” Er moest niet enkel oog zijn voor het minimale aan levensonderhoud. Waardigheid en een begin van autonomie hoorden ook bij het recht van burgers die niet zelf voor hun inkomen kunnen zorgen.

Er is sinds 1965 veel veranderd aan de bijstand. De aanpassingen zijn, in ieder geval deels, ingegeven door Haagse realiteiten – waaronder bezuinigingen. Het waren ook pogingen om de bijstand door middel van aanpassingen te kunnen behouden. Nu lijkt het er echter op dat de bijstand zo kapot is gerepareerd, dat het de vraag is of het systeem met kleine, praktische correcties te redden valt.

Trudie Knijn trok begin dit jaar met een brandbrief aan de bel. Ze stelt dat in de slipstream van de toeslagenaffaire een schandalige bijstandsaffaire zich zal aandienen. Ze was gealarmeerd door de verbaasde reacties van goedwillende politici op het nieuws dat een bijstandsgerechtigde €7000 moest terugbetalen, omdat haar moeder af en toe boodschappen betaalde. “Ze hebben geen idee van de misstanden die in de bijstand bestaan”, aldus Knijn.

De recente geschiedenis van de bijstand laat maar weer eens zien dat Rotterdam een echte voorhoedestad is: alles wat er mis kan gaan, gaat het eerst mis in Rotterdam. De Rotterdamse praktijk is dan ook een heel goede casus, niet in de laatste plaats omdat de sociaaldemocraten, van oudsher toch gezien als de hoeders van solidariteit, de belangrijkste architecten zijn van veranderingen in de bijstand. Terwijl de PvdA moeilijk goede wil ten aanzien van hulpbehoevenden ontzegd kan worden, laat de Rotterdamse praktijk zien hoe, in een poging tot het behoud van solidariteit, onder druk van een politieke tijdgeest richting werd gegeven aan de invulling van die solidariteit. 

De benadering van de bijstand door de sociaaldemocraten zwaait heen en weer als een pendulum. Aanvankelijk was het inzicht dat, aangezien er toch te weinig banen waren voor de hele arbeidsbevolking, bijstandsgerechtigden het beste met rust gelaten konden worden. Iedere aanzet tot een gesprek over plichten van bijstandsgerechtigden werd weggewuifd. Velen, waaronder de huidige wethouder Richard Moti (Wethouder Werk & Inkomen, Nationaal Programma Rotterdam Zuid en EU-migranten) zouden dat later kwalificeren als misplaatste onverschilligheid. Het was niet goed om mensen in de bijstand te laten verstoffen. Arbeid is immers een belangrijke bron van zelfrespect en emancipatie.

De pendel zwaaide door naar de andere kant, toen halverwege de jaren nul de gedachte postvatte dat de moraal van solidariteit ondermijnd werd door de stemming van de netto-betaler van de sociale voorzieningen. De middenklasse zag de bijstand steeds minder als een voorziening waar ze zelf ook afhankelijk van had kunnen zijn, of waarvan ze nog afhankelijk zou kunnen worden. De groep bijstandsgerechtigden was steeds beter te identificeren. Werkloosheid leek wel erfelijk, en ook de overrepresentatie van mensen met een migratieachtergrond ondergroef in de ogen van de sociaaldemocraten de solidariteit.

Door toegenomen individualisering zag de middenklasse ook niet meer dat ze hun positie niet alleen aan aangeboren talenten te danken hadden, maar bijvoorbeeld ook aan de politieke keuze om het onderwijs toegankelijker te maken. Succesvolle burgers, die soms als eerste in hun familiegeschiedenis op de universiteit konden studeren, waren ervan overtuigd geraakt dat succes een keuze was.

De moraal alleen zou niet genoeg blijken. Solidariteit, zo zei PvdA-prominent Frans Timmermans later, “begint en eindigt met een verlicht eigenbelang”. In die redenering staat centraal: “Ook al gaat het mij goed, ik heb er last van heb als er in de samenleving armoede, ongeletterdheid en dakloosheid bestaat. Dat leidt immers alleen maar tot onveiligheid en overlast en het is dus ook in mijn belang om armoede te voorkomen en te bestrijden”, aldus Wouter Bos, van 2002 tot 2010 politiek leider van de PvdA.  Solidariteit werd en wordt begrepen als een uitruil van twee artikelen van het sociaal contract: de mogelijkheid tot sociale stijging met een zekere mate van comfort. De logica van die ruil zette zich voort in Rotterdam.

In Rotterdam pleitte PvdA-wethouder Jantine Kriens (Financiën, Personeel en Organisatie, Volksgezondheid en Maatschappelijke Opvang, 2010 – 2014) voor een fatsoenlijke samenleving (een onvolmaakte vertaling van het begrip ‘decent society’ dat door filosoof Avishai Margalit werd gemunt). Fatsoen houdt hier in dat je mensen niet mag vernederen. “Alleen als je mensen niet vernedert, mag je ook iets van de mensen vragen”, zo sprak Kriens. PvdA-wethouder Marco Florijn (Werk, Inkomen en Zorg, 2011-2014) gaf hier vorm aan door de introductie van ‘de tegenprestatie’. De bijstandsgerechtigde zou een tegenprestatie moeten gaan leveren voor bijstand.

Dit was niets minder dan een trendbreuk. De nadruk op het doel van armoedebestrijding werd verlegd naar activering. Maar een belangrijk bijeffect was dat de bijstand als recht werd gedelegitimeerd. Terwijl er in de ogen van de vormgevers van wederkerigheid als grondslag van van de bijstand ook een emancipatoire gedachte achter zat, was het tegelijkertijd een bevestiging van het sluimerende stigma dat werklozen profiteurs zijn. Werklozen werden in bussen naar het Westland gereden om in de kassen aan het werk gezet te worden. 

Terwijl er in de ogen van de vormgevers van wederkerigheid als grondslag van van de bijstand een emancipatoire gedachte achter zat, was het tegelijk een bevestiging van het sluimerende stigma dat werklozen profiteurs zijn

De sociaaldemocraten werden hierbij bepaald niet afgeremd door de liberalen. Liberalen hebben vaak moeite met collectief georganiseerde solidariteit. Ze hechten aan spontane, vrijwillige, warme solidariteit tussen individuen. Georganiseerde solidariteit ondergraaft volgens hen directe solidariteit. Daarbij was bijna niemand bestand tegen de logica van ‘voor wat, hoort wat’. Het commentaar dat wederkerigheid ook gelijkwaardigheid van de betrokken partijen vereist, kreeg maar weinig gehoor.

Florijn zette het idee van de tegenprestatie in, en zijn opvolger van Leefbaar Rotterdam Maarten Struijvenberg (wethouder Werkgelegenheid en Economie, 2014-2018) zette een tandje bij. In 2015 beschreef ombudsman Zwaneveld de Rotterdamse praktijk van re-integratie als een “schrikbewind”. ‘Verplicht vrijwilligerswerk’ in de vorm van papier prikken werd het symbool van werkloos zijn in Rotterdam. “Bijstandsgerechtigden werden de facto geplaatst in een van drie categorieën: loser, hufter of fraudeur,” zegt Zwaneveld achteraf. 

Ondanks de verontwaardiging over de manier waarop wederkerigheid werd vormgegeven in Rotterdam, werd het beleid gebruikt als sjabloon voor nationaal beleid. Staatssecretaris Jetta Klijnsma (Sociale zaken en Werkgelegenheid, 2012-2017) gebruikte het Rotterdamse recept voor de nieuwe Participatiewet (2015). De wet maakte de tegenprestatie de norm.

Het was een hoogtepunt van neoliberaal beleid. Steeds meer kwam op het bord van de samenleving terecht en overlaadde de burger – als coproducent van sociaal beleid – daar waar de overheid zich terug trok. 

Inmiddels is de pendel weer op de terugtocht. De tegenprestatie wordt in het verkiezingsprogramma van de PvdA maar een keer genoemd, en wel met het voornemen deze te schrappen. In Rotterdam is het verplichte karakter van de tegenprestatie er weer af. Performatief heeft het ook een nieuwe naam gekregen: Prestatie010. Tijdens het debat over bijstand en solidariteit in Arminius zei Richard Moti over de Participatiewet: “(..) de Participatiewet moet herschreven worden. De wet is geënt op een heel naar mensbeeld. Mensen worden absoluut niet vertrouwd. Dat is bedreigend.” 

Los van dat het ingaat tegen zijn gevoel van rechtvaardigheid, is het volgens Moti ook contraproductief: “Als mensen zich bedreigd voelen, dan laten ze zich ook niet helpen, dan sluiten ze zichzelf op.” Onder wederkerigheid wordt nu verstaan dat mensen zowel rechten als plichten hebben, maar dat deze niet een-op-een aan elkaar verbonden zijn. “Mensen moeten niet werken voor hun bijstand, maar ze hebben wel de verplichting om hun best te doen om zo snel mogelijk niet meer afhankelijk te zijn van die bijstand.”

Ombudsman Zwaneveld is nu gematigd positief over de veranderingen van de afgelopen jaren. “We zijn er nog niet, maar de situatie nu is onvergelijkbaar met bijvoorbeeld die van 2015”, zei ze tijdens het debat. Het wantrouwen is echter nog niet weg. Zwaneveld haalt voormalig ombudsman Brenninkmeijer aan: “veruit de meeste mensen zijn van goede wil.” Dan is volgens Zwaneveld het huidige omvangrijke controleapparaat in de bijstand eigenlijk niet op zijn plek. Tien jaar ervaring als ombudsman van Rotterdam heeft haar gevormd tot een voorstander van een high trust, high penalty-samenleving. “We vertrouwen mensen, maar als er misbruik wordt geconstateerd is het goed als mensen een flinke sanctie krijgen.”

Ze ziet dat er door de coronacrisis nieuwe groepen zijn, zoals ondernemers, die nu ook een beroep doen op steun van de overheid. Dit zorgt voor een herwaardering van solidariteit, omdat het de grenzen vervaagt tussen de groep die afhankelijk is van de bijstand en anderen die aankloppen voor steunmaatregelen van de overheid.

Het verlaten van het pad van de tegenprestatie en de verontwaardiging over harteloze en strenge toepassing van de Participatiewet zouden erop kunnen duiden dat de moraal weer terrein aan het winnen is op de logica van ‘voor, wat hoort wat’. Wat is gebleven is de boosheid over misbruik, het wantrouwen. Niet alleen bijstandsgerechtigden krijgen het vertrouwen niet, ook het vertrouwen in de overheid liep, in de woorden van burgemeester Aboutaleb “een kras op”. Hij schrijft daar begin dit jaar over in een brief aan de gemeenteraad: “De toeslagenaffaire laat zien dat het codificeren van maatschappelijke wensen (fraudebestrijding) in een wet nog geen garantie is voor het bereiken van de beoogde doelen. Er kunnen ongewenste neveneffecten met grote gevolgen optreden. De wettenfabriek moet zich daarom vergewissen van een adequate uitvoering waarbij het vertrouwen in burgers centraal staat.”

De overheid moet de burger weer vertrouwen en de overheid moet het vertrouwen van de burger weer terugwinnen.

Zwaneveld onderstreept hoe ernstig dat wantrouwen inmiddels gegroeid is. Ze meldt dat er een significant deel van de rechthebbenden op de tegemoetkoming voor de gedupeerden van de toeslagenaffaire zich, uit wantrouwen, niet meldt bij het Rotterdamse meldpunt voor de €30.000 waar ze recht op hebben. “Ze willen niks meer met de overheid te maken hebben.”

Streng maar onrechtvaardig

Een systematische weging van de bijstand wordt geboden in het boek van Knijn en anderen:  Streng maar onrechtvaardig. De publicatie is een bundeling van het werk van een aantal zelfverklaarde ‘bijstandsonderzoekers’. 

Als toetssteen voor rechtvaardigheid van de bijstand in huidige vorm gebruiken zij niet Margalits ‘decent society’, maar drie alternatieve criteria: Herverdeling, herkenning en vertegenwoordiging (Fraser). De huidige bijstand faalt volgens de auteurs op alle drie die punten. 

In het kort: de bijstand biedt inkomensondersteuning die naar nationale en internationale normen onder het bestaansminimum is. Mensen komen per maand zo’n €100 tekort, mensen in de bijstand hebben geen kans om volwaardig onderwijs te volgen als ze 30 jaar of ouder zijn, re-integratie lukt niet; ze komen de bijstand niet meer uit. Ook worden mensen heel slecht geïnformeerd (over zowel rechten als plichten) waardoor ze ontsporen, waarna hele strenge sancties volgen en ze nog dieper in de problemen komen.

De bijstand zoals we die vormgegeven hebben, slaagt er niet meer in de doelen uit 1965 te dienen

Daar komt bij dat maar liefst 40 procent van de bijstandsgerechtigden niet uit de bijstand kan komen. Wie wel uit de bijstand komt, loopt aan tegen de flexibele arbeidsmarkt. Het inkomen uit tijdelijke contracten, flexibel contract of een parttime contract, waardoor dat inkomen steeds aangevuld moet worden uit de bijstand. Dat zorgt voor een heel erg onzeker inkomen en veel administratie.

De bijstand zoals we die vormgegeven hebben, slaagt er niet meer in de doelen uit 1965 te dienen. Van autonomie of waardigheid is geen sprake meer. Slechts een kwart van de bijstandsgerechtigden voelt het nog als een recht een bijstandsuitkering te ontvangen1. Eenderde van de bijstandsgerechtigden ziet de bijstand als een gift. Het overheersende  gevoel hierbij is dankbaarheid. Voor deze groep is de bijstand weer terug bij af. Van recht naar genade.

Bijna de helft van de bijstandsgerechtigden is de bijstand gaan zien als een transactie, met de bijkomstigheid dat die ruil dan ook passend moet zijn bij de geleverde inspanning. Het laat zien dat de manier waarop een bijstandsgerechtigde benaderd wordt, van invloed is op zijn of haar gevoelshuishouding en moraal. Wanneer je iemand benadert als een calculerende burger, dan wordt hij of zij dat op een gegeven moment ook.

En zo is de cirkel rond. De toevoeging van eigenbelang aan de onderbouwing van de organisatie van solidariteit, naast de moraal, zorgt ervoor dat ook de moraal van de begunstigde zich daar naar voegt. 

Het doet de vraag rijzen welk bezwaar tegen de huidige bijstand voorrang moet krijgen: dat de huidige bijstand mensen het bloemetje van Klompé op tafel ontzegt, minder gezond laat eten en ze opzadelt met de plastic spullen uit de Action of dat het hun hoofden vult met schuldgevoel en een morele boekhouding die eergevoel of andere elementen van burgerschap verdringt? 

Al met al is te concluderen dat wederkerigheid als grondslag voor de organisatie van de bijstand, vormgegeven in de tegenprestatie, het doel van de fatsoenlijke samenleving niet dient. De fundamentele vraag wie met wie solidair moet zijn en waarom is hiermee niet beantwoord. 

Solidariteit kan ook niet gereduceerd worden tot de omgang met werklozen. Het zegt bijvoorbeeld niets over solidariteit tussen jong en oud, of tussen ziek en gezond.

Toegepast op de bijstand is wederkerigheid niet een behulpzame grondslag gebleken om een rechtvaardige behandeling van werklozen te organiseren. Zelfs het doel om een fatsoenlijke samenleving dichterbij te brengen, om niemand te vernederen, is niet behaald. En bijstand als recht hield – in de hoofden van de mensen die zich aanvankelijk een bloemetje op tafel zouden moeten kunnen veroorloven – geen stand. Wat begon als een poging draagvlak te behouden met eigenbelang als toevoeging aan de moraal van medemenselijkheid, heeft in het geval van de bijstand jammerlijk gefaald. 

De toekomst zal uitwijzen of we nieuwe woorden vinden om samen met werklozen over solidariteit te spreken. 

Tot zover de bijstand. De coronacrisis, de klimaatcrisis en de vluchtelingencrisis vragen ook om aandacht. Deze beide crises zijn inmiddels ook geëvolueerd tot volwaardige solidariteitscrises. De coronacrisis en de klimaatcrisis hebben de verhouding tussen de generaties op scherp gezet. Dit vraagt om een indringend gesprek over welke rol een geboortedatum zou moeten hebben als criterium voor het recht op geluk.

De vluchtelingencrisis – die we ‘de vluchtelingen’ onmogelijk kunnen aanrekenen – maakt onzeker over wat internationale solidariteit nu eigenlijk nog betekent. 

Op 14 maart is er een volgend debat in Arminius, dit keer over intergenerationele solidariteit. In april komt internationale solidariteit aan de orde in het programma.

Deze banner kun je wegklikken, maar....

..je kunt ook supporter worden! Vers Beton kan alleen bestaan dankzij een bijdrage van lezers. Vanaf 6 euro per maand maak jij onafhankelijke journalistiek in Rotterdam mogelijk.

Nee, ik lees eerst het stuk verder

  1. Sebrechts en Kampen, in Streng maar onrechtvaardig ↩︎
Chris van der Meulen

Chris van der Meulen

Chris van der Meulen schrijft o.a. over politiek, kunst en technologie.

Profiel-pagina
Lucia Lenders

Lucia Lenders

Illustrator

Lucia Lenders studeerde illustratie op Sint Joost in Breda en KASK in Gent. Sinds 2017 woont en werkt ze in Rotterdam. In haar atelier knipt, plakt, tekent en schildert ze mensen, dieren, dingen en plekken.

Profiel-pagina
Nog geen reacties

Om te reageren moet je ingelogd zijn. Inloggen kan je hier. Als je nog geen account hebt meld je nu aan als supporter of maak hier een gratis reageerdersaccount aan.